Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2001:AB1827

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
28-05-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
TBS 2001\041
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE ARNHEM

TBS 2001\041

Beslissing d.d. 28 mei 2001

De bijzondere kamer van het hof als bedoeld in artikel 73 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[de veroordeelde],

geboren in het jaar 1949,

verblijvende in het Forensisch Psychiatrisch Centrum "Oldenkotte" te Rekken.

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de arrondissementsrechtbank te Assen van 9 februari 2001, houdende de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging onder het stellen van voorwaarden.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

de vordering van de officier van justitie van 8 juni 2000, ingekomen ter griffie van bovenvermelde arrondissementsrechtbank op 13 juni 2000 en strekkende tot verlenging van de terbeschikkingstelling van betrokkene met een termijn van twee jaar;

de beslissing waarvan beroep;

de akte van hoger beroep van de officier van justitie van12 februari 2001;

het op 18 mei 2000 op grond van artikel 509o, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering uitgebrachte advies van het Forensisch Psychiatrisch Centrum “Oldenkotte”, strekkende tot verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaren, alsmede de in dat artikel bedoelde aantekeningen;

het rapport van 2 juni 2000 opgemaakt door drs [naam], psychiater en drs [naam], psycholoog.

Het hof heeft in raadkamer van 14 mei 2001 gehoord:

de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door mr [naam], advocaat;

de getuige-deskundige, als psycholoog verbonden aan het Forensisch Psychiatrisch Centrum "Oldenkotte" te Rekken

de getuige-deskundige, reclasseringswerker van de reclassering te Assen;

de advocaat-generaal bij dit hof, die heeft geconcludeerd de beslissing van de rechtbank te vernietigen en de behandeling van de zaak aan te houden voor nader onderzoek.

Overwegingen:

1. Waar in deze zaak door de arrondissementsrechtbank te Assen een tussentijdse beslissing is genomen op de zitting van 3 augustus 2000 ziet het hof de aanhef van het proces-verbaal dat de raadkamerzitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden, als een kennelijke verschrijving. De terbeschikkinggestelde is hierdoor niet in enig belang geschaad.

2. Het hoger beroep is tijdig ingesteld.

3 Bij arrest van het gerechtshof te Leeuwarden van 13 juni 1995 is onder meer de

maatregel van terbeschikkingstelling opgelegd ter zake van:

”poging tot verkrachting”

en

“verkrachting”, meermalen gepleegd.

4. Uit het advies van 18 mei 2000 van Oldenkotte komt het volgende naar voren -zakelijk weergegeven-:

Betrokkene is een man met een ernstige narcistische en psychopatische persoonlijkheidsstoornis.

Er wordt getracht met betrokkene te komen tot een traject van een verdere resocialisatie. Dit is slechts mogelijk vanuit de TBS-setting met een daaraan gekoppeld proefverlof.

Op basis van deze delictanalyse moet worden geconcludeerd dat betrokkene nog delictgevaarlijk is wanneer de TBS op dit moment beëindigd wordt.

Hoewel betrokkene nu actief deelneemt aan de dadergroep en de alcohol- en middelengroep, waardoor het delictpreventieplan nader uitgewerkt kan worden is het recidivegevaar nog steeds aanwezig.

Wij adviseren de termijn van de terbeschikkingstelling te verlengen met twee jaren.

5. De onderzoekers [naam] en [naam] hebben in hun advies d.d. 2 juni 2000 geconcludeerd dat er bij be-trokkene sprake is van een narcistische persoonlijkheids-stoor-nis met anti-sociale trekken. Deze stoornis zal de komen-de jaren waarschijnlijk geen noemenswaardi-ge verandering onder-gaan. De behandelmogelijkheden door Oldenkotte lijken gering. Het risico voor recidive is op korte termijn gering. Verlen-ging van de terbeschikkingstelling met voorwaar-delij-ke beëin-diging van de verpleging lijkt geïndiceerd.

6. Ter raadkamer van het hof heeft de getuige-deskundige, [naam], reclasseringswerker, onder meer verklaard -zakelijk weergegeven-:

Ik heb onderzoek verricht naar de mogelijkheden tot het komen van een plan van voorwaardelijke beëindiging van de verpleging. Ik heb geen contact gehad met de heren [naam] en [naam], wel met Oldenkotte. Het rapport van [naam] en [naam] is helder. Ik vind het een steriel advies tot voorwaardelijke beëindiging van de verpleging. Wij vinden een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging niet reëel en haalbaar.

Het klopt dat wij als reclassering een uitvoeringsorganisatie zijn en alleen opdrachten moeten uitvoeren. Ik kan de vraag of wij een rechterlijke uitspraak tot voorwaardelijke beëindiging van de verpleging ook kunnen en willen uitvoeren thans niet beantwoorden. Dit moet ik overleggen met onze juristen.

7. Ter raadkamer van het hof heeft getuige-deskundige, [naam], onder meer verklaard -zakelijk weergegeven-:

Wij achten betrokkene nog steeds delictgevaarlijk. Zonder toezicht is de kans op recidive groot. In afwachting op de behandeling van de zaak in hoger beroep is er geen behandeling. Wij gaan zakelijk en correct met elkaar om.

Sinds enige tijd verblijft betrokkene op de resocialisatieafdeling “De Wiem” waarbij hij zonder (relevant) toezicht zeer zelfstandig verblijft. Er is een plan voor woonverlof. Het proefverlof is aangevraagd.

8. De appelmemorie van het openbaar ministerie houdt in dat het te vroeg is voor een voorwaardelij-ke beëindiging van de dwang-verpleging en (subsidiair) dat bij een voorwaardelijke beëin-diging sprake moet zijn van een goed geregeld toezicht met medewerking van de reclassering. Deze appelgronden nopen het gerechtshof tot nader onderzoek.

De tussentijdse beslissingen die de arrondissementsrecht-bank te Assen heeft genomen zijn eenduidig. Het is naar het inzicht van de rechtbank wenselijk dat de verpleging van betrokke-ne voorwaardelijk wordt beëin-digd. De rechtbank is niet overtuigd geraakt van de noodzaak om de terugkeer van betrokkene in de samenleving te laten verlopen via het traject van proefverlof. Vervolgens is vanaf 21 september 2000 aan de Stichting Reclas-sering Nederland opdracht gegeven om voorwaarden te formule-ren waaronder de verpleging kan worden beëindigd.

In het adviesrapport van 19 januari 2001 concludeert de re-classering dat betrokkene zelf nog zal moeten aantonen in hoeverre hij begeleidbaar blijkt te zijn. Verwezen wordt naar de behandelende inrichting Oldenkotte die de medewerking van betrokkene grotendeels bestempelt als aanpassing en bereke-ning. De reclassering sluit zich aan bij het advies van Oldenkotte dat een voor-waardelijke beëindiging van de verpleging vooraf gegaan dient te worden door een woon- en proefverlof.

Met dit advies is de reclassering voorbij gegaan aan de op-dracht van de rechtbank om tot voorwaarden voor voorwaardelij-ke beëindi-ging van de verpleging te komen. Het motief daarvoor is volgens de reclassering gelegen in de taak en bevoegdheid om onderzoek te plegen naar de haalbaarheid van voorwaardelij-ke beëindiging. Volgens de reclassering mist de rechtbank de bevoegdheid om een beperkte vraagstelling te formuleren.

Ter zitting van de rechtbank in raadkamer d.d. 9 februari 2001 heeft de reclas-seringsmedewerker dit standpunt bevestigd en betoogd dat het Ministerie van Justitie meent dat het de reclassering vrij staat om bij afwijzing van een voorwaardelijke beëindi-ging geen voorwaarden te formuleren.

Staande dit standpunt heeft de rechtbank ambtshalve de verple-ging voorwaardelijk beëindigd onder de volgende voorwaarden:

De veroordeelde dient:

- zich te onthouden van het plegen van strafbare feiten;

- zich te onthouden van middelengebruik, waaronder alcohol. Tevens dient hij zijn medewerking te verlenen aan, op wille-keurige momenten door het CAD Drenthe uit te voeren, controles op het gebruik van alcohol en andere middelen;

- zich te huisvesten in [plaats];

- zich te onthouden van contact met [naam].

Op verzoek van het gerechtshof heeft de getuige-deskundige een brief van het Ministerie van Justitie overgelegd waarop hij zijn opstelling tegenover de rechtbank heeft ge-grond. Deze brief d.d. 25 januari 2001, afkomstig van mr. [naam], houdt onder meer de volgende standpunten in:

Het is niet aan de rechter om op de uiteindelijke rapportage vooruit te lopen door te bepalen dat geen bedenkingen tegen voorwaardelijke beëindiging mogen worden geuit. De rapportage-taak in deze is een verantwoordelijkheid van de Reclassering, deze kan slechts rapporteren overeenkom-stig haar deskundighe-den en verantwoordelijkheid. Bedenkingen hoeven overigens niet te worden geuit, de Reclassering kan het laten bij de vast-stelling dat zij geen voorwaarden ziet waaronder op verant-woorde wijze invulling gegeven kan worden aan de voorwaarde-lijke beëindiging van de verpleging. Ik adviseer de onderbou-wing daarvan in samenwerking met Oldenkotte te doen. Aanhakend bij het vonnis: weliswaar kan op korte termijn het recidivege-vaar gering zijn, maar na langduriger onafhankelijkheid van Oldenkotte kan deze weer stijgen. Ik adviseer tevens contact te zoeken met de zaaksofficier: ingeval de rechter toch be-sluit tot voorwaardelijke beëindiging van de verpleging ligt hoger beroep in de rede. De verpleging blijft in dat geval gewoon lopen. Met de huidige doorlooptijden van het Hof valt een einduitspraak pas in 2002 te verwachten.

Ter zitting van het hof d.d. 14 mei 2001 heeft de getuige-deskundige verklaard dat de reclassering vooralsnog niet kan toezeggen of een nieuwe opdracht tot een onderzoek naar mogelijke voorwaarden waaronder de verpleging voorwaarde-lijk kan worden beëindigd door de reclassering zal worden uitgevoerd. Hij behoudt zich het recht voor om die mogelijke opdracht niet uit te voeren.

Het hof verenigt zich met de conclusies van de deskundigen [naam] en [naam] en maakt deze tot zijn oordeel. Vervol-gens moet de vraag beantwoord worden of de instemming van de reclassering vereist is voor de voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging. Daartoe overweegt het hof als volgt.

Artikel 38g, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat de verpleging van overheidswege bij de beslissing tot verlenging van de terbeschikkingstelling voor de tijd van één jaar door de rechter ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de terbeschikkinggestelde of zijn raadsman voorwaardelijk kan worden beëindigd. Krachtens artikel 61, tweede lid, Reglement verpleging ter beschikking gestelden kan de reclassering een voorstel aan het openbaar ministerie doen tot het vorderen van voorwaardelijk beëindiging van de verpleging van overheidswege.

Tenslotte kan de rechter, krachtens de artikelen 38, eerste lid juncto artikel 38g eerste en tweede lid van het Wetboek van Strafrecht, bij de voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging een opdracht tot hulp en steun verlenen aan de reclassering.

Het strakke kader waarbinnen de wetgever de reclassering heeft geplaatst beperkt de manoeuvreerruimte van de reclassering. Aan de reclassering als uitvoeringsorganisatie staat het vrij om bedenkingen te formuleren tegen een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging, maar deze vrijheid laat de verplichting onverlet om vervolgens voorwaarden voor de optimalisering van een dergelijke beëindiging te formuleren indien de rechter daartoe opdracht geeft. De opvattingen van de reclassering te Assen vinden geen steun in het Wetboek van Strafrecht noch in de Reclasseringsregeling 1995 en kunnen evenmin valide worden gegrond op het standpunt van het Ministerie van Justitie zoals verwoord in de brief van mr [naam].

Thans is de situatie ontstaan dat de reclassering op voor-hand weigert aan te geven of een nieuw onderzoek naar de voorwaar-den, waaronder de verpleging van betrokkene voorwaarde-lijk kan worden beëindigd, zal worden uitgevoerd. Het risico dat een heropening van het onderzoek met bijbehorend uitstel van enkele maanden niet leidt tot een advies met door de reclasse-ring geformuleerde voorwaarden is daarmee naar het oordeel van het hof onaan-vaardbaar groot.

Dientengevolge komt het hof thans ambtshalve tot een eindbeslissing.

Krachtens artikel 553 Wetboek van Strafvordering juncto artikel 38a, derde lid van het Wetboek van Strafrecht draagt het openbaar ministerie zorg voor de tenuitvoerlegging van de navolgende beslissing en ziet derhalve toe op uitvoering van de bij deze beslissing aan de reclassering op te dragen taken.

9. Het hof heeft gelet op de artikelen 38, eerste lid en 38g, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING:

Het Hof:

Vernietigt de beslissing van de arrondissementsrechtbank te Assen van 9 februari 2001;

Verlengt de terbeschikkingstelling met één jaar en beëindigt voorwaardelijk de verpleging van overheidswege van veroordeelde met ingang van 1 juni 2001 en stelt de volgende voorwaarden:

De veroordeelde dient:

- zich te onthouden van het plegen van strafbare feiten;

-zich te onthouden van middelengebruik, waaronder alcohol. Tevens dient hij zijn medewerking te verlenen aan, op willekeurige momenten door het CAD Drenthe uit te voeren, controles op het gebruik van alcohol en andere middelen;

- zich te huisvesten in [plaats];

- zich te onthouden van contact met [naam];

- zich te gedragen naar de aanwijzingen gegeven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, ook indien deze aanwijzingen inhouden het zich laten begeleiden door ambulante hulpverlening uit de geestelijke gezondheidszorg en het naleven van de door deze hulpverleners te geven voorschriften.

Het hof draagt aan de reclassering op de terbeschikkinggestelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Aldus gedaan door

mr Otte als voorzitter,

mrs Luikinga en Schimmelpennink-Mulder als raadsheren,

drs Koster van Groos en drs Harmsen als raden,

in tegenwoordigheid van Jansen als griffier,

en op 28 mei 2001 in het openbaar uitgesproken.

De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.