Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2001:AB2079

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
03-05-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99-01455
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2001-1166
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

achtste enkelvoudige belastingkamer

nummer 99/01455

Uitspraak

op het beroep van X te Z, (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst/Particulieren P (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende de na te noemen aan hem opgelegde aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen over het jaar 1996.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

1.1. De aanslag is, gedagtekend 23 april 1998 en in afwijking van de door belanghebbende ingediende aangifte, opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 105.674.

1.2. Op 29 mei 1998 heeft belanghebbende een bezwaarschrift ingediend tegen de opgelegde aanslag. De Inspecteur heeft bij uitspraak van 10 mei 1999 het bezwaar ten dele gegrond verklaard en de aanslag dienovereenkomstig verminderd.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak bij brief van 14 juni 1999, ingekomen op 16 juni 1999, in beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 10 april 2001 te Arnhem. Daar zijn toen verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, alsmede het hoofd van de eenheid Belastingdienst/Ondernemingen P die thans met betrekking tot de belastingaangelegenheden van belanghebbende als de bevoegde inspecteur moet worden aangemerkt. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en afschriften daarvan aan het Hof en aan de wederpartij overgelegd. De inhoud daarvan moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. De Inspecteur heeft ter zitting een fotokopie van een publicatie van het arrest van de Hoge Raad van 5 juni 1996 nr. 31.181, BNB 1996/235 aan het Hof en aan de wederpartij overgelegd.

2. Feiten

2.1. Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.2. Belanghebbende was in 1996 in loondienst werkzaam bij a te Q. Deze werkgever heeft aan belanghebbende een lease-auto ter beschikking gesteld. De cataloguswaarde van deze auto bedraagt ƒ 38.700. De enkele reisafstand tussen de woning van belanghebbende en de plaats waar hij zijn werkzaamheden verricht bedraagt 11 kilometer.

2.3. Op grond van een autoregeling met zijn werkgever wordt het brutoloon van belanghebbende per maand verminderd met een bedrag van ƒ 520,83. Op jaarbasis is dit ƒ 6.250. Op het onder meer met genoemd bedrag verminderde loon wordt de tabel voor de inhouding van loonbelasting/premie volksverzekeringen toegepast.

2.4. Naast de in 2.3. bedoelde inhouding betaalde belanghebbende in het onderhavige jaar aan zijn werkgever een netto bedrag van ƒ 2.144 voor het privé gebruik van de door de werkgever ter beschikking gestelde auto.

2.5. Op grond van artikel 42, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) heeft belanghebbende in zijn aangifte een bedrag van ƒ 7.740 tot zijn inkomsten uit arbeid gerekend. Als vergoeding ter zake van het privé gebruik van de auto heeft hij op dit bedrag in mindering gebracht het in 2.4. genoemde bedrag. Voorts heeft hij daarop in mindering gebracht een bedrag van ƒ 3.125, zijnde de door hem berekende achteruitgang in nettoloon door de in 2.3. genoemde vermindering (50% van ƒ 6.250)

2.6. De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag - onder meer - de in 2.5. bedoelde vermindering van ƒ 3.125 niet geaccepteerd. Bij de uitspraak op het bezwaarschrift heeft hij het belastbare inkomen van belanghebbende nader vastgesteld op ƒ 103.324, berekend als volgt:

belastbaar inkomen volgens aangifte ƒ 97.630

meer inkomsten uit eigen woning (niet in geschil) ƒ 2.569

correctie privé gebruik auto ƒ 3.125

nader vastgesteld belastbaar inkomen ƒ 103.324

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil de in 2.6. bedoelde correctie van ƒ 3.125.

3.2. Belanghebbende stelt dat de vermindering van zijn salaris met - op jaarbasis - ƒ 6.250, voor hem leidt tot een ƒ 3.125 lager nettoloon. Dit bedrag heeft hij extra opgeofferd in verband met het hem ter beschikking stellen van de auto. Dit offer moet worden behandeld als een vergoeding aan de werkgever die belanghebbende verschuldigd is voor het gebruik, anders dan ten behoeve van het verrichten van de arbeid.

3.3. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat in het onderhavige geval slechts het in 2.4. bedoelde bedrag van ƒ 2.144 kan worden aangemerkt als een vergoeding die aan de werkgever wordt betaald in verband met het privégebruik van de ter beschikking gestelde auto.

3.4. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken waaronder de pleitnota van belanghebbende. Daaraan is ter zitting nog het volgende toegevoegd.

3.4.1. Door de gemachtigde van belanghebbende

Hij vertegenwoordigt belanghebbende ter zitting bij wijze van vriendendienst. Van beroepsmatig verleende rechtsbijstand is geen sprake. Hij is de in de stukken bedoelde collega van belanghebbende bij wie de Inspecteur de aftrek zoals hier in geschil, wel heeft toegestaan. Hij valt ook onder de Belastingdienst/Particulieren P. Andere gevallen waarin de Inspecteur de aftrek wel heeft toegestaan zijn hem, gemachtigde, niet bekend.

3.4.2. Namens de Inspecteur

Tegenover de verlaging van het bruto salaris staat dat belanghebbende recht heeft op loon in natura, te weten het voordeel uit de ter beschikking gestelde auto. Dit is in de stukken bedoeld met de stelling dat belanghebbende een vergoeding ontvangt in plaats van betaalt.

3.5. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en, naar het Hof verstaat, tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 100.199. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak op het bezwaarschrift.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Tot de stukken van het geding behoren de maandelijkse loonslips met betrekking tot de loonbetalingen aan belanghebbende in 1996. Daaruit blijkt dat de werkgever van belanghebbende, vóór de toepassing van de loonbelastingtabellen, het loon heeft verminderd met de inhouding van ƒ 520,83 per maand. Het aldus verminderde loon ligt ook ten grondslag aan de jaaropgave die de werkgever aan de Inspecteur en aan belanghebbende heeft verstrekt met betrekking tot het aan belanghebbende uitbetaalde loon. Tussen partijen is niet in geschil dat op het loon dat op de jaaropgaaf is vermeld, de genoemde inhoudingen, tot het jaartotaal van ƒ 6.250, reeds in mindering zijn gebracht.

4.2. Belanghebbende heeft in zijn aangifte voor de inkomstenbelasting over het onderhavige jaar, bij de berekening van zijn zuivere inkomsten uit arbeid, de jaaropgave van zijn werkgever tot uitgangspunt genomen. De Inspecteur heeft zich in deze procedure niet verzet tegen het gebruik van de gegevens zoals deze in de loonslips en op de jaaropgave van de werkgever zijn vermeld. Nu zulks derhalve niet in geschil is zal het Hof partijen daarin volgen.

4.3. Nu vaststaat dat op het bruto jaarloon dat belanghebbende in zijn aangifte heeft opgenomen het bruto bedrag van ƒ 6.250 reeds in mindering is gebracht kan het door belanghebbende daaruit afgeleide nettobedrag van ƒ 3.125 niet worden aangemerkt als een vergoeding die belanghebbende aan zijn werkgever verschuldigd is ter zake van het gebruik van de ter beschikking gestelde auto, anders dan ten behoeve van het verrichten van arbeid. De andersluidende opvatting van belanghebbende betekent immers dat hetzelfde bedrag tweemaal in aanmerking zou worden genomen (vergelijk het in 1.4. genoemde arrest van de Hoge Raad).

4.4. Aan het vorenstaande kan niet afdoen dat voor de berekening van de pensioengrondslag en de in te houden pensioenpremie het maandloon vóór de vermindering met het bedrag van ƒ520,83 als uitgangspunt wordt genomen. Dit neemt immers niet weg dat op het jaarloon zoals het op de jaaropgave van de werkgever is vermeld de bedoelde inhoudingen wel in mindering zijn gebracht.

4.5. Gesteld noch gebleken is dat de Inspecteur ten nadele van belanghebbende is afgeweken van een door hem gevoerd begunstigend beleid. Evenmin is gesteld of gebleken dat de Inspecteur bij een andere belastingplichtige, met het oogmerk van begunstiging, een aftrek als in dit geschil aan de orde heeft toegestaan. Nu door belanghebbende slechts één ander geval, te weten dat van zijn gemachtigde, heeft genoemd waarin de Inspecteur de litigieuze aftrek wel heeft toegestaan is geen sprake van een meerderheid van gevallen waarin de Inspecteur de bestreden aftrek heeft toegestaan. Integendeel, de Inspecteur heeft gesteld, en door de gemachtigde van belanghebbende is ter zitting beaamd, dat hij, voor zover bekend, ook bij andere werknemers de aftrek heeft geweigerd. Dat de Inspecteur daarbij niet eenduidig is geweest in de motivering van de weigering van de aftrek is daarbij niet van belang.

4.6. Het gelijk is aan de Inspecteur. Het beroep is derhalve ongegrond.

5. Proceskosten

Het Hof vindt geen termen aanwezig om de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van zijn beroep bij het Hof heeft moeten maken.

6. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Inspecteur waarvan beroep.

Aldus gedaan te Arnhem op 3 mei 2001 door mr. J.P.M. Kooijmans, lid van de achtste enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van N.Th. Wagener als griffier.

(N.Th. Wagener) (J.P.M. Kooijmans)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 3 mei 2001

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien u na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.