Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2001:AB2294

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
26-06-2001
Datum publicatie
06-07-2001
Zaaknummer
21-000117-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-000117-00

Uitspraak dd.: 26 juni 2001

TEGENSPRAAK

GERECHTSHOF TE ARNHEM

meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de arrondissementsrechtbank te Almelo van 22 november 1999 in de strafzaak tegen

[VERDACHTE],

geboren in het jaar 1932,

wonende te [woonplaats].

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 27 februari 2001 en 12 juni 2001 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter te Almelo heeft verdachte vrijgesproken van hetgeen hem telaste is gelegd. Met de politierechter acht het hof hetgeen aan verdachte is telastegelegd niet wettig en overtuigend bewezen.

Het hof overweegt daartoe het volgende:

Verdachte heeft in een ingezonden brief in het regionaal dagblad De Twentsche Courant Tubantia de volgende uitlating gedaan:

"Ik kan niet zwijgen. Pedofilie, homofilie en polygamie (dit was op de tv over een groep in Amerika, een paar dagen geleden) zijn niet goed te praten. Naar eigen gedachten en gevoelens spreekt men dit goed, zelfs met een boosheid in het hart. Maar God verbiedt dit in de bijbel. De bijbel is Gods woord en hiernaast is er geen andere waarheid. De bijbel zegt dat de ongerechtigheid zich zal vermenigvuldigen. Zonde is geen zonde meer en men moet maar tolerant zijn in de richting van vieze en vuile zonden."

Bewezen dient te worden dat verdachte zich door deze ingezonden brief opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen wegens hun homoseksuele gerichtheid.

Het hof is van oordeel dat de uitlating op zichzelf, los van de context, voor homoseksuelen een beledigend karakter heeft en als een beledigende uitlating wegens homoseksuele gerichtheid is aan te merken. Homofilie wordt bestempeld als een vieze en vuile zonde. Daardoor wordt de waardigheid van de desbetreffende groep mensen miskend.

Deze voor homoseksuelen op zichzelf beschouwd kwetsende en grievende uitlating kan echter haar beledigend karakter verliezen, indien die uitlating dient ter aanduiding van de in de geloofsopvatting van de verdachte verankerde opvatting dat homofilie als een zonde moet worden aangemerkt.

Verdachte wijst, als dominee redenerend vanuit zijn christelijke gedachtengoed, homofilie af als zondig, namelijk als strijdig met de bijbel. Nu verdachte de ingezonden brief heeft ondertekend met Rev. [naam] en in die brief uitdrukkelijk verwijst naar de bijbel, stonden zijn uitlatingen kenbaar in direct verband met zijn uiting van de geloofsopvatting en was zijn bedoeling de mensheid te waarschuwen duidelijk.

Aan voornoemd oordeel doet niet af dat verdachte homofilie als vieze en vuile zonde heeft bestempeld, nu in de bijbel, zoals de raadsman heeft gesteld, homofilie gezien wordt als een "gruwel(daad)" of een "gruwelijke zonde" (Leviticus 18:22).

Dit leidt ertoe dat de gewraakte uitlating gelet op de context niet beledigend is in de zin van artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht.

Gezien het vorenstaande moet het vonnis, waarvan beroep, worden bevestigd met verbetering van gronden.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis, waarvan beroep, met verbetering van gronden als hiervoor overwogen.

Aldus gewezen door

mr Van Houten, voorzitter,

mrs Vegter en Van Ditzhuijzen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr Schellekens, griffier,

en op 26 juni 2001 ter openbare terechtzitting uitgesproken.