Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2001:AB0492

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
28-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98-01209
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2001, 456
FutD 2001-0528

Uitspraak

HR

Gerechtshof Arnhem

vijfde enkelvoudige belastingkamer

nummer 98/01209

U i t s p r a a k

op het beroep van X Papier Recycling te Z (hierna te noemen: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Centraal bureau motorrijtuigenbelasting op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de beschikking op het verzoek om vrijstelling van motorrijtuigenbelasting voor vuilniswagens ter zake van een tweetal vrachtautocombinaties.

1. Verzoek, beschikking en bezwaar

1.1. De beschikking waarbij het verzoek van belanghebbende van 4 december 1997 om vrijstelling voor de combinaties met kentekens aa-11-bb en 22-cc-33 is afgewezen, is gedagtekend 24 december 1997 en genummerd TRVR 01.

1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak van 6 februari 1998 de beschikking gehandhaafd.

2. Geding voor het Hof

2.1. Het beroepschrift met bijlagen is ter griffie ontvangen op 16 maart 1998.

2.2. Tot de stukken van het geding behoren het vertoogschrift en de daarin genoemde bijlagen.

2.3. Het beroep van belanghebbende is behandeld te Arnhem in de zittingen van 22 februari 2000 door de zevende enkelvoudige belastingkamer en op 12 februari 2001 door de vijfde enkelvoudige belastingkamer. In beide zittingen is niemand namens belanghebbende verschenen. Blijkens van PTT-Post ontvangen retourkaarten zijn de voor beide zittingen per aangetekende post verzonden oproepen telkens namens belanghebbende in ontvangst genomen. De Inspecteur is in de twee zittingen verschenen.

2.4. Van de eerste mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt. Van dit proces-verbaal zijn op 29 februari 2000 afschriften aan partijen gezonden. Een afschrift van het proces-verbaal is aan deze uitspraak gehecht.

2.5. Na de eerste mondelinge behandeling zijn van de Inspecteur schriftelijke inlichtingen ingewonnen. Daarop zijn de artikelen 14, lid 1, onderdeel 2° , en 16 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken toegepast. Belanghebbende heeft geen nadere reactie ingezonden. Geen van de partijen heeft verzocht opnieuw haar standpunt mondeling toe te lichten. De desbetreffende briefwisseling maakt deel uit van de gedingstukken.

3. De vaststaande feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussenpartijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet weersproken, de volgende feiten vast.

3.1. Belanghebbende drijft een onderneming. De activiteiten bestaan uit archiefvernietiging, recycling en verwerking van drukkerijafval. Zij beschikt daartoe over een tweetal trekkers met oplegger voorzien van de kentekens aa-11-bb en 22-cc-33. De trekker met kenteken aa-11-bb is in het kentekenregister geregistreerd met een toegestane maximum massa van 17.500 kg en de trekker met kenteken 22-cc-33 met een toegestane maximum massa van 15.400 kg.

3.2. De opleggers zijn voorzien van een container met aan de achterzijde een kiepinstallatie om papierafvalcontainers van 120, 240, 350, 500, 660, 770, 1000 en 1100 liter op te tillen en te ledigen. In de container bevindt zich een kraakpersinstallatie waarmee papier in de wagen wordt geperst. De combinaties worden uitsluitend gebruikt voor het ophalen van papier bij bedrijven en huishoudens. Op het kentekenbewijs is niet vermeld: ‘huisvuilauto’.

3.3. Bij brief van 4 december 1997 verzocht belanghebbende om vrijstelling van belasting voor vuilniswagens voor beide combinaties met voormelde kentekens.

3.4. In de beschikking van 24 december 1997 heeft de Inspecteur het verzoek voor één combinatie, kenteken aa-11-bb, afgewezen. De beschikking rept niet over de combinatie met kenteken 22-cc-33.

3.5. In het tegen de beschikking gerichte bezwaarschrift herhaalt belanghebbende zijn verzoek om vrijstelling en noemt daarbij beide combinaties en beide kentekens.

3.6. In de bestreden uitspraak betoogt de Inspecteur dat beide trekkers met oplegger niet zijn aan te merken als vuilniswagen en wijst hij het verzoek om vrijstelling voor beide motorrijtuigen/combinaties af.

4. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

4.1. Partijen houdt verdeeld of de Inspecteur de door belanghebbende gevraagde vrijstelling voor vuilniswagens terecht heeft geweigerd.

4.2. Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken.

4.3. Daaraan zijn mondeling, anders dan vermeld in aangehecht proces-verbaal, geen gronden toegevoegd.

4.4. Belanghebbende verzoekt om vernietiging van de bestreden uitspraak en verlening van de gevraagde vrijstelling.

4.5. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Het verzoek van belanghebbende om toepassing van de vrijstelling voor huisvuilwagens betreft twee door haar gehouden combinaties. Gelet op de gang van zaken genoemd onder 3.4. tot en met 3.7. en op het feit dat blijkens de stukken van het geding het handelt om twee identieke combinaties zal het Hof in deze uitspraak beslissen op de verzoeken van belanghebbende inzake beide combinaties. Belanghebbende is hierdoor niet in haar procesbelang geschaad.

5.2. Bij de Wet van 12 juni 1997, Stb. 1997, 245, is met ingang van 1 juli 997 in de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: de Wet) in verband met EU-richtlijn van 25 oktober 1993, nr. 93/89/EEG, (PB EG van 12 november 1993, L, 279) de tariefstructuur van de Wet voor vrachtauto’s en vrachtauto’s met aanhangwagens, waaronder te begrijpen trekkers met opleggers, ingrijpend gewijzigd.

5.3. Tot 1 juli 1997 werden aanhangwagens en opleggers die waren verbonden met een vrachtauto materieel belast tegen een afzonderlijk tarief naar het ledig gewicht van die aanhangwagen/oplegger.

Vanaf die datum wordt op grond van artikel 25a van de Wet ter zake van een vrachtauto belasting geheven naar een vast bedrag per drie maanden vermeerderd met een bedrag per 1000 kg toegestane maximum massa boven 11.000 kg.

5.4. Onder toegestane maximum massa is voor het onderhavige geval, gelet op artikel 2, aanhef en onderdeel o, van de Wet te verstaan: de toegestane maximum massa van de trekker zelf verhoogd met de hoogste toegestane maximum massa van een oplegger waarmee de trekker kan worden verbonden.

5.5. Dit vanaf 1 juli 1997 geldende systeem van heffing voor vrachtauto’s brengt mee, dat enkel nog het trekkende motorrijtuig wordt belast en wel mede voor de toegestane maximum massa die daarmee mag worden verbonden. Of en hoe vaak een aanhangwagen/oplegger wordt getrokken en welke toegestane maximum massa die aanhangwagen/oplegger feitelijk heeft, speelt verder geen rol. Aldus is ook vermeld in Kamerstukken II, 1996/1997, 25 158, nr. 3 (MvT), blz. 9 en 10.

5.6. Bij de Wet van 12 juni 1997, Stb. 1997, 245, is eveneens per 1 juli 1997 artikel 55 van de Wet aangepast. Vanaf die datum geldt het systeem van heffing, waarbij aanhangwagens/opleggers materieel worden belast tegen een afzonderlijk tarief naar het ledig gewicht van die aanhangwagen/oplegger, enkel nog voor aanhangwagens/opleggers die zijn verbonden met een personenauto, een bestelauto of een autobus. In dit systeem van heffing wordt de belasting geheven door vermeerdering van de belasting voor het trekkende motorrijtuig

5.7. In artikel 75, tweede lid, van de Wet luidt:

Met betrekking tot de vermeerdering van belasting van een motorrijtuig ter zake van het verbonden zijn met een aanhangwagen is artikel 72 van overeenkomstige toepassing ingeval dat artikel geen toepassing vindt voor het motorrijtuig zelf.

5.8. Blijkens de bewoordingen van dit artikel, is de regeling van vrijstelling van belasting voor aanhanwagens/opleggers toegesneden op het verlenen van vrijstelling van de vermeerdering van belasting op de wijze zoals deze wordt voldaan als bedoeld in Hoofdstuk IV, de artikelen 55 en volgende van de Wet.

5.9. De regeling als bedoeld in 5.7. en 5.8. hiervóór bouwt voort op het onder de werking van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966 vigerende systeem, waarin het bedrag van de vermeerdering als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van die wet ook op nihil werd gesteld, indien voor de aanhangwagen/oplegger geen belasting zou zijn verschuldigd als deze als een motorrijtuig zou zijn aangemerkt. (Vergelijk paragraaf 8, zevende lid, van de Leidraad motorrijtuigenbelasting 1966).

5.10. Het voorgaande leidt het Hof tot de conclusie, dat door het systeem van heffing van belasting voor vrachtauto’s zoals dat met ingang van 1 juli 1997 in de Wet is opgenomen, de mogelijkheid van afzonderlijke vrijstelling van belasting voor een met een vrachtauto verbonden aanhangwagen/oplegger is komen te vervallen.

5.11. Voor het antwoord op de vraag of dit door de wetgever is onderkend of gewild zijn in de wetsgeschiedenis geen eenduidige aanwijzingen te vinden. Nog afgezien van bezwaren van praktische en rekenkundige aard, voert het voor de rechter te ver om, bij voorbeeld op gronden van redelijkheid en billijkheid, de tot 1 juli 1997 sinds jaar en dag gegolden hebbende afzonderlijke vrijstellingsmogelijkheid voor aanhangwagens/opleggers die zijn verbonden met een vrachtauto te herstellen.

5.12. Gelet op het vorenoverwogene behoeft de vraag of de vrachtautocombinaties van belanghebbende of enkel de oplegger voor de vrijstelling voor vuilniswagens in aanmerking komen geen beantwoording.

6. Slotsom

Het beroep van belanghebbende is niet gegrond

7. Proceskosten

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken vindt het Hof geen termen aanwezig.

8. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus gedaan en in openbaar uitgesproken op 28 februari 2001 door mr. Röben, raadsheer, lid van de vijfde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr Nuboer, als griffier.

De griffier, De voorzitter,

(M.M. Nuboer) (J.B.H. Röben)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 28 februari 2001

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.