Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2001:AB2163

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
01-05-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99-03156
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2001/1163
FutD 2001-1217
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WS

Gerechtshof Arnhem

derde meervoudige belastingkamer

nummer 99/03156

U i t s p r a a k

op het beroep van [X] te [Z] (hierna te noemen: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd unit heffingen van de gemeente Arnhem (hierna: de Ambtenaar) op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen het na te melden gevorderde bedrag aan staangeld.

1. Gevorderd bedrag en bezwaar

1.1. Bij schriftelijke kennisgeving met factuurnummer [1] en dagtekening 23 januari 1998 is een bedrag van ƒ 499,72 gevorderd aan ‘staangeld woonwagen 35011/5300 januari’ op [terrein a] te Arnhem.

1.2. Bij uitspraak van de Ambtenaar van 24 augustus 1999 is belanghebbende in zijn bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

2. Geding voor het hof

2.1. Het beroepschrift is ter griffie ontvangen op 1 oktober 1999.

2.2. Tot de stukken van het geding behoren het verweerschrift en het daarbij overgelegde afschrift van de bij raadsbesluit van 1 december 1997 vastgestelde Verordening rechten standplaatsen woonwagens Arnhem 1998 alsmede een namens belanghebbende ter na te melden zitting van 8 maart 2001 overgelegd afschrift van de bij raadsbesluit van 7 december 1998 vastgestelde Verordening rechten standplaatsen woonwagens 1999.

2.3. Bij het onderzoek ter zitting op 16 oktober 2000 te Arnhem door de vijfde enkelvoudige belastingkamer zijn gehoord [belanghebbendes gemachtigde alsmede de Ambtenaar].

2.4. Van de Ambtenaar zijn schriftelijke inlichtingen ingewonnen, die zijn doorgezonden aan de gemachtigde van belanghebbende en waarover deze zich heeft uitgelaten. De desbetreffende briefwisseling behoort tot de stukken.

2.5. Het onderzoek ter zitting is, na verwijzing, voortgezet door de derde meervoudige belastingkamer op 8 maart 2001 te Arnhem, waarbij de voormelde personen wederom zijn verschenen.

2.6. De notities, met bijlagen, van de pleidooien die de gemachtigde van belanghebbende en die de Ambtenaar op 16 oktober 2000 en wederom op 8 maart 2001 de gemachtigde van belanghebbende hebben gehouden, alsmede de na te noemen ‘puntentelling voor de lokatie [terrein a]’ die zonder bezwaar van belanghebbende namens de Ambtenaar is overgelegd, worden als hier herhaald en ingelast beschouwd.

3. Conclusies van partijen

3.1. Belanghebbende verzoekt in beroep, op de dertien beroepschriften van [terrein a] belanghebbende inzake andere tijdvakken in één gezamenlijke uitspraak te beslissen, het beroep gegrond te verklaren en primair de gevorderde bedragen op nihil te stellen, te verklaren voor recht dat geen enkel recht geheven kan worden op grond van de door de Ambtenaar opgevoerde kosten en subsidiair de rechten terug te brengen tot een redelijke proportie gelijk aan de huidige huren van andere woonwagenbewoners in de gemeente Arnhem die alleen de grond gebruiken, nog verminderd met de kosten van de zelf aangelegde voorzieningen, en primair en subsidiair de gemeente te veroordelen in de kosten van deze procedure vermenigvuldigd met 6.

3.2. De Ambtenaar concludeert - nader - tot vernietiging van zijn uitspraak, ontvankelijkverklaring van belanghebbende in het bezwaar en handhaving van het gevorderde bedrag.

4. De vaststaande feiten

4.1. Belanghebbende heeft met een eigen woonwagen standplaats ingenomen op het voormelde terrein.

4.2. Van de Verordening rechten standplaatsen woonwagens Arnhem 1998 alsmede van de Verordening rechten standplaatsen woonwagens Arnhem 1999 luidde artikel 4 in 1998 en in januari 1999:

‘1 Het staangeld voor het met een woonwagen innemen van een standplaats op een woonwagencentrum in de gemeente Arnhem is gelijk aan de voor de betreffende standplaats geldende maximaal redelijke huurprijs, berekend volgens bijlage III van het Besluit huurprijzen woonruimte.’

4.3. Artikel 4 van de laatstvermelde verordening is bij onderdeel 3, artikel IV, van het raadsbesluit van 28 juni 1999 vervangen door de volgende tekst:

‘Het staangeld voor het hebben van een standplaats voor een woonwagen is gelijk aan de voor de betreffende standplaats geldende maximaal redelijke huurprijs, berekend volgens bijlage III van het Besluit huurprijzen woonruimte.’

4.4. Bij de voormelde inlichtingen heeft de Ambtenaar een ‘Overzicht kosten woonwagenstandplaatsen [terrein a] te Arnhem’ overgelegd dat luidt als volgt:

(bedragen in guldens)

Kosten in de voorbereidingsfase

boekwaarde grond 110.000,-

rentelasten over grond (1994 tot en met 1997) 28.872,-

Civieltechnisch werk, aansluiting riolering, nutsvoorziening 301.362,-

ambtelijke kosten (gemeentelijk cordinator 1994 t/m

april 1997), 2250 uur à f 135,- 303.750,-

totale investeringen 743.984,-

Nog voorziene investeringen (ramingen)

groenvoorzieningen 66.975,-

geluidswal 498.615,-

openbare verlichting 14.000,-

nog voorziene investeringen 579.590,-

Totaalbedrag voorziene kosten 1.323.574,-

Jaarlijkse exploitatielast van de reeds gedane investeringen

rentelasten over grond en rentelasten voorbereidingsfase:

6% van 138.872,- 8.332,-

afschrijving gedane investeringen ad 605.112,- op basis van 6% rente en

een afschrijvingstermijn van 25 jaar 47.336,-

jaarlijkse onderhoudslasten P.M.

jaarlijkse exploitatielast 55.668,-

Jaarlijkse kosten per standplaats op basis van gedane uitgaven (8 standplaatsen):

55.668,- : 8 = 6.958,- per jaar, zijnde 579,- per maand

Jaarlijkse exploitatielast op basis van de totale voorziene investeringen

rentelasten over grond en rentelasten voorbereidingsfase:

6% van 138.872,- 8.332,-

afschrijving overige investeringen ad fl. 605.112,- op basis van 6% rente en

een afschrijvingstermijn van 25 jaar 47.336,-

afschrijving overige voorziene investeringen ad 579.590,- op basis van 6%

rente en een afschrijvingstermijn van 25 jaar 45.339,-

jaarlijkse onderhoudslasten P.M.

jaarlijkse exploitatielast 101.007,-

Jaarlijkse kosten per standplaats op basis van voorziene uitgaven (8 standplaatsen)

101.007,- : 8 = 12.625,- per jaar, zijnde 1.052,- per maand.

4.5. De inhoud van de onder 2.6 bedoelde ‘puntentelling’ luidt als volgt:

De puntentelling voor de lokatie [terrein a] is als volgt en voor mij is uitgangspunt dat de zes standplaatsen sec een oppervlakte kennen van in elk geval 320 m².*

-Standplaats > 170 m² met berging en zonder sanitair 37 punten

-Vermindering ontbreken berging - 5 „

-Standplaats > 170 m² dus privé-buitenruimte maximaal 10 „

-Woonvorm toe te rekenen 17 punten 0 „

-woonomgeving maximaal 25 punten en gerekend met 20 „

-veroudering maximaal 20 punten doch hier niet aan de orde 0 „

-hinderlijke situaties maximale aftrek 20 punten 0 „

-Totaal geteld 62 punten.

5. Het geschil en de standpunten van partijen

5.1. Partijen houdt verdeeld, of het gevorderde bedrag terecht is opgelegd.

5.2. Elk van de partijen heeft voor haar standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van haar afkomstige stukken.

5.3. Daaraan is mondeling, behalve de inhoud van de voormelde pleitnotities, toegevoegd - zakelijk weergegeven - op 16 oktober 2000

5.3.1. door en namens belanghebbende:

5.3.1.1. In zijn pleitnotities worden met ‘groep’ bedoeld alle hier aanwezige belanghebbenden.

5.3.1.2. Al deze belanghebbenden zijn lid van de coöperatieve vereniging [b].

5.3.1.3. Er bestaat ook de mogelijkheid tot koop om invulling te geven aan de Woonwagenwet.

5.3.1.4. Nog steeds loopt een procedure waarin eigendomsoverdracht van de standplaats is gevorderd.

5.3.1.5. De gemeente maakt voor de instandhouding van het terrein geen kosten. De door de Ambtenaar ten opzichte van artikel 229b van de Gemeentewet als lex specialis beschouwde Woonwagenwet is inmiddels afgeschaft.

5.3.1.6. Hij wil wel weten of het staangeld overeenkomstig Bijlage III bij het Besluit huurprijzen woonruimte juist is berekend.

5.3.1.7. Hij heeft zelf ter plaatse 225 m³ wit zand à ¦ 30,- laten komen voor het bouwrijpmaken en oude grond voor ¦ 15,- per m³ laten afvoeren. De ¦ 200 huur/staangeld wordt alleen geheven voor het inrichten van een vak dat hij zelf heeft ingericht.

5.3.1.8.Er is gebouwd overeenkomstig de afgegeven bouwvergunningen.

5.3.1.9. Met de gemeente viel niet te praten over een redelijke oplossing nadat de levering van door de bewoners van [terrein a] van de gemeente gekochte grond bij de notaris niet had kunnen doorgaan wegens de nader aan het gebruik van aanwezige verdiepingen gestelde voorwaarden.

5.3.1.10. Geen van de standplaatsen op het betrokken terrein aan [terrein a] wordt ingenomen door een gehuurde woonwagen.

5.3.1.11. Hij voelt zich, evenals de medebewoners van het terrein, door deze heffing gediscrimineerd, nu hijzelf veel geld in zijn standplaats heeft geïnvesteerd en bewoners van andere locaties in de gemeente Arnhem voor hun standplaatsen aan de woningbouwvereniging een huur betalen van ¦ 200 à ¦ 250 per maand.

5.3.2. en namens de Ambtenaar:

5.3.2.1. Volgens de arrondissementsrechtbank te Arnhem in de civiele procedure is er geen wilsovereenstemming over de overdracht tot stand gekomen. Voor de problemen die waren ontstaan nadat de notariële overdracht niet was doorgegaan is geen oplossing bereikt. Er kon ook over huur geen zinnige overeenstemming bereikt worden. Onderhandelingen, ook op politiek niveau, hebben niets opgeleverd.

5.3.2.2. Volgens artikel 9, tweede lid, van de toenmalige Woonwagenwet moest er een staangeldverordening zijn.

5.3.2.3. Het beleid van de verschillende woningbouwverenigingen kan leiden tot ongelijkheid, onderling en ten opzichte van de gemeente, maar huren en staangelden zijn er ook niet voor identieke situaties.

5.3.2.4. Hij betwist dat hij heft boven de opbrengstgrens die door de kosten wordt bepaald. Dit wordt ook in het beroepschrift niet gesteld. Hij verzoekt deze thans opgeworpen stelling tardief te verklaren.

5.3.2.5. De verordening is naar de eis van de wet bekendgemaakt. Daarvan kan hij een complete set bewijsstukken nader overleggen.

5.3.2.6. De echte woonwagens (caravans) zijn weggesleept.

5.3.2.7. Hij is bereid zich in alle zaken te schikken naar de uitslag van één ervan, zodat niet in alle zaken behoeft te worden voortgeprocedeerd.

en op 8 maart 2001

5.3.3. namens belanghebbende:

5.3.3.1. Belanghebbende maakt geen gebruik van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen of werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn. Hij heeft ook niet het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. Er is dus geen belastbaar feit als bedoeld in artikel 229 van de Gemeentewet.

5.3.3.2. Zijn gemachtigde legt afschriften van de betrokken verordeningen over.

5.3.3.3. De aangelegenheden van veertien woonwagencentra in Arnhem worden behandeld door één ambtenaar. De kosten van die ambtenaar kunnen dus niet alleen op dit centrum drukken.

5.3.3.4. Beplanting is naast het woonwagencentrum aangebracht, niet erop.

5.3.3.5. Geschillen over puntentelling horen niet thuis voor de belastingrechter.

5.3.3.6. Hoe de Ambtenaar ook rekent, de Huurprijzenwet woonruimte vormt het uitgangspunt, maar toch zijn er ongelooflijke verschillen.

5.3.3.7. Voor een retributieheffing moeten er kosten ten laste van de gemeente zijn. Vanaf 1994 heeft de gemeente echter niets geïnvesteerd. De infrastructuur was al aanwezig ten behoeve van de woningen die daar gesloopt zijn. De geluidswal die er over een lengte van 100 meter moet komen, zal op openbare gemeentegrond staan en niet op het terrein. Alle kosten van het terrein zijn door belanghebbende en zijn medebewoners zelf gedragen.

5.3.3.8. Het conflict is hoog opgelopen. Daarover zal het departement op 12 maart 2001 in opdracht van H.M. de Koningin gaan praten met de gemeente.

5.3.4. en namens de Ambtenaar:

5.3.4.1. Hij heeft tot dusver geen kennis genomen van de hem overhandigde brief van de gemachtigde van 20 november 2000.

5.3.4.2. Van die brief heeft hij thans kennis kunnen nemen.

5.3.4.3. Hij heeft geen bezwaar tegen overlegging van de bundel afschriften van verordeningen door de gemachtigde.

5.3.4.4. Er is wel degelijk sprake van gebruik in de zin van artikel 229 van de Gemeentewet, en wel van het centrum tot instandhouding waarvan de gemeente op grond van de Woonwagenwet verplicht was en dat dus voor de openbare dienst bestemd was.

5.3.4.5. Hij had de in de loop van 1998 vastgestelde wijzigingen van de heffingsverordening niet met de inlichtingen meegezonden, omdat bij de eerste mondelinge behandeling was afgesproken dat alleen over januari 1998 zou worden voortgeprocedeerd. De wijziging van december 1998 betreft een aanpassing aan de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

5.3.4.6. Op de grond van het woonwagencentrum wordt niet afgeschreven. Wel zijn rentelasten toegerekend aan de instandhouding van het centrum. De boekwaarde is de basis van de renteberekening. Het rentepercentage is gesteld op 6 overeenkomstig het rendement op staatsleningen.

5.3.4.7. Kosten van civieltechnische werken zijn ten laste van de gemeente gekomen sinds 1994, toen dit centrum gerealiseerd is. Ook in 1998 is wellicht nog een deel van die werken gerealiseerd.

5.3.4.8. Voor openbare verlichting zijn specifiek ten behoeve van het woonwagencentrum 2250 uren gereserveerd. De realisering van een groenstrook buiten het terrein is vertraagd door de civiele procedure tussen de bewoners van [terrein a] en de gemeente.

5.3.4.9. De bekostiging van de geluidswal komt ten laste van het fonds grote werken. De industrie in verband waarmee die wal nodig is, was er al vóór het woonwagencentrum. De kosten van de geluidswal van ¦ 498 615 zijn gebaseerd op een ontvangen offerte.

5.3.4.10. Het berekenen van rente is gebruikelijk. Het geld zou anders geleend moeten worden.

5.3.4.11. Onderhoudskosten zijn er in 1998 nog niet.

5.3.4.12. De geraamde opbrengst blijft binnen de limiet die door de geraamde kosten wordt bepaald.

5.3.4.13. Hij legt, voor het geval het Hof belanghebbendes bezwaar tegen de puntentelling niet tardief acht, een overzicht over van de puntentelling die op grond van de tariefbepaling is gehanteerd bij de bepaling van de hoogte van het geheven staangeld.

5.3.4.14. Het aanvankelijk voornemen was verkoop van de grond aan de bewonersvereniging [b]. Daarover wordt de civiele procedure gevoerd. Het plegen van onderhoud is gestagneerd door de procedure voor de Raad van State over nadere voorwaarden aan de gebruiksvoorschriften.

5.3.4.15. Enige woningcorporaties hanteren geheel op eigen beleid, zonder aanwijzing van de gemeente, 50% van de maximale huurprijs.

5.3.4.16. Het tarief is opgenomen in de voormelde verordeningen.

5.3.4.17. De puntentelling is helder, althans die voor de eerste vijf categorieën, althans die voor de eerste drie categorieën.

5.3.4.18. Hij beroept zich primair op de Woonwagenwet, subsidiair op de Gemeentewet.

5.4. en namens belanghebbende en de Ambtenaar:

5.4.1. Zij stemmen in met het voornemen van het Hof, dat het in de zaak 99/03156 een uitspraak doet waarnaar wordt verwezen in de uitspraken op de op 16 oktober 2000 en 8 maart 2001 gelijktijdig behandelde beroepen van de medebelanghebbenden die daarbij aanwezig zijn geweest. In de uitspraak waarnaar verwezen wordt behoeft niets onherkenbaar te worden gemaakt.

5.4.2. Telkens per 1 juli zijn de maximaal toelaatbare huurprijzen gewijzigd. Op 1 januari 1998 bedroeg deze ¦ 499,72; vanaf 1 juli 1998 ¦ 515,21 en vanaf 1 juli 1999 ¦ 525,51.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Het beroep, voor zover gericht tegen de tariefstelling, is anders dan de Ambtenaar stelt niet tardief. Naar in het beroepschrift, op bladzijde 4 onder e, reeds is aangevoerd, is belanghebbende het ‘absoluut oneens met de berekening van de huurprijs o.g.v. de huurprijzenwet’.

6.2. De onder 4.2 en 4.3 aangehaalde tariefbepalingen houden niet zelf een bepaald bedrag aan staangeld in, maar verwijzen naar Bijlage III bij het Besluit huurprijzen woonruimte.

6.3. Anders dan de Ambtenaar verdedigt, voldoet elk van die tariefbepalingen niet aan het vereiste dat zij de belastingplichtigen in staat stelt de omvang van hun belastingplicht te kennen. Ook de onder 4.5. weergegeven puntentelling vindt geen eenduidige grondslag in de verordening. De voor het onderwerpelijke tijdvak toepasselijke tariefbepaling is daardoor niet in overeenstemming met wat artikel 217 van de Gemeentewet daarover voorschrijft.

6.4. Daarenboven voorziet geen wettelijk voorschrift erin dat de gemeenteraad de regeling van het tarief van het onderhavige recht, dat tot de gemeentelijke belastingen behoort, overlaat - zoals in dezen gebeurd is - aan de Kroon. Hierbij verdient nog opmerking dat ook de Tarieventabel bij de Modelverordening staangeld van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten voorziet in afzonderlijke vermelding van de tarieven met de naam van het centrum, het standplaatsnummer, het bouwjaar of jaar van verbetering, de aan- of afwezigheid van een berging en van sanitair.

6.5. De Ambtenaar voert nog aan, dat uit de voormelde puntentelling kenbaar kon zijn dat het gevorderde bedrag is berekend aan de hand van het daarin vermelde ‘uitgangspunt dat de zes standplaatsen sec een oppervlakte kennen van in elk geval 320 m²’ en aan elk van de standplaatsen althans (37-5+10=) 42 punten vielen toe te kennen. Deze stelling baat de Ambtenaar niet, omdat het totale bedrag van het verschuldigde recht uit de verordening kenbaar dient te zijn.

6.6. Artikel 4 van de verordening in de voor het onderhavige tijdvak geldende tekst is onverbindend. Het uit kracht van die onverbindende tariefbepaling gevorderde bedrag kan niet in stand blijven.

6.7. Voor het geven van een verklaring voor recht als door belanghebbende verlangd, is in de bestuursrechtelijke procedure in belastingzaken geen plaats. Het rechtsmiddel van beroep strekt er enkel toe, de rechter te doen beoordelen of het gevorderde bedrag juist is vastgesteld dan wel moet worden verlaagd.

7. Slotsom

Het beroep is gegrond. De overige grieven van belanghebbende behoeven geen bespreking.

8. Proceskosten

De proceskosten van belanghebbende - één van de zes belanghebbenden namens wie door dezelfde gemachtigde nagenoeg gelijktijdig tegen nagenoeg identieke besluiten op vergelijkbare gronden beroep is ingesteld waarvoor de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn - zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op 1/6 ´ 3´ ¦ 710 ´ 1,5 (wegingsfactor zwaarte) ´ 1,5 (wegingsfactor samenhangende zaken) = ¦ 798,75.

9. Beslissing

Het gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de Ambtenaar;

- verklaart belanghebbende alsnog ontvankelijk in zijn bezwaar;

- vernietigt het gevorderde bedrag;

- gelast de Ambtenaar aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht van ¦ 60 te vergoeden;

veroordeelt de Ambtenaar in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van ¦ 798,75, te vergoeden door de gemeente Arnhem.

Aldus gedaan te Arnhem op 1 mei 2001 door mr Röben, voorzitter, mr N.E. Haas en mr drs F.J.P.M. Haas, in tegenwoordigheid van mr Snoijink als griffier.

(W.J.N.M. Snoijink) (J.B.H. Röben)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 1 mei 2001

Tegen deze uitspraak kunnen de belanghebbende en het college van burgemeester en wethouders binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt, is een griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.