Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2001:AB2073

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
15-05-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99-00107
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2001/52.16 met annotatie van Redactie
FutD 2001-1144
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TdK

Gerechtshof Arnhem

derde meervoudige belastingkamer

nummer 99/00107

U i t s p r a a k

op het beroep van X B.V. (hierna: belanghebbende) te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Grote ondernemingen P op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aanslag vennootschapsbelasting 1992, aanslagnummer 1.

1. Aanslag, bezwaar, geding voor het Hof

1.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 31 december 1996 over het jaar 1992 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 1.497.584.

De aanslag, is na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, door de Inspecteur bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. De Inspecteur heeft een conclusie van dupliek ingediend.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof op 27 maart 2001 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbendes gemachtige, bijgestaan door a, alsmede de Inspecteur.

1.4. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota moet als hier ingelast worden beschouwd.

1.5. De Inspecteur heeft ter zitting geen bezwaar gemaakt tegen overlegging door de gemachtigde van belanghebbende van een deel (de bladzijden 6 en 7) van het rapport van het in de gedingstukken genoemde in 1989 ingestelde RAD onderzoek.

2. De Feiten.

2.1. Belanghebbende is opgericht op 30 november 1983 en maakt deel uit van het X concern. Zij treedt op als houdstermaatschappij van X Holding B.V. (hierna: Holding), die op haar beurt houdster is van een aantal werkmaatschappijen waaronder X Nederland B.V. (hierna: X Nederland). Daarnaast is belanghebbende houdstermaatschappij van X Beheer B.V. waarin de exploitatie van het onroerend goed is ondergebracht. Belanghebbende vormde tot 31 december 1992 een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting met Holding en de werkmaatschappijen. Enig aandeelhouder van belanghebbende is A.

2.2. A bezit via M B.V (grootmoeder) en B Beheer B.V. (moeder, hierna: B Beheer) eveneens alle aandelen BR B.V. (hierna: BR). BR is op 7 april 1982 voor een bedrag van ƒ 20.000 gekocht uit marktstrategische overwegingen. Aldus maakt BR al vanaf 1982 deel uit van het X concern.

Na de aankoop in 1990 van een tweetal vennootschappen en enige naamswijzigingen binnen de B-groep wordt met ingang van 1991 een fiscale eenheid aangevraagd en verkregen tussen B Beheer en haar drie dochters, I B.V., S B.V. en BR.

In 1990 was BR de enige werkmaatschappij binnen de B groep. Afsplitsing van de activiteiten heeft eerst in 1991 en 1992 plaatsgevonden. De schulden zijn niet mee overgedragen doch bij BR achtergebleven.

2.3. Tussen de kleindochter van belanghebbende, X Nederland, en de dochter van B Beheer, BR, bestaat reeds sedert het begin van de jaren '80 een rekening courant-verhouding die ultimo 1991 is opgelopen tot ƒ 7.062.541. Een groot gedeelte daarvan is in 1992 omgezet in een langlopende schuld. De vordering van X Nederland op BR beloopt ultimo 1992 globaal ƒ 8.500.000 te weten een langlopende vordering van ƒ 7.820.649 en een kortlopende vordering in rekening courant van ƒ 683.338.

2.4. Op 31 december 1992 heeft Holding de fiscale eenheid B Beheer gekocht. Per 1 januari 1993 wordt een nieuwe fiscale eenheid aangevraagd en verkregen, waarbij B Beheer inclusief dochters wordt gevoegd bij belanghebbende. Als gevolg van deze nieuwe fiscale eenheid verdwijnen schulden en vorderingen, met name ook de in 2.3. genoemde schuld/vordering in rekening-courant.

2.5. De staat van winsten en verliezen van BR gekoppeld aan de schuldverhouding tussen BR en X Nederland ziet er als volgt uit:

jaar winst/verlies schuld langlopend schuld kortlopend

1980 96.482 ?

1981 -/- 36.536 ?

1982 -/- 403.302 ?

1983 -/- 588.844 2.706.707

1984 -/- 512.805 3.006.442

1985 -/- 576.331 ?

1986 112.346 ?

1987 389.269 ?

1988 316.866 3.686.097

1989 -/- 895.828 1.564.091 4.287.933

1990 602.676 1.443.024 6.569.626

1991 384.755 1.561.716 7.062.541

1992 -/- 1.091.382 7.820.649 683.338

1993 595.314 8.172.019 1.191.096

1994 284.594 8.894.577 1.526.126

Het resultaat van het jaar 1992 is niet gecorrigeerd voor incidentele lasten ten bedrage van ƒ 775.000 bij B Beheer, waarmee BR alstoen een fiscale eenheid vormde. Hoewel het krediet gestaag is opgelopen hebben zowel vóór als na 1992 tussentijdse aflossingen plaatsgevonden.

2.6. Om een beter inzicht te kunnen krijgen in het ontstaan en het verloop van de rekening courant verhouding tussen X Nederland en BR heeft de Belastingdienst in 1989 een boekenonderzoek ingesteld. Daarbij is gebleken dat de leenverhoudingen fors waren opgelopen. Na aanvankelijk het standpunt te hebben ingenomen dat sprake was van een onzakelijke lening en van een uitdeling aan de directeur-aandeelhouder, A, heeft de Inspecteur destijds bij wijze van compromis voorgesteld met betrekking tot de vordering een overeenkomst met een aflossingsschema op te stellen waarin tevens zou worden vastgelegd dat de vordering niet zou worden afgeboekt ten laste van het fiscale resultaat. Belanghebbende heeft dit voorstel afgewezen met het argument dat de aandelen D. B.V. (later BR) in 1982 op basis van marktstrategische overwegingen waren overgenomen en verklaard dat inperking van de kredietfaciliteit de continuïteit van de onderneming in gevaar zou brengen.

De Inspecteur heeft zich op die gronden alsnog verenigd met het voortduren van de schuldverhouding onder de bestaande condities.

2.7. Met betrekking tot het onderhavige jaar heeft de Belastingdienst (wederom) een onderzoek ingesteld. Blijkens het rapport van 28 april 1997 bedraagt het eigen vermogen van BR ultimo 1994 ƒ 1.091.966.

2.8. Op 31 december 1992 heeft B Beheer een vermogen van ƒ 2.220.382 negatief; het vermogen van BR beloopt op dat tijdstip ƒ 545.196 negatief.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen.

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de volgende vragen:

a. moet de (bedrijfs)waarde van de vorderingen van belanghebbende (X Nederland) worden beoordeeld aan de hand van de vermogenspositie van BR dan wel aan de hand van de vermogenspositie van B Beheer;

b. dwingt standaardvoorwaarde 2.a. voor de totstandkoming van de nieuwe fiscale eenheid per 1 januari 1993 belanghebbende ertoe haar uitstaande vorderingen per ultimo 1992 af te waarderen tot op lagere bedrijfswaarde.

Belanghebbende verdedigt dat standaardvoorwaarde 2.a. haar dwingt tot afwaarding van de vorderingen nu de bedrijfswaarde daarvan - gelet op het negatieve eigen vermogen van de schuldenaar - ligt beneden de nominale waarde. Zij is van mening dat daarbij het (negatieve) eigen vermogen van B Beheer en niet dat van BR als uitgangspunt moet worden genomen.

De Inspecteur onderkent dat standaardvoorwaarde 2.a. weliswaar dwingt tot waardering op bedrijfswaarde (voor schuldeiser en schuldenaar) doch betwist dat met betrekking tot de onderhavige uitstaande vorderingen kan worden gesproken van een lagere bedrijfswaarde. Naar zijn mening kan voor de beoordeling of sprake is van een lagere bedrijfswaarde van de vorderingen uitsluitend het eigen vermogen van BR als uitgangspunt worden genomen.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting nog het volgende toegevoegd:

Door de gemachtigde van belanghebbende:

Vóóraf wil hij enkele typefouten rechtzetten in het vertoogschrift van de Inspecteur. Het op bladzijde 1 genoemde - door belanghebbende aangegeven - belastbare bedrag van ƒ 952.804 negatief moet worden gewijzigd in ƒ 722.798 negatief. Het in het overzicht op bladzijde 4 voor het jaar 1989 opgenomen bedrag van ƒ 895.828 is geen winst doch een verlies.

Nu de schuldenaar deel uitmaakt van een van de fiscale eenheid ligt het voor de hand de vorderingen niet civielrechtelijk maar fiscaal te bekijken.

De keuze om alleen commercieel en niet ook fiscaal af te waarderen staat in verband met het in 1989 verrichte onderzoek door de RAD en de daarbij gemaakte afspraken met de Belastingdienst. De discussie over onzakelijke leveringen en uitdelingen is thans niet aan de orde bij het aangaan van een fiscale eenheid. We kunnen niet zeggen: we doen nu maar niets.

Desgevraagd verklaart hij dat de kredietverlening na 1989 gewoon is doorgegaan en dat dit ook in 1992 en latere jaren de normale gang van zaken is geweest.

De resultaten van het R gedeelte zijn in 1991 en 1992 zeer verslechterd en de verwachtingen voor de toekomst waren somber. De verliesgevende activiteiten van BR zijn toen naar de zustermaatschappijen doorgeschoven en werden door BR gefinancierd. Er is geen rekening gehouden met de verliesgevende activiteiten van deze zustermaatschappijen. De vorderingen op de zustermaatschappijen zijn in feite waardeloos.

In de jaren 1993 en 1994 is weliswaar weer winst gemaakt door BR, maar in 1995 werd weer verlies geleden. In ieder geval was ten tijde van het aangaan van de fiscale eenheid in 1993 sprake van een negatief eigen vermogen van de schuldenaar, zo niet van B Beheer dan toch (ook) van BR. Standaardvoorwaarde 2.a. dwingt dan tot afwaarderen, hoewel de regels van goed koopmansgebruik blijven gelden.

Desgevraagd verklaart hij dat B Beheer naast belanghebbende geen andere schuldeisers heeft dan de bank.

Door de heer a:

Hij is pas in 1992 - na het aangaan van de fiscale eenheid - als accountant bij de zaken van belanghebbende betrokken geraakt. Naar zijn mening is het verstandig geweest te integreren. Voor zover hij weet zijn de vorderingen van belanghebbende op BR altijd al commercieel afgewaardeerd.

De resultaten van de fiscale eenheid van de B groep zijn geconsolideerd. B Beheer heeft haar vorderingen éénmaal afgewaardeerd. Voor wat betreft de seniorenwinkel werden alleen de kosten doorberekend. Bij de f-verhuur wordt een winstmarge genomen op het moment dat de winst is gemaakt (verdiend).

BR had per ultimo 1992 een negatief eigen vermogen van circa ƒ 500.000,-. Er waren diverse vorderingen en schulden. Daarbij is sprake van normale handelskredieten.

B Beheer had per ultimo 1992 een (geconsolideerd) negatief eigen vermogen van circa 2.3 miljoen. Alle maatschappijen waren verbonden met zekerheden over en weer. De schuld bij de bank bedroeg circa 1.2 miljoen en er was een hypothecaire schuld van circa 2.1 miljoen.

Door de Inspecteur:

Hij gaat ervan uit dat de door de gemachtigde van belanghebbende doorgegeven correcties juist zijn.

Vooralsnog moet voor wat betreft de schuldverhouding worden aangesloten bij de civielrechtelijke verhoudingen en worden gekeken naar de vennootschap die civielrechtelijk de schuldenaar is. Dit is BR en niet B Beheer.

De resultaten van BR zijn allemaal meegenomen. De inter- company winsten zijn verwerkt in de commerciële stukken. Ter zake van het in de bijlage bij de conclusie van repliek vermelde verlies van circa 1 miljoen in 1992 is geabstraheerd van de inter-company winsten.

Bepaalde activiteiten van BR zijn in 1991 en 1992 doorgeschoven naar de zustermaatschappijen en de resultaten daarvan zijn dan ook daar terecht gekomen. In de stukken komt nergens naar voren dat de vorderingen waardeloos zijn en dat zij commercieel of fiscaal zouden zijn afgewaardeerd. Tot nu toe zijn in dit verband ook nimmer toespelingen gemaakt.

Voor bedrijven met activiteiten en van dezelfde omvang als die van belanghebbende is een kredietfaciliteit van 12 tot 13 miljoen heel normaal. De schuldverhouding is reeds in 1986 aangekaart door de Belastingdienst. Aanvankelijk werd de zakelijkheid van de lening door de Inspecteur betwist. Later is de zakelijkheid aanvaard (mede) omdat van de zijde van belanghebbende aannemelijk werd gemaakt dat er geen enkele reden was voor afwaarderen. Ook in 1991 was belanghebbende nog de mening toegedaan dat met betrekking tot de kredietverlening sprake was van zakelijk handelen. Toen in 1992 toch werd afgewaardeerd bleek het aangaan van een nieuwe fiscale eenheid daarvoor de reden te zijn.

Uit passage 2.1.3. van het door de gemachtigde van belanghebbende overgelegde gedeelte van het in 1989 uitgebrachte RAD rapport komt duidelijk naar voren welke argumenten de doorslag hebben gegeven om destijds de zakelijkheid van de lening te aanvaarden en welke voorwaarden daarbij zijn gesteld.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak op het bezwaarschrift en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar bedrag van nihil (ƒ 1.497.584 -/- ƒ 2.220.382 = ƒ -/- 722.798).

De Inspecteur concludeert primair tot handhaving van de aanslag, subsidiair tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 952.388 (ƒ 1.497.584 -/- ƒ 545.196).

4.1. Beoordeling van het geschil

a. De relevante schuldenaar voor de beoordeling van de waarde van de vorderingen.

4.1. Voor het antwoord op de vraag of er voor een schuldeiser aanleiding bestaat een vordering af te waarderen is van belang de vermogenspositie van de schuldenaar. De schuldverhouding bestaat in het onderhavige geval civielrechtelijk tussen X Nederland en BR.

Voor de beoordeling van de vraag of de vorderingen moeten worden afgewaardeerd moet derhalve de vermogenspositie van de juridische schuldenaar (BR) en niet die van haar moeder (B Beheer) worden bezien. Dat BR en B Beheer voor de vennootschapsbelasting een fiscale eenheid vormen doet daaraan niet af. Dit ligt anders aan de kant van de juridische schuldeiser, X Nederland. Nu de vorderingen van laatstgenoemde vennootschap zijn verwerkt in de geconsolideerde balans van belanghebbende waarmee zij een fiscale eenheid vormt, is voor de waardering van de vorderingen met name relevant de plaats welke genoemde vorderingen in het vermogen van belanghebbende innemen. Met betrekking tot het onder a vermelde geschilpunt is het gelijk derhalve aan de zijde van de Inspecteur.

4.2. Voorzover belanghebbende de verplichting tot afwaardering uitsluitend baseert op de vermogenspositie van B Beheer is haar beroep ongegrond gelet op het hiervóór onder 4.1. overwogene.

Nu de Inspecteur bij zijn subsidiaire standpunt (terecht) de vermogenspositie van BR als maatstaf heeft genomen, zal het Hof hem hierin volgen voor de beantwoording van het geschilpunt onder b.

a. dwingt standaardvoorwaarde 2.a. belanghebbende tot afwaardering van haar uitstaande vorderingen op BR.

4.3. In artikel 2.a. van de voor de toepassing de van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet) geldende standaardvoorwaarden, zoals gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant van 30 september 1991, nr. 189, is onder meer bepaald dat vorderingen van een in de combinatie begrepen lichaam op een ander zodanig lichaam voor de bepaling van de winst van de crediteur over het laatste jaar vóór het verenigingstijdstip worden gewaardeerd op de bedrijfswaarde doch niet hoger dan de nominale waarde.

Voorts wordt ingevolge die standaardvoorwaarde de tegenover deze vorderingen staande schulden bij de debiteur voor de bepaling van de winst over datzelfde jaar gewaardeerd op hetzelfde bedrag.

Door de Inspecteur is gesteld en door belanghebbende wordt terecht niet bestreden dat de bepaling van de jaarwinst als zodanig wordt beheerst door de regels van goed koopmansgebruik. Dit brengt mee dat het antwoord op de vraag of de onderhavige vorderingen - met toepassing van artikel 2.a. van voornoemde standaardvoorwaarden - bij de bepaling van de winst van belanghebbende over het laatste jaar vóór het verenigingstijdstip, moeten worden gewaardeerd op de lagere bedrijfswaarde eveneens wordt beheerst door goed koopmansgebruik. De enkele omstandigheid dat belanghebbende en BR in een fiscale eenheid worden opgenomen, dwingt - anders dan belanghebbende kennelijk meent - niet tot de conclusie dat het bestaan van een negatief vermogen bij de schuldenaar BR moet leiden tot een afwaardering van de vorderingen door belanghebbende.

4.4. De vorderingen waren op de fiscale balans van belanghebbende vermeld voor de nominale waarde. Afwaardering op grond van de tweede standaardvoorwaarde komt eerst aan de orde indien deze vorderingen in het vermogen van belanghebbende niet langer de plaats innemen die zij innamen ten tijde van het verstrekken van de gelden of de kredieten aan de schuldenaar en de bedrijfswaarde daardoor op een lager bedrag dan de nominale waarde moet worden gesteld. Dit zal zich bij een zakelijke lening eerst voordoen indien de schuldeiser zijn rechten (ook op langere termijn) niet of niet geheel geldend kan maken in verband met een gebleken verslechterde betalingscapaciteit van de schuldenaar.

4.5. Uit het onder 2.3. - opgenomen overzicht blijkt dat de kredieten aan BR - onafhankelijk van de behaalde resultaten - gestaag zijn opgelopen en dat belanghebbende ook in de jaren na het in 2.5. genoemde boekenonderzoek, met name ook na het ingaan van de fiscale eenheid per 1 januari 1993 onverminderd is doorgegaan met het verstrekken daarvan.

Nu belanghebbende zelf naar aanleiding van dat boekenonderzoek tegenover de Inspecteur heeft verklaard dat het ging om puur zakelijke leningen in de vorm van normaal leverancierskrediet en zij in overeenstemming daarmee bij het opmaken van haar fiscale balans nimmer is overgegaan tot het afwaarderen van haar vorderingen, is het Hof van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om te veronderstellen dat dit permanente leverancierskrediet in 1992 in het vermogen van belanghebbende een andere plaats is gaan innemen dan voorheen. Het feit dat belanghebbende in 1992 een negatief resultaat heeft behaald doet hieraan niet af. Uit de stukken blijkt bovendien dat toen in het verleden winstgevende jaren werden afgewisseld met verliesgevende jaren belanghebbende onverkort met kredietverlening is doorgegaan onafhankelijk van de resultaten van het betreffende jaar. Voor afwaardering zou daarom - gelet op het in het verleden gevoerde financieringsbeleid - eerst aanleiding zijn indien met ingang van 1992 sprake is van een over de komende jaren te verwachten permanent verslechterende situatie. Uit het feit dat vanaf 1992 tussentijds aflossingen zijn gedaan en opnieuw leverancierskrediet is verleend alsmede uit het feit dat in de jaren 1993 en 1994 weer positieve resultaten zijn behaald kan echter worden afgeleid dat een verliesgevende situatie op langere termijn niet aan de orde is. Aldus is niet aannemelijk dat sprake is van niet volwaardige vorderingen waarvan de bedrijfswaarde lager is dan de nominale waarde.

4.6. Het Hof acht hierbij van belang dat het in 1992 door BR behaalde resultaat van ƒ 1.091.382 negatief mede is veroorzaakt door een bedrag van ƒ 775.000 aan incidentele lasten en dat naar de Inspecteur onweersproken heeft gesteld een leverancierskrediet van 12 tot 13 miljoen voor bedrijven met dezelfde omvang en dezelfde activiteiten als die van belanghebbende niet abnormaal is.

4.7. Het gelijk met betrekking tot het tweede geschilpunt is eveneens aan de Inspecteur.

5. Slotsom

Het beroep is ongegrond.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

7. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Inspecteur.

Aldus gedaan te Arnhem op 15 mei 2001 door mr Röben, voorzitter, mw mr De Kroon en mr Kooijmans, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr Egberts, als griffier.

(J.L.M. Egberts) (J.B.H. Röben)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 15 mei 2001

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.