Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2001:AB0768

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-02-2001
Datum publicatie
28-03-2001
Zaaknummer
2000/251 KG
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

20 februari 2001

eerste civiele kamer

rolnummer 2000/251 KG

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats appellant],

appellant,

procureur: mr S.I. Henny,

tegen:

de vereniging

Woningbouwvereniging Volkshuisvesting [plaatsnaam woningbouwvereniging],

gevestigd te [plaatsnaam woningbouwvereniging],

geïntimeerde,

procureur: mr J.C.N.B. Kaal.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van de president van de arrondissementsrechtbank te Arnhem van 28 februari 2000, in kort geding gewezen tussen geïntimeerde (hierna te noemen: de Woning-bouwvereniging) als eiseres en appellant (hierna te noemen: [appellant]) als gedaagde. Een fotokopie van dat vonnis is gehecht aan dit arrest.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij exploot van 9 maart 2000 heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het voornoemde vonnis van 28 februari 2000, met dagvaarding van de Woningbouwver-eniging om voor dit hof te verschijnen.

2.2 [appellant] heeft in het exploot van dagvaarding een aantal bezwaren tegen het vonnis waarvan beroep genoemd en aangekondigd te zullen concluderen dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, op-nieuw recht doende, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de Woningbouwvereniging in haar vorderin-gen alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren, althans deze vorderingen alsnog zal afwijzen, met veroordeling van de Woningbouwvereniging in de proceskosten van de beide instanties.

2.3 Bij memorie van grieven heeft [appellant] zijn bezwaren tegen het vonnis waarvan beroep aangevuld en geconcludeerd overeenkomstig het exploot van dagvaarding in hoger beroep.

2.4 De Woningbouwvereniging heeft bij memorie van antwoord verweer gevoerd, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten van (naar het hof begrijpt:) het hoger beroep.

2.5 Vervolgens hebben de partijen ter terechtzitting van 11 december 2000 hun zaak doen bepleiten, [appellant] door mr S.J.M. Jaasma, advocaat te Amsterdam, en de Woningbouwvereniging door mr M. van Schie, advocaat te Bussum, beiden mede aan de hand van pleitnotities.

2.6 In aansluiting op het pleidooi hebben de partijen de stukken aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

3.1 De gemeenteraad van de gemeente [naam gemeente] heeft op 23 februari 1999 de "huisvestingsverordening voor standplaatsen van woonwagens" vastgesteld.

De verordening is van toepassing op de in de gemeente gerealiseerde en nog te realiseren standplaatsen van woonwagens. In de verordening is opgenomen dat het verboden is zonder vergunning van het college van burgemeester en wethouders met een woonwagen een standplaats in gebruik te nemen of bezet te houden.

In de verordening is voorts opgenomen dat alleen een standplaats kan worden toegewezen indien de aanvrager staat ingeschreven op nader in die

veror-dening genoemde "algemene lijst" of "voorrangslijst".

De verordening is op 12 maart 1999 in werking getreden.

3.2 Ten tijde van de procedure in eerste aanleg verbleef [appellant] in het

aan de Woningbouwvereniging in eigendom toebehorende chalet aan de

[staartnaam en nummer] te [woonplaats appellant].

3.3 Voornoemd chalet is te beschouwen als 'woonruimte' in de zin van artikel 1, eerste lid, sub b, Huisvestingswet ('woonruimte: besloten ruimte die, al dan niet te zamen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden') en is een woonwagen in de zin van artikel 1, sub b, van de Huisves-tingsveror-dening voor standplaatsen van woonwagens van de gemeente [naam gemeente].

Meergenoemd chalet staat op een standplaats die eveneens eigendom is van de Woningbouwvereniging.

3.4 Tussen de Woningbouwvereniging en [appellant] is noch ten aanzien van het chalet noch ten aanzien van de standplaats een huurovereenkomst gesloten.

3.5 Op 16 november 1999 heeft [appellant] bij de gemeente [naam gemeente] een aanvraag ingediend om in aanmerking te komen voor een huisvestings-

ver-gunning voor een standplaats aan de [straatnaam] te [woonplaats appellant].

3.6 Bij brief van 24 november 1999 heeft de Woningbouwvereniging aan [appellant] verzocht en voorzover nodig hem gesommeerd de woning aan de

[staartnaam en nummer] te [woonplaats appellant] binnen zeven dagen te ontruimen.

In deze brief is opgenomen:

'Gebleken is dat u met ingang van 18 november jl. in het Bevolkingsregister staat ingeschreven op het adres [staartnaam en nummer] te [woonplaats appellant]. De desbetreffende woning is eigendom van Woningbouwvereniging Volkshuisves-ting en is door haar niet aan u, maar aan een ander verhuurd. Dit betekent dat u zonder recht of titel op bedoeld adres woonachtig bent. Een dergelijke situatie is voor Woningbouwvereni-ging Volkshuisvesting niet acceptabel.'

3.7 [appellant] heeft niet aan het verzoek c.q. de sommatie tot ontruiming voldaan.

3.8 Burgemeester en wethouders van de gemeente [naam gemeente] hebben bij besluit van 4 januari 2000 de onder 3.5 genoemde aanvraag van [appellant] om in aanmerking te komen voor een huisvestingsvergunning afgewezen.

[appellant] heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Burgemeester en wethouders hebben het bezwaar gegrond verklaard, het besluit herroepen doch de huisvestings-vergunning op andere gronden alsnog geweigerd.

[appellant] heeft hiertegen beroep ingesteld. Op 26 april 2000 heeft de president van de arrondissementsrechtbank te Arnhem het besluit vernietigd. Naar aanleiding daarvan hebben Burgemeester en wethouders van de gemeente [naam gemeente] op 27 juni 2000 alsnog de gevraagde huisvestingsver-gunning aan [appellant] verleend. Tegen dat besluit heeft de Woningbouw-vereniging als derde belanghebbende beroep ingesteld bij de arrondis-sementsrechtbank te Arnhem.

3.9 Na het vonnis waarvan beroep is het chalet op de standplaats aan de

[staartnaam en nummer] te [woonplaats appellant] ontruimd en is het chalet met de standplaats aan een ander verhuurd.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 De bezwaren van [appellant] richten zich tegen de toewijzing van de door de Woningbouwvereniging tegen hem, [appellant], ingestelde vordering tot ontruiming van het chalet en de standplaats aan de [staartnaam en nummer] te [woonplaats appellant]. [appellant] voert - kort samengevat - aan dat de president die vordering niet had mogen toewijzen voordat duidelijk was wie rechthebbende was op de huisvestingsvergunning voor die standplaats en dat die vordering alsnog moet worden afgewezen omdat Burgemeester en wethouders van de gemeente [naam gemeente] hem inmiddels een huisves-tingsvergunning hebben verstrekt.

De Woningbouwvereniging voert gemotiveerd verweer.

4.2 Tussen de partijen staat vast dat [appellant] niet krachtens huurovereenkomst mocht (en mag) verblijven in bovenvermeld chalet. Voorts staat tussen de partijen vast dat [appellant] noch ten tijde van het verzoek c.q. de sommatie tot ontruiming bij brief van 24 november 1999 noch ten tijde van de daarop gevolgde dagvaarding van 8 februari 2000 beschikte over een huisvestingsver-gunning voor voornoemde stand-plaats.

4.3 [appellant] betoogt dat op de onder 4.2 genoemde data al vast stond dat de huisves-tingsvergun-ning aan hem zou moeten worden verleend.

[appellant] wijst daartoe op de omstan-dig-heid dat hem tijdens de behandeling van zijn bezwaar tegen de afwijzing van zijn aanvraag op 22 februari 2000 is gebleken dat hij vanaf de datum van zijn aanvraag voor de vergun-ning (16 november 1999) bovenaan de voorrang-slijst stond, welke positie in principe recht gaf op de gevraag-de huisves-tingsvergun-ning. Volgens [appellant] is de Woningbouwvereniging in beginsel gehouden met de rechtheb-bende op de huisvestingsvergunning een huurovereenkomst aan te gaan.

4.4 Het hof stelt voorop dat de wetgever er uitdrukkelijk voor heeft gekozen niet te komen tot een wettelijk afdwingbare voorrangspositie bij de uitvoering van de regelgeving met betrekking tot het in gebruik nemen of geven van woonruimte (daaronder begrepen een standplaats, vergelijk artikel 1, derde lid, Huisvestingswet). Zie Memorie van Toelichting op de Wet van 1 oktober 1992, Stb. 548, houdende regelen met betrekking tot woonruimte (Huisves-tingswet), Tweede Kamer, vergader-jaar 1987-1988, 20520, nr. 3, pagina 30: 'Zoals eerder is vermeld, is en blijft in de eerste plaats de gemeen-telijke overheid verantwoordelijk voor het beleid ten aanzien van en het toezicht op de woon-ruimteverdeling. Waar het echter om de uitvoering van het door de gemeente voorgestane beleid gaat, hebben zowel de woningcorpora-ties als de particuliere beleggers een belangrijke verantwoordelijkheid, voor zover zij die op zich kunnen en willen nemen. Zij hebben immers meer zicht op de verdeling en het aanbod van en de vraag naar de bij hen in beheer zijnde woningen. Met betrekking tot de vraag hoe in het wetsvoorstel aan die verantwoorde-lijkheid uitdrukking kan worden gegeven, heb ik (...) niet willen komen tot een wettelijk afdwingbare voorrangspositie bij de uitvoering van de regelgeving. Een der-gelijk instrument levert grote problemen op in combinatie met het handhaven van de gemeentelijke eindver-antwoordelijkheid voor het beleid.'.

Vergunningverlening impliceert slechts toelating tot een deelmarkt (zie pagina 34 van genoemd kamerstuk). De betrokkenheid van het gemeentebestuur wordt beperkt tot toetsing aan de maatstaven in de huisvestingsverordening (pagina 36 en 37). Vragers en aanbieders vinden elkaar en burgemeester en wethouders toetsen slechts of zij binnen de in de verordening getrokken grenzen zijn gebleven (pagina 37).

4.5 Naast de vorengenoemde eigen verantwoordelijkheid van de Woningbouwver-eniging staat haar betrokkenheid bij de voorbereiding van een besluit tot vaststel-ling of wijziging van een huisvestingsverordening (krachtens artikel 3, eerste lid, Huisvestingswet plegen burgemeester en wethouders dan met haar overleg). Deze betrokken-heid leidt ertoe dat de Woningbouw-vereniging -in beginsel zal verlangen dat aan de aspirant-huurder een huisves-tingsvergun-ning is of zal worden verstrekt.

De vraag is of de Woningbouwvereniging er vóór de ontruiming redelijkerwijze van had moeten uitgaan dat [appellant] alsnog een huisvestingsvergunning zou worden verstrekt. Indien deze vraag al positief zou moeten worden beantwoord, mag daarbij niet uit het oog worden verloren dat de Woningbouwvereniging de (op de genoemde eigen verantwoordelijkheid gebaseerde) vrijheid behoudt om van deze op de Huisvestingswet gebaseerde regelgeving af te wijken.

In dit hoger beroep ligt de vraag voor of de Woningbouwvereniging dat laatste in dit geval redelijkerwijs heeft mogen doen door geen huurovereenkomst met [appellant] aan te gaan en ontruiming van het chalet te vorderen.

Het hof beantwoordt deze vraag voorshands bevestigend.

Redengevend daarvoor is niet zozeer de omstandigheid dat [appellant] destijds niet beschikte over een huisvestingsvergunning, maar de omstan-digheid dat [appellant] het chalet aan de [staartnaam en nummer] te [woonplaats appellant] eigener beweging, zonder toestem-ming van de Woning-bouwver-eniging, heeft betrokken, vervol-gens aan de directe woonomgeving een (hierna te bespreken) niet aan-vaardbare overlast heeft bezorgd en - zoals ter zitting in hoger beroep on-weersproken is gebleven - het chalet na ontruiming fors beschadigd heeft achtergelaten.

Deze motivering heeft tot het gevolg dat voor de beoordeling van het door de Woningbouwvereniging jegens [appellant] ingenomen standpunt niet van belang is dat de Woningbouw-vereniging thans verhuurt aan personen die niet of niet meer over een huisves-tingsvergun-ning beschikken en/of een lagere plaats op de voor-rangslijst hebben.

4.6 De door [appellant] veroorzaakte overlast volgt genoegzaam uit de door de Woningbouwvereniging ter onderbou-wing van die overlast in eerste aanleg overge-legde notitie -van de heer [naam schrijver notitie], afdeling Ontwik-keling en Beleid, Sector Grondge-bied, van de gemeente [naam gemeente], gedateerd 2 februari 2000, met de volgende inhoud:

'Notitie over aard en omvang overlast in wijk [naam wijk]

als gevolg van bewoning chalets aan de [straatnaam en huisnummers] te [woonplaats appellant].

Aard en omvang

Vanaf het moment, dat de chalets worden bewoond door de huidige bewoners (bedoeld zijn [naam buurvrouw] en [appellant], hof), hebben buurtbewoners zich met name telefonisch gewend tot de gemeente.

De vraagstelling was veelal: wat gebeurt er bij die huisjes; er is veel overlast en daardoor onrust in de buurt; wat doet de gemeente eraan.

Een samenvattend relaas van telefoontjes en bezoeken aan het gemeentehuis

Sinds de vorige bewoners van de chalets zijn vertrokken is het gedaan met de rust en het aanzien van de huisjes. Er ligt veel rommel rond de huisjes,

wan-delaars worden nageroepen en in woord en gebaar geprovoceerd. Er wordt aangebeld bij huizen en gelijk met de vraagstelling of er kan worden

getele-foneerd tracht de aanbeller naar binnen te lopen. Er werd in de periode van de jaarwisseling met vuurwerk naar omwonenden en wandelaars en fietsers gegooid. De huisjes zijn beklad met verf of iets dergelijks. Regelmatig worden auto's bij de huisjes door de politie verwijderd (weggesleept). Het is een komen en gaan van auto's met buitenlandse kentekens en ongure types (een typering van buurtbewoners). De laatste verhalen zijn, dat de betrokken chalet-bewoners een vrij agressieve en overrompelde methode op straat en bij de school hanteren. Dat uit zich in het aanspreken van kinderen en ouders door meerdere personen. Indien het antwoord dan niet aanstaat wordt daar blijkbaar in grof taalgebruik op gereageerd. Tevens schijnt het voor te komen, dat bewoners van de chalets in achtertuinen verschijnen om vervolgens te verdwij-nen als ze betrapt worden.

Alle bijeen ontstaat in de ogen van de buurtbewoners blijkbaar een angstige woonsfeer waarin buurtbewoners 's avonds niet meer buiten durven te komen, de hond uit te laten of een echtgenote met kinderen alleen te laten. De schrik, de angst, zit er zodanig in, dat op het verzoek om een en ander schriftelijk te melden bij de gemeente, negatief wordt gereageerd. De angst is blijkbaar zodanig, dat indien brieven in de openbaarheid komen of worden gebruikt tijdens een juridische procedure represailles van de betrokken bewoners van de chalets worden verondersteld.

Het bovenstaande is zo goed als mogelijk een samenvatting van de reacties van de buurtbewoners tot heden, die op persoonlijke titel of namens andere buurtbewoners spreken. Het gaat dan om ca. 10 telefoontjes en bezoeken.

Shell-pompstation [naam benzinestation]

Het benzinepompstation langs de [straatnaam], tegenover [naam wijk], heeft blijkbaar eveneens overlast in woord en gebaar van de bewoners van de chalets.

Tot zover wat ik ervan gehoord heb.'

Het hof gaat voorshands uit van de juistheid van de in de notitie weergegeven overlast. Deze notitie is immers feitelijk en gedetailleerd en wordt bovendien ondersteund door het gelijksoortige relaas van de directeur van de Woningbouwvereniging, [naam directeur], ter pleitzitting van het hof over de tien tot vijftien telefoongesprekken die hij met die buurtbewoners heeft gevoerd, terwijl [appellant] zowel in hoger beroep als in eerste aanleg heeft volstaan met een algemene ontkenning van het aan hem gemaakte verwijt dat hij overlast heeft veroorzaakt. Waar [appellant] zich in dit kort geding in twee instanties kon uitlaten over de door de Woningbouwvereniging gestelde overlast, heeft hij geen belang bij zijn klacht dat de Woningbouwvereniging tevoren het beginsel van hoor en wederhoor zou hebben geschonden.

4.7 Uit het vorenoverwogene volgt dat de president [appellant] terecht heeft veroor-deeld tot ontruiming. Het hof onderschrijft dit oordeel en maakt dit, ondanks de gewijzigde (hiervoor besproken) omstandigheden, tot het zijne.

5 Slotsom

Het hoger beroep treft geen doel. Het vonnis waarvan beroep moet worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding,

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep,

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de kant van de Woningbouwvereniging bepaald op

f. 475,-- aan verschotten en op f. 3.400,-- voor salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs Steeg, Smeeïng-Van Hees en Hilverda,

en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting

van 20 februari 2001.