Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2001:AB2268

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
08-05-2001
Datum publicatie
06-07-2001
Zaaknummer
99-03154
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2001-1295
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

derde meervoudige belastingkamer

nummer 99/03154

U i t s p r a a k

op het beroep van [X] BV te [Z], (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Belastingdienst/Ondernemingen [P], op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aan haar opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting 1993.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

1.1. De aanslag is, onder nummer [01] en met dagtekening 31 mei 1996, berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 1.500.000. De aanslag is verhoogd met een boete van, per saldo, ƒ 250 wegens het niet (tijdig) doen van de aangifte.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de aanslag op 6 juni 1996 bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij de bestreden uitspraak van 30 augustus 1996 belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar.

1.3. Belanghebbende is van bovengenoemde uitspraak in beroep gekomen bij het gerechtshof te Leeuwarden, dat die uitspraak heeft bevestigd.

1.4. Belanghebbende heeft tegen die uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 29 september 1999, nr. 34.822 (hierna: het arrest) de uitspraak van het gerechtshof Leeuwarden vernietigd en het geding verwezen naar het gerechtshof te Arnhem, ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van het arrest. Onder meer na een verwijzing naar een brief van 19 juli 1996 van belanghebbendes advocaat aan de Inspecteur - voor zover van belang inhoudende: "Hierbij zou sprake zijn van een inbreng van een eenmanszaak in de B.V. van cliënte, welk standpunt door mevrouw [X-A], uitdrukkelijk wordt bestreden" - heeft de Hoge Raad in dat arrest geoordeeld dat het Gerechtshof Leeuwarden aan de in artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht gestelde motiveringseis een te strenge uitleg heeft gegeven.

1.5. Belanghebbende heeft, daartoe door het Hof in de gelegenheid gesteld, naar aanleiding van het arrest een memorie ingediend. De Inspecteur heeft, daartoe door het Hof in de gelegenheid gesteld, op de inhoud van die memorie gereageerd.

1.6. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 6 maart 2001 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord [X-A], directrice van belanghebbende, alsmede de Inspecteur. Ter zitting is gelijktijdig met het onderhavige beroepschrift tevens behandeld het beroepschrift van belanghebbende met betrekking tot de aan haar opgelegde aanslag vennootschapsbelasting over het jaar 1992, hofkenmerk 99/03155. Hetgeen ter zitting is opgemerkt wordt geacht op beide zaken betrekking te hebben.

2. Feiten

2.1. Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.2. Belanghebbende is opgericht op 28 september 1992 door [X-A] te [Z]. Van het maatschappelijke kapitaal van 100 aandelen à ƒ 1.000 zijn bij oprichting 40 aandelen, het gehele geplaatste kapitaal, geplaatst bij [X-A]. Tot de stukken van het geding behoort een akte van overdracht van aandelen van 1 oktober 1992 waarbij [X-A] 39 van de bij haar geplaatste aandelen in belanghebbende heeft verkocht aan [B], wonende te [Q], Polen.

2.3. Belanghebbende heeft over het onderhavige jaar geen aangifte gedaan voor de vennootschapsbelasting. De Inspecteur heeft de in 1.1. genoemde aanslag ambtshalve vastgesteld. Belanghebbende heeft op 6 juni 1996 een bezwaarschrift ingediend tegen deze aanslag. Zij heeft in haar bezwaarschrift gesteld "… dat met de belastingdienst te [P] (is) overeengekomen dat de aangiftes (…) 1993 en 1994 pas worden gedaan als het onderzoek van de Detam en de Fiod is afgerond." De Inspecteur heeft belanghebbende bij brieven van 11 juni 1996, 16 augustus 1996 en 20 augustus 1996 meegedeeld - kort gezegd - dat zij naar zijn mening over alle stukken beschikte, en haar verzocht het ingediende bezwaarschrift nader te motiveren. Bij uitspraak van 30 augustus 1996 heeft de Inspecteur belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar.

2.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op het bezwaarschrift een beroepschrift ingediend. Zij heeft het beroepschrift op 1 september 1997 nader gemotiveerd, en daarbij - onder meer - als bijlage overgelegd een afschrift van een geautomatiseerd opgemaakte, op "augustus 1997" gedateerde en niet ondertekende aangifte. Daarin is een belastbare winst vermeld van negatief ƒ 160.384, en een belastbaar bedrag van "NIHIL". In een daarbij behorende bijlage is als enige aandeelhouder vermeld [X-A] te [Z]. In een daarbij als bijlage behorende jaarrekening over 1993 is, onder meer, het volgende opgenomen:

"Omzet ƒ 4.167.683

Inkoopwaarde " 2.688.183

Brutowinst ƒ 1.479.500 (transport)

Af: Kosten

(…) ƒ (…)

" 1.625.373

ƒ - 145.873

Afschrijving vaste activa " 14.512

NETTO RESULTAAT negatief ƒ 160.385

======="

2.5. In het jaar 1992 en in daaraan voorafgaande jaren dreef [X-A], al dan niet tezamen met haar echtgenoot [X-A] een onderneming die voornamelijk tot doel had de handel in schroot.

2.6. Op 14 november 1994 is tegen [X-A] en [XA-Y] een strafrechtelijk onderzoek gestart. Daarbij zijn, onder meer, diverse administratieve bescheiden in beslag genomen. Op 30 januari 1995 is namens belanghebbende een klaagschrift ingediend bij de arrondissementsrechtbank te [Z], onder meer strekkende tot opheffing van het op 14 november 1994 onder [X-A] gelegde beslag op de administratie met betrekking tot belanghebbende. De enkelvoudige raadkamer van die rechtbank heeft in een beschikking van 20 april 1995 overwogen dat is gebleken dat op 14 november 1994 diverse bescheiden in beslag genomen zijn, en, omdat het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag betreffende de administratie van [X] BV over de jaren 1993 en 1994 niet langer vorderde, de teruggave gelast aan klaagster van die administratie.

2.7. Bij ingestelde strafrechtelijke onderzoeken is gebleken dat de [X-A] en [XA-Y] zich schuldig hebben gemaakt aan valsheid in geschrifte, belastingfraude en sociale-verzekeringsfraude. Beiden zijn hiervoor strafrechtelijk veroordeeld. [X-A] is in Duitsland strafrechtelijk veroordeeld omdat hij een deel van aankopen van schroot niet had betaald en een bedrag aan Duitse belasting niet had afgedragen.

2.8. In verband met de lopende onderzoeken, de geconstateerde fraude, en de mogelijke betrokkenheid van belanghebbende daarbij, heeft de Inspecteur bij aanslagregeling het belastbare bedrag geschat en vastgesteld op ƒ 1.500.000.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft de voormelde schatting van het belastbare bedrag door de Inspecteur.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Daaraan is ter zitting nog het volgende toegevoegd:

3.2.1. Namens belanghebbende (door [X-A])

De aanslagen zijn niet redelijk omdat dergelijke winsten niet zijn behaald. De activiteiten betreffen inkoop en verkoop van schroot. In 1992 liepen de activiteiten gedeeltelijk via belanghebbende. Het onderzoek van de FIOD over 1992 was niet juist. Zij toont een brief van de FIOD waarin de onjuistheden staan vermeld. Onder meer de volgende, in die brief vermelde en op 1992 betrekking hebbende, bedragen zijn ten onrechte aan de eenmanszaak van [X-A] toegerekend en niet aan belanghebbende: een tegoed bij de [b]-bank van ƒ 103.500, een ontvangst van [C] van ƒ 151.459,70 en een ontvangst van [D] van ƒ 254.812,50. Na de oprichting van belanghebbende werden in de eenmanszaak van [X-A] geen activiteiten meer verricht. Die activiteiten zijn in 1992 na de oprichting in de BV ingebracht. Hetgeen hieromtrent door haar advocaat is gesteld in de brief van 19 juli 1996 is onjuist. In de eenmanszaak van [X-A] waren 12 werknemers werkzaam. Deze zijn na de oprichting in dienst gekomen van belanghebbende.

3.2.2. Door [belanghebbendes accountant]

Hij is er bij het opmaken van de stukken over 1992 van uit gegaan dat in 1992 alleen sprake was van een eenmanszaak. De gehele administratie is in beslag genomen. Daarom is uitstel gevraagd voor het doen van de aangifte. De rechter-commissaris wilde zowel privé-papieren van [X-A] als de stukken betrekking hebbend op en van belanghebbende. Hij toont een stuk, afkomstig van de rechter-commissaris, waaruit blijkt dat alles in beslag mocht worden genomen. Alles is meegenomen. De facturen over 1993 waren op zijn kantoor en zijn daar inbeslaggenomen. Aan de hand van wat er was aan teruggegeven bescheiden kon een en ander gereproduceerd worden.

3.2.3. Namens de Inspecteur

Hij verwijst naar het vertoogschrift en herhaalt dat er kennelijk geen administratie was. Over 1993 is geen aangifte gedaan. Er was sprake van een grootscheepse fraude in schroot. Gebleken is dat die fraude steeds grotere vormen aannam. De fraude bestond vooral daarin dat inkopen geheel of gedeeltelijk niet werden betaald. Hij verbaast zich er nog steeds over dat bij de beroepschriften over 1993 en 1994 wel jaarstukken zijn overgelegd, terwijl belanghebbende zich er bij voortduring over heeft beklaagd dat haar in beslag genomen administratie niet is teruggegeven. Kennelijk beschikte belanghebbende toch over haar administratie. Zij had over die jaren tijdig aangifte kunnen en moeten doen. In 1992 was ook nog sprake van een eenmanszaak. Het belastbare bedrag is voorzichtig gesteld op ƒ 50.000. Bij nader inzien is dat te laag. Hij trekt, gelet op het arrest van de Hoge Raad, zijn stelling dat het niet motiveren van het bezwaarschrift moet worden gezien als het niet voldoen aan de inlichtingenplicht voor 1992 in. Uit hetgeen belanghebbende thans ter zitting bij monde van haar directrice naar voren brengt omtrent de bedragen die over 1992 ten onrechte door de FIOD aan de eenmanszaak van [X-A] zijn toegerekend en niet aan belanghebbende, en omtrent de juistheid van hetgeen hij omtrent de inbreng van de activiteiten in belanghebbende heeft aangenomen, vloeit voort dat de door belanghebbende over 1992 ingediende jaarstukken en de daarop gebaseerde aangifte niet juist kunnen zijn. Daaruit blijken immers geen activiteiten in 1992. De administratie moet dan ook worden verworpen. Er zijn nimmer delen van de administratie van belanghebbende in beslag genomen. Uit de lijst van in beslag genomen stukken blijkt niet dat administratie van belanghebbende in beslag is genomen. Voor het jaar 1993 is hij met een belastbaar bedrag van ƒ 1.500.000 aan de veilige kant gaan zitten. In dat jaar moet alle winst van de schroothandel aan belanghebbende worden toegerekend. Het bedrag is gebaseerd op de strafrechtelijke stukken en de omvang van die handel. Het ging om steeds grotere bedragen. [E] BV hield zich alleen bezig met de uitgifte van een sportkrant. Er werd wel gebruik gemaakt van namen van andere BV’s, maar die BV’s bestonden niet. Alle handel was uiteindelijk voor rekening van belanghebbende.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en, naar het Hof verstaat, vermindering van de aanslag tot nihil omdat naar haar mening het belastbare bedrag nihil is. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak op het bezwaarschrift.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Het staat vast dat belanghebbende over het onderhavige jaar geen aangifte heeft gedaan voor de vennootschapsbelasting.

4.2. Belanghebbende heeft gesteld dat zij geen aangifte heeft kunnen doen omdat haar administratie in beslag was genomen en dat zij met betrekking tot het doen van aangifte afspraken had gemaakt met de belastingdienst te [P]. Zij maakt echter, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, niet aannemelijk dat dergelijke afspraken zijn gemaakt, noch dat zij overigens door omstandigheden waarop zij geen invloed kon uitoefenen of die niet aan haar te wijten zijn, niet (tijdig) haar aangifte over het onderhavige jaar heeft kunnen indienen.

4.3. Het vorenstaande brengt, gelet op artikel 29, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, met zich mee dat het beroep moet worden afgewezen, tenzij blijkt, dat wil zeggen overtuigend door belanghebbende wordt aangetoond, dat en in hoeverre de uitspraak of de belastingaanslag onjuist is. In redelijkheid moet worden aangenomen dat in deze wettelijke bepaling de terugverwijzing naar de uitspraak slechts betrekking kan hebben op de uitspraak voor zover die (eventueel) betrekking heeft op de hoogte van het vastgestelde belastbare bedrag.

4.4. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende met al hetgeen zij naar voren heeft gebracht niet doen blijken dat en in hoeverre de onderhavige aanslag tot een te hoog bedrag is opgelegd. Dat het jaar 1993 met verlies zou zijn afgesloten zoals uit de door belanghebbende overgelegde stukken zou moeten blijken, acht het Hof in het geheel niet aannemelijk. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat de winsten uit de schroothandel in de jaren dat die handel nog niet voor rekening van belanghebbende werd gedreven en waarvoor [X-A] en [XA-Y] strafrechtelijk zijn veroordeeld reeds aanzienlijk waren en dat uit de stukken van het geding blijkt dat de handel in schroot in omvang sterk toenam. Het Hof acht voorts aannemelijk dat de activiteiten die, zoals tijdens de strafrechtelijke onderzoeken met betrekking tot het begin van de jaren negentig is gebleken, toen door [X-A] en (XA-Y] voor eigen rekening werden uitgeoefend, door hen, maar dan voor rekening van belanghebbende, in 1992 en 1993 zijn voortgezet. Het strafrechtelijke onderzoek in Nederland is immers pas in november 1994 gestart en gesteld noch gebleken is dat de overgang van de eenmanszaak naar de besloten vennootschap een breuk heeft betekend in de wijze van werken.

4.5. De Inspecteur is naar het oordeel van het Hof bij het opleggen van de aanslag niet willekeurig te werk gegaan. Gelet op hetgeen bij de strafrechtelijke onderzoeken was gebleken omtrent de aard van de gepleegde strafbare feiten (onder meer valsheid in geschrifte en het niet betalen van leveranciers) heeft de Inspecteur, mede in aanmerking genomen hetgeen hiervoor in 4.4. is overwogen en de in 2.4. opgenomen cijfers, kunnen concluderen tot een belastbaar bedrag van ƒ 1.500.000.

4.6. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is en dat de uitspraak op het bezwaarschrift moet worden bevestigd.

5. Proceskosten

Het Hof vindt geen termen aanwezig om de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van haar beroep bij het Hof heeft moeten maken.

6. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Inspecteur waarvan beroep.

Aldus gedaan te Arnhem op 8 mei 2001 door mr. J.B.H. Röben, voorzitter, mr. M.C.M. de Kroon en mr. J.P.M. Kooijmans, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. J. Egberts, fiscaal jurist, en N.Th. Wagener als griffier.

(N.Th. Wagener) (J.B.H. Röben)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 8 mei 2001

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien u na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.