Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2001:AB2078

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
08-05-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99-01510
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2001-1155
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

achtste enkelvoudige belastingkamer

nummer 99/01510

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : X

te : Z

inspecteur : het hoofd van de Belastingdienst/Particulieren P, (hierna: de Inspecteur)

beslissing : uitspraak op een bezwaarschrift

aanslag : inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1996, aanslagnummer 1

mondelinge behandeling : gehouden te Arnhem op 24 april 2001

waarbij verschenen : belanghebbende, alsmede de Inspecteur

gronden:

1. Belanghebbende is als maatschappelijk werker in loondienst werkzaam bij het a Centrum voor Verslavingszorg. Hij is deskundig op het gebied van verslavingen. Belanghebbende is in 1995 begonnen met een cursus Persoonlijkheidsvorming PRH (Personalité et Relations Humaines; hierna: PRH). Hij heeft deze cursus, die bestaat uit verschillende onderdelen, in 1996 voortgezet. Eén van de in 1996 gevolgde modules leidt tot een getuigschrift waarmee belanghebbende de mogelijkheid krijgt zich zelfstandig te vestigen als hulpverlener. Voor het volgen van deze module is vereist dat de cursist reeds werkzaam is in de hulpverlening. Voorts is daarvoor vereist dat een aantal inleidende modules is gevolgd. Belanghebbende heeft in 1996 ook een cursus intuïtief aquarellen gevolgd, genaamd "De kunstenaar in mijzelf". Beide cursussen worden in België gegeven.

2. Belanghebbende heeft de uitgaven in 1996 voor de beide bedoelde cursussen in zijn aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over dat jaar opgenomen onder de beroepskosten. Hij heeft een belastbaar inkomen aangegeven van ƒ 31.912. De Inspecteur is bij het vaststellen van de aanslag afgeweken van de aangifte. Hij heeft een deel van de kosten van de cursus PRH, alsmede de kosten van de cursus intuïtief aquarellen, als beroepskosten aanvaard, echter tot het in artikel 36, tweede lid, aanhef en onderdeel g, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) genoemde maximum van ƒ 3.250. De kosten van het deel van de cursus PRH dat leidt tot het in 1. bedoelde getuigschrift zijn door de Inspecteur aangemerkt als studiekosten als bedoeld in artikel 46, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet (hierna verder: studiekosten). Rekening houdend met de wettelijk voorgeschreven maximering van de kosten en de toe te passen drempel heeft de Inspecteur ter zake een aftrek toegestaan van ƒ 46. Mede in verband met overige, niet in geschil zijnde, correcties heeft hij het belastbare inkomen over het onderhavige jaar vastgesteld op ƒ 41.439. Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag bij de thans bestreden uitspraak gehandhaafd.

3. Belanghebbende verdedigt in beroep dat de kosten van de beide cursussen moeten worden aangemerkt als studiekosten. Hij heeft bij zijn beroepschrift een herziene aangifte gevoegd waarin met dit standpunt, alsmede met de niet bestreden correcties op het inkomen, rekening is gehouden, en die uitkomt op een belastbaar inkomen van ƒ 37.147. De Inspecteur heeft ter zitting verklaard thans primair van oordeel te zijn dat de kosten van de beide cursussen volledig als beroepskosten moeten worden aangemerkt. Hij heeft bemerkingen gemaakt op de herziene aangifte van belanghebbende omdat belanghebbende er geen rekening mee houdt dat de verblijfskosten niet tot de studiekosten zijn te rekenen. Hij heeft in zijn pleitnota een herberekening gemaakt van de gevolgen van de respectievelijk door hem ingenomen standpunten. In die pleitnota neemt hij nog primair hetzelfde standpunt in als bij de aanslagregeling. Hij berekent daarbij het belastbare inkomen nader op ƒ 41.174. Gelet op zijn ter zitting ingenomen standpunt zou dat ƒ 46 te laag zijn. Hij maakt daarvan geen punt. Subsidiair neemt hij het standpunt in dat alle cursuskosten tot de studiekosten moeten worden gerekend. Hij berekent daarbij het belastbare inkomen op ƒ 38.712. Meer subsidiair verdedigt de Inspecteur dat de kosten van de cursus PRH tot de studiekosten, en de kosten intuïtief aquarellen tot de beroepskosten moeten worden gerekend. Alsdan bedraagt het belastbare inkomen ƒ 37.965. Belanghebbende heeft zich, op praktische gronden en voor dit geding, akkoord verklaard met de vorenstaande bedragen van ƒ 41.174 en ƒ 38.712 indien het Hof een van die standpunten van de Inspecteur juist zou bevinden. Hij heeft ter zitting de wens geuit dat de uitspraak van het Hof zal leiden tot duidelijkheid, en verklaard dat wat hem betreft alle kosten óf tot de buitengewone lasten, óf tot de beroepskosten kunnen worden gerekend. Het splitsen van de kosten van de cursus PRH in een deel studiekosten en een deel beroepskosten draagt aan die duidelijkheid niet bij. Het Hof verstaat de opmerking van belanghebbende aldus dat hij primair verdedigt dat de kosten van de beide cursussen tot de studiekosten behoren, en subsidiair dat die kosten tot de beroepskosten behoren.

4. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat hij met de cursussen begonnen is om op zijn vakgebied bij te blijven. Er is in dezen sprake van snelle ontwikkelingen. De cursussen dragen bij aan zijn beroepsmatig functioneren. Ook bij de verdediging van de door hem gedane aangifte heeft belanghebbende zich nadrukkelijk in die zin uitgelaten. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat de mogelijkheid om zelfstandig als hulpverlener te beginnen vooral "tussen de oren" zit. Hij heeft ook massage-cursussen gevolgd die daartoe kunnen bijdragen, maar in de praktijk zal het daarvan niet gemakkelijk komen. Er zal geen volledig inkomen mee verdiend kunnen worden, zeker niet als dat wordt vergeleken met zijn huidige salaris. Het geven van trainingen in bedrijven zou lucratief kunnen zijn. Hij kent wel enkele personen die de onderhavige cursussen hebben gevolgd en die zelfstandig werken, maar die verdienen weinig of doen het naast een dienstbetrekking. Hij heeft nog geen pogingen ondernomen om zich zelfstandig te vestigen. Hij is binnen zijn huidige werkkring wel gepromoveerd tot zorgcoördinator.

5. Belanghebbende is van mening dat de kosten van de door hem gevolgde cursussen in aanmerking moeten worden genomen bij de berekening van zijn belastbare inkomen. Op hem rust de last zulks aannemelijk te maken. Dat hij de onderhavige cursussen of delen daarvan is gaan volgen met het oog op een verbetering van zijn financiële of maatschappelijke positie maakt belanghebbende naar het oordeel van het Hof op geen enkele wijze aannemelijk. Belanghebbende heeft daartoe ook nog geen enkele poging ondernomen, noch heeft hij aannemelijk gemaakt dat zulks op korte termijn is te verwachten. Het Hof acht daarentegen wel aannemelijk dat belanghebbende de cursussen is gaan volgen omwille van een behoorlijke vervulling van zijn dienstbetrekking. Een en ander leidt tot de conclusie dat de kosten van de beide cursussen in aanmerking moeten worden genomen als beroepskosten.

6. Belanghebbende heeft nog gesteld dat in vergelijkbare situaties de kosten van de onderhavige cursussen volledig in aftrek zijn toegelaten bij personen die woonachtig zijn in Q en Z. Het Hof verstaat dit betoog van belanghebbende als een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Namen van die personen, of omschrijvingen van de feitelijke omstandigheden heeft belanghebbende niet gegeven, noch heeft hij aangegeven welke inspecteur bevoegd is voor de belastingheffing van de desbetreffende personen. Aldus heeft belanghebbende onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die een juiste beoordeling van zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel mogelijk maken.

7. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beroepschrift gedeeltelijk gegrond is nu aan het subsidiaire standpunt van belanghebbende kan worden tegemoetgekomen, hetgeen tevens het primaire standpunt is van de Inspecteur. Voor dat geval is niet meer in geschil dat het belastbare inkomen ƒ 41.174 bedraagt.

proceskosten:

Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat zijn proceskosten bestaan uit zijn reis- en verblijfkosten voor het bijwonen van de zitting. Het Hof stelt deze kosten in overeenstemming met het Besluit proceskosten fiscale procedures in goede justitie vast op ƒ 25, en zal de Inspecteur veroordelen tot vergoeding van deze kosten.

beslissing:

Het Gerechtshof

- vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 41.174;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van ƒ 25, te vergoeden door de Staat der Nederlanden;

- gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het door hem betaalde griffierecht van ƒ 85.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken te Arnhem op 8 mei 2001 door mr. J.P.M. Kooijmans, raadsheer, lid van de achtste enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van N.Th. Wagener als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(N.Th. Wagener) (J.P.M. Kooijmans)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 16 mei 2001

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht ¦ 150. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.