Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2001:AB2802

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
19-07-2001
Datum publicatie
25-07-2001
Zaaknummer
21-002065-00
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2006:AY0318
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-002065-00

Uitspraak dd.: 19 juli 2001

TEGENSPRAAK

GERECHTSHOF TE ARNHEM

meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Zwolle van 8 augustus 2000 in de strafzaak tegen

[VERDACHTE],

geboren te [Plaats] in het jaar 1963,

wonende te [Plaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 13 april 2001, 19 april 2001 en 5 juli 2001 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich niet met het vonnis, waarvan beroep, zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.

De telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd dat:

(zie voor de inhoud van de (aangepaste) dagvaarding bijlage II)

Indien in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Verweer

De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof betoogd dat verdachte en zijn medeverdachten behoren te worden vrijgesproken van het telastegelegde. Daartoe is aangevoerd, zakelijk weergegeven:

- dat de gerechtelijke vooronderzoeken in Ecobel c.s. onrechtmatig zijn geweest omdat er ten tijde van de openingen van de gerechtelijke vooronderzoeken onvoldoende verdenking bestond terzake valsheid in geschrift;

- dat daaruit volgt dat ook alle uitbreidingen van de gerechtelijke vooronderzoeken onrechtmatig zijn geweest en

- dat de binnen de gerechtelijke vooronderzoeken verkregen onderzoeksresultaten uitgesloten dienen te worden van het bewijs.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het onderzoek tegen verdachte en zijn medeverdachten is aangevangen naar aanleiding van een brief van de Nederlandse Bank van 17 oktober 1996, later gevolgd door een brief van de Stichting Toezicht Effectenverkeer van 30 oktober 1997. In deze brieven, gericht aan de Economische controledienst werd verzocht een onderzoek in te stellen naar mogelijke overtredingen van de Wet toezicht beleggingsinstellingen respectievelijk de Wet toezicht effectenverkeer 1995. Ten tijde van de opening der gerechtelijke vooronderzoeken was uit dit onderzoek gebleken:

- dat de Ecobelinstellingen met beleggers overeenkomsten sloten, mede inhoudende de overdracht van houtopstanden in het Kabo-gebied te Suriname in (economische) eigendom danwel het exploitatierecht hiervan;

- dat de Ecobelinstellingen de door investeerders overgemaakte gelden niet investeerden in bosbouwprojecten, maar gebruikten op de optiebeurs te Amsterdam;

- dat er geen aanwijzingen waren voor geldstromen naar Suriname.

Omdat op voorhand niet aannemelijk is dat de Ecobelinstellingen de rechten welke zij pretendeerden de beleggers over te dragen, zelf verwerven konden zonder de daarvoor betaalde bedragen of andere geldmiddelen daarvoor aan te wenden, leverden voormelde feiten en omstandigheden een voldoende redelijke verdenking op dat ten aanzien van de gesloten overeenkomsten, voorzover deze inhielden dat die rechten aan de beleggers werden overgedragen, valsheid in geschrift werd gepleegd. Het hof verwerpt daarom het verweer.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat telastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1, 2 en 3 telastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

(zie voor de inhoud van de bewezenverklaring bijlage III)

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is telastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven

ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Het medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd,

terwijl hij telkens opdracht tot het feit heeft gegeven dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

en

Het medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, lid 1, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd,

terwijl hij telkens opdracht tot het feit heeft gegeven dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Het medeplegen van oplichting, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd,

terwijl hij telkens opdracht tot het feit heeft gegeven dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Als bestuurder deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Het hof acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden - dat verdachte en zijn mededaders op doortrapte wijze een groot aantal personen heeft bewogen om te participieren in een bomenproject in Suriname dat in feite niet werd opgezet en zij door die handelwijze de participanten financieel schade hebben berokkend. Nu verdachte ter terechtzitting van het hof heeft aangegeven dat hij het bomenproject wil voortzetten acht ook het hof het opleggen van na te melden bijzondere voorwaarde noodzakelijk.

Benadeelde partijen

Velen van degenen die met Vereniging Europees Beleggersconsortium danwel met Stichting Ecobel overeenkomsten zijn aangegaan als in de bewezenverklaring onder 1 sub 1 bedoeld, hebben als benadeelde partijen in eerste aanleg vorderingen tot schadevergoeding ingediend. Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op die vorderingen beslist aan de hand van een viertal bij het vonnis gevoegde lijsten, bevattende:

- lijst 1: de namen van 482 benadeelde partijen met de naar het oordeel van de rechtbank toewijsbare bedragen;

- lijst 2: de namen van 149 ook reeds op lijst 1 voorkomende partijen met de bedragen die zij meer vorderden dan het op lijst 1 vermelde bedrag;

- lijst 3: de namen van 6 niet reeds op lijst 1 of lijst 2 voorkomende benadeelde partijen met de bedragen van hun vorderingen;

- lijst 4: de adressen van de op de lijsten 1, 2 en 3 voorkomende benadeelde partijen.

De rechtbank heeft de op lijst 1 voorkomende vorderingen toegewezen en de op de lijsten 2 en 3 voorkomende benadeelde partijen in hun op die lijsten voorkomende vorderingen niet-ontvankelijk verklaard.

Het hof heeft thans te oordelen over:

- de op lijst 1 voorkomende en dus door de rechtbank toegewezen vorderingen;

- de op de lijsten 2 en 3 voorkomende en dus niet toegewezen vorderingen voorzover de benadeelde partijen zich ook in hoger beroep gevoegd hebben;

- de niet op enige lijst voorkomende en dus evenmin toegewezen vorderingen voorzover de benadeelde partijen zich ook in hoger beroep gevoegd hebben.

Het hof is van oordeel dat de benadeelde partijen tot het bedrag van de door hen betaalde en niet teruggekregen hoofdsommen van de afgesloten overeenkomsten schade hebben geleden als gevolg van het bewezen verklaarde handelen. In zoverre zijn de vorderingen

toewijsbaar. Indien sommige benadeelde partijen zich ook bij de civiele rechter reeds van een executoriale titel tot verhaal van hun vorderingen mochten hebben voorzien, doet dat aan de toewijsbaarheid van de vorderingen niet af. Zolang aan die titels niet is voldaan (wat door de verdachte niet is gesteld en ook niet anderszins is gebleken), zijn de onderliggende vorderingen immers niet tenietgegaan. De aldus toewijsbare vorderingen zijn opgenomen op de bij dit arrest gevoegde bijlage IV. Daarbij wordt nog overwogen:

-. ten aanzien van de benadeelde partijen [naam] en [naam]:

Door hen zijn weliswaar geen betalingsbewijzen voor de volledige bedragen overgelegd, maar hun stelling betaald te hebben is niet weersproken en staat daarmee vast.

-. ten aanzien van de benadeelde partijen [naam], [naam] en [naam]:

De door hun raadsman genoemde bedragen der vorderingen blijven achter bij de op de voegingsformulieren genoemde bedragen. Nu niet blijkt van enige bedoeling de aanvankelijk ingestelde vorderingen te verminderen, vat het hof dat op als een kennelijke vergissing en gaat het van de in de voegingsformulieren genoemde bedragen uit.

-. ten aanzien van de benadeelde partij [naam]:

Het door haar raadsman genoemde bedrag van de inleg (fl. 29.000) berust blijkens de overgelegde stukken, die een bedrag van fl. 29.900 aangeven, op een kennelijke vergissing die het hof herstelt door in plaats van fl. 29.000 te lezen fl. 29.900 te lezen.

-. ten aanzien van de benadeelde partijen [naam X], [naam Y] en [naam Z]:

De voegingsformulieren van deze benadeelde partijen zijn bij de stukken niet aangetroffen. Het hof neemt echter aan dat die voegingsformulieren er wel geweest zijn en na tijdige indiening in het ongerede zijn geraakt:

* bij [naam X] en [naam Y]: omdat op hun vorderingen door de rechtbank is beslist;

* bij [naam Z]: omdat de door hem overgelegde kopie van zijn voegingsformulier een faxafdruk vertoont waaruit blijkt dat het stuk zich ter griffie van de rechtbank heeft bevonden.

Deze benadeelde partijen hebben hun vorderingen derhalve reeds in eerste aanleg (en tijdig) ingediend.

Met betrekking tot de aldus toe te wijzen vorderingen, alle betreffende door de bewezen verklaarde strafbare feiten toegebrachte schade waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is, ziet het hof aanleiding verdachte ook de verplichting op te leggen om ten behoeve van de slachtoffers aan de staat de verschuldigde bedragen te betalen. Daarbij zal het hof wegens de talrijkheid der maatregelen bij de vaststelling van de vervangende hechtenis van de gangbare maatstaven afwijken.

Voorzover de in bijlage IV vermelde benadeelde partijen meer hebben gevorderd dan het hun toegewezen bedrag van hun inleg, zijn de vorderingen niet van zo eenvoudige aard dat zij zich lenen voor behandeling in het strafgeding. Inzoverre dienen de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk te worden verklaard met bepaling dat zij de desbetreffende delen van hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen. Deze gedeelten der vorderingen zijn opgenomen op de bij dit arrest gevoegde bijlage V.

Anders dan de advocaat-generaal heeft gevorderd meent het hof op de vordering van de benadeelde partij [naam] geen beslissing te moeten geven, nu deze vordering in eerste aanleg niet is toegewezen en de benadeelde partij zich in hoger beroep niet gevoegd heeft, immers desgevraagd heeft doen weten dat zij haar vordering niet wenst te handhaven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 47, 51, 57, 140, 225 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het onder 1, 2 en 3 telastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is telastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (een) jaar, niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel de navolgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd als prive-persoon en/of bestuurder van een rechtspersoon zal onthouden van activiteiten die verband houden met het verkrijgen en/of beheren van geldmiddelen van andere natuurlijke en/of rechtspersonen, zulks behoudens financieel beheer binnen de eigen gezinssituatie.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Veroordeelt verdachte om aan de benadeelde partijen, vermeld op de bij dit arrest behorende bijlage IV, de op die bijlage bij hun namen vermelde bedragen te betalen, zulks hoofdelijk met zijn medeverdachten [naam], Vereniging Europees Beleggersconsortium en, voorzover op de bijlage bij de namen van de benadeelde partijen in de kolom "rechtspersoon" de vermelding "Stichting" voorkomt, met Stichting Ecobel, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd.

Verklaart de benadeelde partijen, vermeld op de bij dit arrest behorende bijlage V, niet-ontvankelijk in hun vorderingen tot betaling van de bij hun namen vermelde bedragen.

Verwijst verdachte in de kosten van de benadeelde partijen en begroot deze kosten op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om aan de staat, ten behoeve van de benadeelde partijen, vermeld op de bij dit arrest behorende bijlage IV, de op die bijlage bij hun namen vermelde bedragen te betalen, zulks bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door één dag hechtenis voor elke benadeelde partij.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte danwel een van zijn hiervoor genoemde medeverdachten heeft voldaan aan zijn verplichting om aan een benadeelde partij danwel te haren behoeve aan de staat te betalen, hij inzoverre van zijn verplichting tot betaling aan de staat zal zijn ontslagen.

Heft op het geschorste, tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door

mr Mannoury, voorzitter,

mrs Lion en Van den Heuvel, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr Mientjes, griffier,

en op 19 juli 2001 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mrs Lion en Van den Heuvel zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.