Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2001:AB2267

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
08-05-2001
Datum publicatie
06-07-2001
Zaaknummer
99-03155
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2001/48.3 met annotatie van Redactie
FutD 2001-1295
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

derde meervoudige belastingkamer

nummer 99/03155

U i t s p r a a k

op het beroep van [X] BV te [Z], (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Belastingdienst/Ondernemingen [P], op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aan haar opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting 1992.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

1.1. De aanslag is, onder nummer [01] en met dagtekening 15 mei 1996, in afwijking van de door belanghebbende ingediende aangifte berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 50.000.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de aanslag op 6 juni 1996 bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij de bestreden uitspraak van 30 augustus 1996 belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar.

1.3. Belanghebbende is van bovengenoemde uitspraak in beroep gekomen bij het Gerechtshof te Leeuwarden, dat die uitspraak heeft bevestigd.

1.4. Belanghebbende heeft tegen die uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 29 september 1999, nr. 34.821 (hierna: het arrest) de uitspraak van het Gerechtshof Leeuwarden vernietigd en het geding verwezen naar het gerechtshof te Arnhem, ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van het arrest. Onder meer na een verwijzing naar een brief van 19 juli 1996 van belanghebbendes advocaat aan de Inspecteur - voor zover van belang inhoudende: "Hierbij zou sprake zijn van een inbreng van een eenmanszaak in de B.V. van cliënte, welk standpunt door mevrouw [X-A], uitdrukkelijk wordt bestreden" - heeft de Hoge Raad in dat arrest geoordeeld dat het Gerechtshof Leeuwarden aan de in artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht gestelde motiveringseis een te strenge uitleg heeft gegeven.

1.5. Belanghebbende heeft, daartoe door het Hof in de gelegenheid gesteld, naar aanleiding van het arrest een memorie ingediend. De Inspecteur heeft, daartoe door het Hof in de gelegenheid gesteld, op de inhoud van die memorie gereageerd.

1.6. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 6 maart 2001 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord [X-A], directrice van belanghebbende, alsmede de Inspecteur. Ter zitting is gelijktijdig met het onderhavige beroepschrift tevens behandeld het beroepschrift van belanghebbende met betrekking tot de aan haar opgelegde aanslag vennootschapsbelasting over het jaar 1993, hofkenmerk 99/03154. Hetgeen ter zitting is opgemerkt wordt geacht op beide zaken betrekking te hebben.

2. Feiten

2.1. Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.2. Belanghebbende is opgericht op 28 september 1992 door [X-A] te [Z]. Van het maatschappelijke kapitaal van 100 aandelen à ƒ 1.000 zijn bij oprichting 40 aandelen, het gehele geplaatste kapitaal, geplaatst bij [X-A]. Tot de stukken van het geding behoort een akte van overdracht van aandelen van 1 oktober 1992 waarbij [X-A] 39 van de bij haar geplaatste aandelen in belanghebbende heeft verkocht aan [B], wonende te [Q], Polen.

2.3. Op 25 november 1993 heeft belanghebbende aangifte gedaan voor de vennootschapsbelasting over het jaar 1992. In die aangifte is een belastbare winst vermeld van negatief ƒ 2.792, en een belastbaar bedrag van "NIHIL". In een bijlage bij het aangiftebiljet is als enig aandeelhouder vermeld [X-A te Z]. In de als bijlage bij de aangifte behorende jaarrekening over de periode van 28 september 1992 tot en met 31 december 1992 is, onder meer, het volgende opgenomen:

"[Z], 12 november 1993

Geachte mevrouw [X-A],

Ingevolge uw opdracht hebben wij de jaarrekening over de periode 28-09-1992 t/m 31-12-1992, alsmede de overige gegevens van uw beheermaatschappij, samengesteld.

De vennootschap is op 28 september 1992 opgericht. Bedrijfsactiviteiten hebben tot nu toe vrijwel nog niet plaatsgevonden."

"RESULTATENREKENING

Rente en kosten ƒ 276

Kantoorkosten " 91

Oprichtingskosten " 2.425

Netto-resultaat negatief ƒ 2.792

===="

2.4. De balans van belanghebbende per ultimo 1992 vermeldt aan de actiefzijde het volgende:

"

Deelnemingen ƒ 20.000,00

Geldmiddelen

[a]-bank rekening courant " 54.685,60

[a]-bank rekening courant DM " 86.767,90

ƒ 161.453,50

=========="

terwijl in de toelichting op die balans met betrekking tot de deelneming is opgenomen:

"Betreft een deelneming in [C] B.V. gevestigd te [Z]. In het vermogen van deze vennootschap wordt deelgenomen voor 50%. [C] B.V. is per 13 november 1992 in staat van faillissement verklaard."

2.5. In het jaar 1992 en in daaraan voorafgaande jaren dreef [X-A], al dan niet tezamen met haar echtgenoot [XA-Y] een onderneming die voornamelijk tot doel had de handel in schroot.

2.6. Op 14 november 1994 is tegen [X-A] en [XA-Y] een strafrechtelijk onderzoek gestart. Daarbij zijn, onder meer, diverse administratieve bescheiden in beslag genomen. Op 30 januari 1995 is namens belanghebbende een klaagschrift ingediend bij de arrondissementsrechtbank te [Z], onder meer strekkende tot opheffing van het op 14 november 1994 onder [XA-Y] gelegde beslag op de administratie met betrekking tot belanghebbende. De enkelvoudige raadkamer van die rechtbank heeft in een beschikking van 20 april 1995 overwogen dat is gebleken dat op 14 november 1994 diverse bescheiden in beslag genomen zijn, en, omdat het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag betreffende de administratie van [X] BV over de jaren 1993 en 1994 niet langer vorderde, de teruggave gelast aan klaagster van die administratie.

2.7. Bij ingestelde strafrechtelijke onderzoeken is gebleken dat [X-A] en [XA-Y] zich schuldig hebben gemaakt aan oplichting, valsheid in geschrifte, belastingfraude en socialeverzekeringsfraude. Beiden zijn hiervoor strafrechtelijk veroordeeld.

2.8. In verband met de lopende onderzoeken, de geconstateerde fraude, en de mogelijke betrokkenheid van belanghebbende daarbij, heeft de Inspecteur bij aanslagregeling het belastbare bedrag geschat en, in afwijking van de ingediende aangifte, vastgesteld op ƒ 50.000.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft de voormelde schatting van het belastbare bedrag door de Inspecteur.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting nog het volgende toegevoegd.

3.2.1. Namens belanghebbende door [X-A]

De aanslagen zijn niet redelijk omdat de door de Inspecteur gestelde winsten niet zijn behaald. De activiteiten betreffen inkoop en verkoop van schroot. In 1992 liepen de activiteiten gedeeltelijk via belanghebbende. Het onderzoek van de FIOD over 1992 was niet juist. Zij toont een brief van de FIOD waarin de onjuistheden staan vermeld. Onder meer de volgende, in die brief vermelde en op 1992 betrekking hebbende, bedragen zijn ten onrechte aan de eenmanszaak van [X-A] toegerekend en niet aan belanghebbende: een tegoed bij de [b]-bank van ƒ 103.500, een ontvangst van [C] van ƒ 151.459,70 en een ontvangst van [D] van ƒ 254.812,50. Na de oprichting van belanghebbende werden in de eenmanszaak van [X-A] geen activiteiten meer verricht. Die activiteiten zijn in 1992 na de oprichting in de BV ingebracht. Hetgeen hieromtrent door haar advocaat is gesteld in de brief van 19 juli 1996 is onjuist. In de eenmanszaak van [X-A] waren 12 werknemers werkzaam. Deze zijn na de oprichting in dienst gekomen van belanghebbende.

3.2.2. Door [belanghebbendes accountant]

Hij is er bij het opmaken van de stukken over 1992 van uit gegaan dat er in 1992 alleen sprake was van een eenmanszaak. De gehele administratie is in beslag genomen. Daarom is uitstel gevraagd voor het doen van de aangifte. De rechter-commissaris wilde zowel privé-papieren van [X-A] als de stukken betrekking hebbende op en van belanghebbende. Hij toont een stuk, afkomstig van de rechter-commissaris, waaruit blijkt dat alles in beslag mocht worden genomen. Alles is meegenomen. De facturen over 1993 waren op zijn kantoor, en zijn daar in beslag genomen. Aan de hand van wat er was aan teruggegeven bescheiden kon een en ander gereproduceerd worden.

3.2.3. Namens de Inspecteur

Hij verwijst naar het vertoogschrift en herhaalt dat er kennelijk geen administratie was. Over 1993 is geen aangifte gedaan. Er was sprake van een grootscheepse fraude in schroot. Gebleken is dat die fraude steeds grotere vormen aannam. De fraude bestond vooral daarin dat inkopen geheel of gedeeltelijk niet werden betaald. Hij verbaast zich er nog steeds over dat bij de beroepschriften over 1993 en 1994 wel jaarstukken zijn overgelegd, terwijl belanghebbende zich er bij voortduring over heeft beklaagd dat haar in beslag genomen administratie niet is teruggegeven. Kennelijk beschikte belanghebbende toch over haar administratie. Zij had tijdig aangifte kunnen en moeten doen. In 1992 was ook nog sprake van een eenmanszaak. Het belastbaar bedrag is voorzichtig gesteld op ƒ 50.000. Bij nader inzien is dat te laag. Hij trekt zijn stelling dat het niet motiveren van het bezwaarschrift moet worden gezien als het niet voldoen aan de inlichtingenplicht, wat leidt tot een omkering van de bewijslast, voor 1992 in. Uit hetgeen belanghebbende thans ter zitting bij monde van haar directrice naar voren brengt omtrent de bedragen die over 1992 ten onrechte door de FIOD aan de eenmanszaak van [X-A] zijn toegerekend en niet aan belanghebbende, en omtrent de juistheid van hetgeen hij omtrent de inbreng van de activiteiten in belanghebbende heeft aangenomen, vloeit voort dat de door belanghebbende over 1992 ingediende jaarstukken en de daarop gebaseerde aangifte niet juist kunnen zijn. Daaruit blijken immers geen activiteiten in 1992. De administratie moet dan ook worden verworpen. Er zijn nimmer delen van de administratie van belanghebbende in beslag genomen. Uit de lijst van in beslag genomen stukken blijkt ook niet dat administratie van belanghebbende in beslag is genomen. Voor het jaar 1993 is hij met een belastbaar bedrag van ƒ 1.500.000 aan de veilige kant gaan zitten. In dat jaar moet alle winst van de schroothandel aan belanghebbende worden toegerekend. Het bedrag is gebaseerd op de strafrechtelijke stukken en de omvang van die handel. Het ging om steeds grotere bedragen. [E] BV hield zich alleen bezig met de uitgifte van een sportkrant. Er werd wel gebruik gemaakt van andere namen, maar die BV’s bestonden niet. Alle handel was uiteindelijk voor rekening van belanghebbende.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en, naar het Hof verstaat, vermindering van de aanslag tot nihil omdat naar haar mening het belastbare bedrag nihil is. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak op het bezwaarschrift.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Namens belanghebbende heeft haar directrice ter zitting verklaard dat na haar oprichting nog in 1992 de activiteiten in haar zijn ingebracht die voorheen door [X-A] in een eenmanszaak werden uitgeoefend. Voorts heeft [X-A] ter zitting verklaard dat aanzienlijke bedragen niet aan haar eenmanszaak maar aan belanghebbende toebehoorden. Tot slot heeft zij verklaard dat de 12 werknemers die werkzaam waren voor de eenmanszaak, na de oprichting van belanghebbende voor haar in dienstbetrekking werkzaam waren.

4.2. Gelet op hetgeen hiervoor in 4.1. is vermeld is het Hof van oordeel dat de Inspecteur zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de jaarstukken van belanghebbende over 1992 niet gebaseerd kunnen zijn op een betrouwbare administratie, en dat die administratie derhalve moet worden verworpen en niet kan dienen als basis voor de fiscale winstberekening.

4.3. De Inspecteur heeft gemotiveerd gesteld en naar het oordeel van het Hof aannemelijk gemaakt dat zijn schatting van de belastbare winst van belanghebbende over het onderhavige jaar op ƒ 50.000 niet te hoog is. Het Hof neemt daarbij in aanmerking de in 3.2.1. opgenomen verklaring van [X-A] en de daarbij genoemde bedragen, dat de winsten uit de schroothandel in de jaren dat die handel nog niet voor rekening van belanghebbende werd gedreven en waarvoor [X-A] en [XA-Y] strafrechtelijk zijn veroordeeld reeds aanzienlijk waren, en dat uit de stukken van het geding blijkt dat de handel in schroot in omvang sterk toenam. Het Hof acht voorts aannemelijk dat de activiteiten die, zoals tijdens de strafrechtelijke onderzoeken met betrekking tot het begin van de jaren negentig is gebleken, toen door [X-A] en [XA-Y] voor eigen rekening werden uitgeoefend, door hen, maar dan voor rekening van belanghebbende, in 1992 en 1993 zijn voortgezet. Het strafrechtelijk onderzoek is immers pas in november 1994 gestart en gesteld noch gebleken is dat de overgang van de eenmanszaak naar de besloten vennootschap een breuk heeft betekend in de wijze van werken.

4.4. Belanghebbende maakt met de enkele verwijzing naar de door haar ingediende aangifte en de daarbij overgelegde jaarstukken niet aannemelijk dat haar belastbare winst minder dan ƒ 50.000 heeft bedragen. Door hetgeen ter zitting door [X-A] en [belanghebbendes accountant] is verklaard staat immers vast dat in de jaarstukken over 1992 de resultaten van de activiteiten met betrekking tot de handel in schroot die in belanghebbende zijn ingebracht niet zijn verwerkt en dat die jaarstukken derhalve als onbetrouwbaar terzijde moeten worden geschoven.

5. Proceskosten

Het Hof vindt geen termen aanwezig om de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van zijn beroep bij het Hof heeft moeten maken.

6. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Inspecteur waarvan beroep.

Aldus gedaan te Arnhem op 8 mei 2001 door mr. J.B.H. Röben, voorzitter, mr. M.C.M. de Kroon en mr. J.P.M. Kooijmans, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. J. Egberts, fiscaal jurist, en N.Th. Wagener als griffier.

(N.Th. Wagener) (J.B.H. Röben)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 8 mei 2001

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien u na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.