Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2001:AB2327

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
05-06-2001
Datum publicatie
06-07-2001
Zaaknummer
98-04034
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HR

Gerechtshof Arnhem

derde meervoudige belastingkamer

nummer 98/04034

U i t s p r a a k

op het beroep van [X] te [Z] tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen [P] op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem voor het jaar 1996 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, aanslagnummer [H67].

1. Navorderingsaanslag en bezwaar

1.1. De navorderingsaanslag, gedagtekend 11 augustus 1998, is berekend naar een belastbaar inkomen van f 110.791,-, met na kwijtschelding een boete van 50 percent van de nagevorderde enkelvoudige belasting ad f 23.401,-. Aan heffingsrente is f 817,- berekend.

Het in de navorderingsaanslag berekende belastbare inkomen is als volgt berekend:

Belastbare inkomen aanslag f 64.791,-

Uitdeling - 46.000,-

Belastbare inkomen navorderingsaanslag f 110.791,-.

1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak van 6 oktober 1998 de navorderingsaanslag gehandhaafd.

2. Geding voor het Hof

2.1. Het beroepschrift is ter griffie ontvangen op 16 november 1998 en aangevuld op 15 februari 1999, waarbij bijlagen zijn overgelegd.

2.2. Tot de stukken van het geding behoren het vertoogschrift en de daarin genoemde bijlagen.

2.3. Bij de mondelinge behandeling op 31 oktober 2000 te Arnhem zijn gehoord [belanghebbende alsmede de Inspecteur].

2.4. De notities van het pleidooi dat de gemachtigde van belanghebbende bij de mondelinge behandeling heeft gehouden, worden als hier herhaald en ingelast beschouwd.

2.5. In genoemde zitting zijn behandeld de beroepen van belanghebbende inzake de hem opgelegde navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 1994, 1995 en 1996, alsmede de beroepen van [X-a] B.V. (hierna: de BV) inzake de aan haar opgelegde navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting 1994, 1995, 1996 en de naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 1993 tot en met 31 december 1996. Een afschrift van de uitspraak op het beroep inzake de navorderingsaanslag vennootschapsbelasting over 1996, hofnummer 99/00059, is aan deze uitspraak gehecht.

3. De vaststaande feiten

Voor de feiten verwijst het Hof naar hetgeen is vermeld onder ‘vaststaande feiten’ in de aangehechte uitspraak.

4. Het geschil, de standpunten en de conclusies van partijen

4.1. Partijen houdt verdeeld of

a. de Inspecteur terecht en tot het juiste bedrag de omzet van de BV heeft verhoogd,

b. sprake is van een nieuw feit dat de navordering rechtvaardigt,

c. de Inspecteur terecht het bedrag van die hogere omzet bij belanghebbende als inkomsten uit vermogen in aanmerking heeft genomen, en

d. de Inspecteur terecht een boete van per saldo 50 percent heeft toegepast.

4.2. Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken.

4.3. Daaraan zijn mondeling - voorzover voor dit geding van belang - geen nieuwe gronden toegevoegd.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Op voormelde beroepen heeft het Hof bij uitspraken van heden geoordeeld, dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat in de BV over de jaren 1994, 1995 en 1996 te weinig omzet is verantwoord en mitsdien de Inspecteur terecht de omzet van de BV over de jaren 1994, 1995 en 1996 heeft verhoogd met respectievelijk f 10.000,-, f 29.375,- en f 46.000,-, en voorts dat er geen andere reden is die aan navordering in de weg staat. Voor de overwegingen die tot deze oordelen hebben geleid verwijst het Hof naar de aangehechte uitspraak.

5.2. De Inspecteur heeft gesteld dat de over het onderhavige jaar door de BV te laag verantwoorde omzet aan het vermogen van de BV is onttrokken door belanghebbende als enig aandeelhouder/directeur, zijnde de persoon die over dat geld kon beschikken. In de uitspraak op het bezwaarschrift heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld, dat de gelden bewust vanuit de BV naar haar aandeelhouder (belanghebbende) zijn gevloeid.

5.3. Belanghebbende is van mening dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat - zo er al sprake zou zijn van meer omzet en meer winst bij de BV - hij ter zake iets heeft genoten en bovendien dat, indien zulks al het geval zou zijn, de BV en hij zich daarvan niet bewust zijn geweest. Voorts, aldus belanghebbende, is er geen ruimte in de BV voor een dividenduitkering tot het bedrag van de door de Inspecteur gestelde uitdeling over het onderhavige jaar.

5.4. Belanghebbende was in het onderhavige jaar directeur en enig aandeelhouder van de BV. De BV had geen andere werknemers in loondienst. Belanghebbende was zelf degene die de automaten leegde, de mede-exploitant zijn aandeel in de opbrengst overhandigde en het aan de BV toekomende deel van de opbrengst incasseerde.

5.5. Gelet op het in 5.1. overwogene inzake door de BV in het onderhavige jaar niet verantwoorde omzet, leidt een en ander het Hof met de Inspecteur tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat de door de BV niet verantwoorde omzet aan belanghebbende is ten goede gekomen en aldus door hem aan het vermogen van de BV is onttrokken. Door of namens belanghebbende is niet aangevoerd dat het geld op andere wijze een bestemming zou hebben gevonden.

5.6. Nu in het onderhavige geval sprake is van één directeur/enig aandeelhouder van de BV, tevens enig werknemer van de BV, is voorts de conclusie onontkoombaar dat zowel de BV als belanghebbende zich van de onttrekking bewust moeten zijn geweest. Belanghebbende heeft te dezen geen enkel argument aangevoerd op grond waarvan tot een ander oordeel zou kunnen worden gekomen.

5.7. De stelling van belanghebbende dat de BV niet de middelen had voor een dividenduitkering tot het door de Inspecteur als uitkering bestempelde bedrag wordt door het Hof verworpen. Belanghebbende heeft die stelling met geen enkel argument onderbouwd. Voorts gaat het hier om het beschikken door de aandeelhouder over contant geld dat aan de BV toebehoorde, maar niet in de kas van de BV is terechtgekomen.

5.8. Met betrekking tot de in de navorderingsaanslag begrepen boete van per saldo 50 percent stelt de Inspecteur zich op het standpunt dat sprake is van opzet, nu willens en wetens een deel van de aan de BV toekomende omzet aan de aandeelhouder is toegekomen, welke de aandeelhouder vervolgens niet in zijn belastbare inkomen heeft begrepen.

5.9. Gelet op de in de aangehechte uitspraak geschetste gang van zaken in de BV, de rol van belanghebbende daarbij en de conclusie van het Hof dat uitdeling moet hebben plaatsgevonden, is het Hof van oordeel dat de boete die de Inspecteur heeft toegepast ter zake van het niet in het belastbare inkomen begrijpen van de uitdeling passend en geboden is. Het is het Hof niet gebleken dat de Inspecteur bij het niet verder kwijtschelden van de boete heeft gehandeld in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur.

6. Slotsom

Het beroep van belanghebbende is niet gegrond.

7. Proceskosten

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken vindt het Hof geen termen aanwezig.

8. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus gedaan en in openbaar uitgesproken op 5 juni 2001 door mr Röben, voorzitter, mr De Kroon en mr Wolt, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr Egberts, als griffier.

De griffier, De voorzitter,

(mr J.L.M. Egberts) (J.B.H. Röben)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 5 juni 2001

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien u na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.