Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2001:AB0491

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98-00226
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2001, 430
FutD 2001-0544
V-N 2001/23.24
V-N 2001/54.1.6

Uitspraak

HR

Gerechtshof Arnhem

Vijfde enkelvoudige belastingkamer

nummer 98/00226

U i t s p r a a k

op het beroep van X te Z (hierna te noemen: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen P op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem voor het jaar 1993 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag en bezwaar

1.1. De aanslag, gedagtekend 31 oktober 1996, is berekend naar een belastbaar inkomen van ¦ 58.795,- met een belastingvrije som van ¦ 10.385,-.

1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak van 12 december 1997 de aanslag verminderd tot een, berekend naar een belastbaar inkomen van ¦ 47.986,- met dezelfde belastingvrije som en met ƒ 8.221,- aan investeringsbijdragen.

2. Geding voor het hof

2.1. Het beroepschrift is ter griffie ontvangen op 7 januari 1998 en aangevuld op 10 april 1998, waarbij bijlagen zijn overgelegd.

2.2. Tot de stukken van het geding behoren het vertoogschrift en de daarin genoemde bijlagen, alsmede de conclusies van repliek (met bijlagen) en dupliek.

2.3. Bij de mondelinge behandeling op 16 oktober 1999 te Arnhem zijn gehoord belanghebbende en zijn gemachtigde, alsmede de Inspecteur.

2.4. De notities van het pleidooi dat de gemachtigde van belanghebbende bij de mondelinge behandeling heeft gehouden, worden, met bijlage, als hier herhaald en ingelast beschouwd.

2.5. Na de mondelinge behandeling zijn van belanghebbende schriftelijke inlichtingen ingewonnen. Daarop zijn de artikelen 14, lid 1, onderdeel 2° , en 16 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken toegepast.

2.6. Geen van de partijen heeft verzocht opnieuw haar standpunt mondeling toe te lichten. De desbetreffende briefwisseling maakt deel uit van de gedingstukken.

3. De vaststaande feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussenpartijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet weersproken, de volgende feiten vast.

3.1. Belanghebbende, die is geboren in 1931, drijft in de vorm van een eenmanszaak een a-bureau. Tot 31 augustus 1992 was hij hoogleraar, uit welke functie hij in het onderhavige jaar een ABP-pensioen geniet.

3.2. In 1957 is belanghebbende gehuwd met A. Uit dit huwelijk zijn vier kinderen geboren. Sinds 1975 leeft hij duurzaam gescheiden van zijn echtgenote en betaalt hij haar alimentatie.

3.3. Van 1976 tot 1978 heeft belanghebbende te Q samengewoond met mevrouw B, die is geboren in 1943. Uit deze relatie is in 1976 een zoon genaamd C geboren. In 1978 is mevrouw B met C verhuisd naar R. In 1984 ontstond een breuk in de relatie. Van mei 1985 tot en met augustus 1989 genoot mevrouw B een bijstandsuitkering. Nadat de verhouding weer was verbeterd is mevrouw B in 1989 samen met C gaan wonen in een pand te Z dat eigendom was van belanghebbende. In september 1992 is belanghebbende in dat pand gaan wonen samen met zijn zoon. Mevrouw B heeft vanaf dat moment enige tijd op kamers gewoond en is daarna in een gehuurde flat getrokken.

3.4. In 1990 is belanghebbende gestart met het doen van periodieke betalingen aan mevrouw B. Omtrent deze betalingen heeft tussen belanghebbende en mevrouw B geen schriftelijke vastlegging plaatsgevonden. De betalingen beliepen 1990: ƒ 19.200,-, 1991: ƒ 19.200,-, 1992: ƒ 19.725,- en 1993: ƒ 15.600,-. Van deze betalingen was respectievelijk ƒ 6.000,-, ƒ 2.400,-, ƒ 4.125,- en ƒ 2.580,- bestemd voor C. Mevrouw B heeft de voor haar bestemde bedragen, in 1993 een bedrag van ƒ 13.020,-, als inkomsten in de vorm periodieke uitkeringen in haar aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgenomen.

3.5. De Inspecteur heeft aftrek van de aan mevrouw B betaalde bedragen over de jaren 1990 tot en met 1992 geweigerd. Belanghebbende is daartegen telkens in bezwaar gekomen. Omdat de belastbare inkomens in die jaren telkens negatief waren hebben die bezwaren niet tot belastingvermindering geleid.

3.6. Met dagtekening 25 november 1997 heeft belanghebbende een brief geschreven aan mevrouw B. In deze brief schrijft belanghebbende onder andere:

Hiermede kom ik terug op onze overeenkomst van het najaar 1989, waarbij wij overeenkwamen dat ik u ten behoeve van levensonderhoud, woonlasten e.d., maandelijks een uitkering zou betalen, thans bedragende f 1.575,- per maand. De overeenkomst was gebaseerd op de omstandigheid, dat wij als ouders van C, geboren 28 november 1976, gescheiden leven; en in samenhang daarmede uw slechte gezondheidstoestand en gevorderde leeftijd. Bij deze zeg ik eenzijdig de overeenkomst op per 1 januari 1998. De Belastingdienst P dwingt mij hiertoe."

3.7. In 1981 is er een relatie ontstaan tussen belanghebbende en mevrouw D afkomstig uit en wonende in S in Frankrijk en geboren in 1944. Belanghebbende heeft niet samengewoond met mevrouw D. Uit deze relatie is in 1982 een dochter, genaamd E, geboren. Belanghebbende heeft dit kind reeds vóór de geboorte in Frankrijk erkend. In 1987 heeft belanghebbende Ffr.120.000,- bijgedragen in de aankoop voor een groter appartement voor mevrouw D en E.

3.8. In 1993 heeft belanghebbende een bedrag van ƒ 29.975,- (Ffr 91.000,-) betaald aan mevrouw D. Vanaf januari 1994 heeft belanghebbende maandelijks Ffr. 3.575,- aan mevrouw D betaald. Omtrent deze betalingen heeft tussen belanghebbende en mevrouw D geen schriftelijke vastlegging plaatsgevonden.

3.9. Met dagtekening 25 november 1997 heeft belanghebbende een brief geschreven aan mevrouw D. In deze brief schrijft belanghebbende onder andere:

Hiermede kom ik terug op onze overeenkomst van 1993, waarbij wij overeenkwamen dat ik u ten behoeve van levensonderhoud, woonlasten e.d., maandelijks een uitkering zou betalen, ingaande januari 1994, ten bedrage van Ffr 3.575,- per maand. Ook kwamen wij toen overeen dat ik mijn bijdrage in de kosten van levensonderhoud e.d. van u over de voorafgaande jaren met terugwerkende kracht achteraf zou betalen met een bedrag ineens van Ffr 91.000,- per einde 1993. De overeenkomsten waren gebaseerd op de omstandigheid, dat wij als ouders van E, geboren 4 augustus 1982, gescheiden leven; en in samenhang daarmede uw broze gezondheidstoestand en gevorderde leeftijd. Bij deze zeg ik de eerste overeenkomst eenzijdig op per 1 januari 1998. De Belastingdienst hier in Nederland dwingt mij hiertoe.

3.10. Mevrouw B bij brieven van 9 december 1997 en van 3 februari 1998 en mevrouw D bij brief van 4 januari 1998 hebben geprotesteerd tegen het beëindigen door belanghebbende van de betalingen. In deze brieven, die als bijlagen bij de conclusie van repliek zijn gevoegd, verwijzen zij naar overeenkomsten uit 1989 respectievelijk 1993 waarbij belanghebbende zich tot het doen van betalingen heeft verbonden.

3.11. In 1994 heeft belanghebbende C en E, na een daartoe gevoerde procedure voor de rechtbank ’s-Gravenhage, voor de Nederlandse wet erkend.

3.12. In zijn aangifte over het onderhavige jaar heeft belanghebbende onder meer de aan mevrouw B en mevrouw D betaalde bedragen van ƒ 13.020,- en ƒ 29.975,- als alimentatie in aftrek gebracht.

4. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

4.1. Ter zitting heeft de Inspecteur haar standpunt gewijzigd in die zin dat zij niet langer bestrijdt dat tussen belanghebbende en mevrouw B en mevrouw D overeenkomsten bestonden tot het doen van betalingen door belanghebbende. Partijen houdt thans nog verdeeld het antwoord op de vraag of de in het onderhavige jaar door belanghebbende aan mevrouw B en mevrouw D betaalde bedragen van respectievelijk ƒ 13.020,- en ƒ 29.975,- berusten op een dringende morele verplichting tot voorziening in het levensonderhoud en daardoor aftrekbaar zijn op grond van artikel 45, lid 1, aanhef en onderdeel d, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet).

4.2. Belanghebbende beantwoordt de vraag bevestigend en heeft daartoe in de stukken aangevoerd:

Hij heeft van 1978 tot en met 1984 een relatie gehad met mevrouw B. In 1978 is zij verhuisd naar R omdat zij niet in Q kon wennen. Daarna hebben zij een relatie gehad die zich beperkte tot weekends. Aangezien uit die relatie een zoon is geboren is de verdiencapaciteit van mevrouw B afgenomen. Zij kon, mede door een ontstane zwakkere gezondheid, geen werk vinden en is toen in de bijstand terechtgekomen. Omdat hij medeverantwoordelijk is voor haar bestaanszekerheid is er sprake van een natuurlijke verbintenis jegens haar tot voorziening in haar levensonderhoud. Dit sluit ook aan bij de maatschappelijke opvattingen hieromtrent. Dat mevrouw B niet eerder dan vanaf 1989 alimentatie heeft willen ontvangen doet hieraan niet af. In 1989 was de relatie tussen hem en mevrouw B verbeterd. Daarnaast woonde mevrouw B in een minder goede buurt. Voor haar en C was het beter dat zij elders gingen wonen. Toen is de afspraak met mevrouw B gemaakt.

Gelet op de duur van de samenlevingsperiode met mevrouw B, de periodiciteit van de betalingen, de jaarlijkse opgave door mevrouw B aan de fiscus en de brieven van mevrouw B aan belanghebbende na diens beëindiging van de betalingen, is naar zijn mening voldoende aannemelijk geworden dat met betrekking tot mevrouw B sprake is van een dringende morele verplichting.

Hij heeft niet met mevrouw D samengewoond. Zij hadden wel een LAT-relatie. Door de geboorte van E is haar verdiencapaciteit afgenomen. Ook ten aanzien van mevrouw D acht hij zich medeverantwoordelijk voor haar bestaanszekerheid en de voorziening in haar levensonderhoud. Ook in dit geval is sprake van een dringende morele verplichting. Mevrouw D had in 1982 een maandinkomen van netto Ffr 6.931,- in 1989 van Ffr 9.202,-.

Mevrouw D geeft de van hem ontvangen betalingen op aan de Franse fiscus. Zij woonde aanvankelijk in een éénpersoonsappartement in S. Hij heeft haar financieel ondersteund bij de aankoop en inrichting van een tweepersoonsappartement in 1987. Zij bezit geen vermogen. De gezamenlijke zorgplicht voor E en de erkenning van E voor de Nederlandse wet vormde aanleiding om blijvend te voorzien in een aanvullende bijdrage voor mevrouw D.

4.3. Ter zitting heeft belanghebbende daaraan toegevoegd:

In 1993 was het zover dat E in Nederland erkend kon worden. Hij heeft toen ook met mevrouw D de afspraak omtrent de betalingen gemaakt. Een schriftelijke overeenkomst vonden beide partijen niet nodig.

Nu de Inspecteur zich nader op het standpunt stelt dat wel aannemelijk is dat hij met beide dames een overeenkomst tot het doen van de betalingen heeft gesloten, wil hij alsnog in de gelegenheid worden gesteld om in beide gevallen het bestaan van een dringende morele verplichting te bewijzen.

4.4. De Inspecteur beantwoordt de vraag ontkennend en heeft daartoe in de stukken aangevoerd:

Van een dringende morele verplichting tot voorziening in het levensonderhoud van mevrouw B en mevrouw D is geen sprake. Belanghebbende heeft ongeveer twee jaar samengewoond met mevrouw B. In 1978 is zij met C elders gaan wonen. Gedurende een aantal jaren was de relatie verbroken en heeft mevrouw B in haar levensonderhoud voorzien door middel van een bijstandsuitkering. Omdat belanghebbende pas in 1989 een voorziening treft ten behoeve van mevrouw B en niet direct na het verbreken van de relatie in 1984 kan er naar haar mening geen sprake zijn van een dringende morele verplichting.

Ten aanzien van mevrouw D geldt dat belanghebbende pas elf jaar na de geboorte van E aan mevrouw D een bedrag is gaan betalen. Zij is dan nog altijd lerares. Tot die tijd kon mevrouw D ook zelf in haar onderhoud voorzien. Belanghebbende heeft nimmer met mevrouw D samengewoond. Gezien het inkomen van mevrouw D en het feit dat belanghebbende daarnaast afzonderlijk bedragen ten behoeve van E betaalt, betwijfelt zij de betalingen aan mevrouw D redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor haar levensonderhoud.

Belanghebbende heeft na het bekend worden van het standpunt van de Belastingdienst de betalingen aan beide dames beëindigd. Belanghebbende had voort kunnen gaan met het betalen van bedragen die zonder de belastingaftrek nog op hem drukten. Bovendien is naar haar mening geen sprake van een dringende morele verplichting, als het voldoen aan die verplichting afhankelijk is van aftrekbaarheid.

Zij bestrijdt dat voor beide dames door het hebben van een kind de verdiencapaciteit is afgenomen. Zij ontkent eveneens dat maatschappelijke opvattingen dwingen tot de aftrek.

4.5. Ter zitting heeft de Inspecteur daaraan toegevoegd:

Anders dan het standpunt in de van haar afkomstige stukken wil zij thans wel aannemen dat er tussen belanghebbende en de beide dames een overeenkomst is tot stand gekomen. Zij blijft evenwel van mening dat geen sprake is van een dringende morele verplichting.

4.6. Partijen hebben ter zitting nader geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak indien in dit geding het gelijk aan de zijde van de Inspecteur is en vermindering van het belastbaar inkomen van belanghebbende tot nihil - in verband met uit eerdere jaren te verrekenen verliezen - indien het gelijk aan de zijde van belanghebbende is.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Op grond van artikel 45, lid 1, aanhef en onderdeel d, juncto artikel 30, lid 1, onderdeel c, van de Wet behoren tot de persoonlijke verplichtingen periodieke uitkeringen en verstrekkingen die in rechte vorderbaar zijn, die niet worden genoten door bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn dan wel door een persoon die behoort tot het huishouden van de schuldenaar, en die berusten op een dringende morele verplichting tot voorziening in het levensonderhoud.

5.2. In de Memorie van toelichting bij de Wet van 30 december 1983, Stb. 689, is omtrent deze bepaling het volgende opgemerkt:

Termijnen van lijfrenten en andere periodieke uitkeringen en verstrekkingen die hun grond vinden in een natuurlijke verbintenis tot voorziening in het levensonderhoud zijn in de voorgestelde regeling, evenals in de huidige regeling, aftrekbaar indien de verplichting is omgezet in een rechtens afdwingbare. Hierdoor blijven bijvoorbeeld de aan alimentatie verwante verzorgingsuitkeringen welke tussen partijen zijn overeengekomen in verband met de beëindiging van niet-huwelijkse samenlevingsvormen, ook in de nieuwe regeling aftrekbaar.

(…)

Deze aftrekmogelijkheid, welke volledig past in een belastingheffing naar draagkracht, dient naar mijn mening te worden gehandhaafd.

5.3. Het Hof leidt uit voormelde bepaling en wetsgeschiedenis af, dat de wetgever voor situaties waarin sprake is van een duurzame, met een huwelijkse samenleving vergelijkbare vorm van samenleving en waarin op grond van het familierecht (artikel 157 juncto artikel 81 Boek 1 BW) niet is voorzien in een toekenning van een uitkering tot levensonderhoud, voorzover betreft de fiscaliteit de mogelijkheid heeft willen scheppen om bij beëindiging van een zodanige samenleving periodieke uitkeringen tot voorziening in het levensonderhoud van de ex-partner, evenals dat bij periodieke uitkeringen en verstrekkingen voortvloeiende uit het familierecht het geval is, op het inkomen in mindering te kunnen brengen.

5.4. Tussen partijen staat, als door belanghebbende gesteld en door de Inspecteur niet meer bestreden, vast dat tussen belanghebbende en zowel mevrouw B als mevrouw D een overeenkomst is tot stand gekomen inzake de toekenning van periodieke uitkeringen.

5.5. Voor de beoordeling van de vraag of aftrek van enig bedrag van die uitkeringen als berustende op een dringende morele verplichting in het onderhavige jaar mogelijk is, moet gelet op het hiervóór overwogene worden beoordeeld of sprake is van een behoefte aan een voorziening in het levensonderhoud die is gerelateerd aan het feit van de plaatsgevonden hebbende samenleving en verband houdt met de beëindiging daarvan. Deze beoordeling moet plaatsvinden naar objectieve maatstaven.

5.6. Belanghebbende heeft aangevoerd dat hij en mevrouw B van 1976 tot en met 1978 op één adres hebben samengewoond. Daarna is mevrouw B verhuisd naar elders en hebben zij, aldus belanghebbende, tot 1984 een relatie gehad die eruit bestond dat zij weekends samen doorbrachten. Vanaf 1981 heeft belanghebbende, volgens eigen zeggen, een LAT-relatie gehad met mevrouw D. In 1984 is de relatie met mevrouw B verbroken en was mevrouw B, die toen geen betaling van belanghebbende wenste te ontvangen en mede door een zwakkere gezondheid geen betrekking kon vinden, aangewezen op een bijstandsuitkering. Vanaf 1989 is de relatie in zoverre hersteld, dat belanghebbende mevrouw B heeft geholpen bij de voorziening in haar huisvesting.

5.7. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk maakt, ook niet in de op zijn verzoek gevoerde briefwisseling na de mondelinge behandeling van de zaak, dat met betrekking tot de betalingen aan mevrouw B sprake is van verplichting als bedoeld in 5.5. hiervóór.

Vaststaat dat de samenleving tussen belanghebbende en mevrouw B vanaf 1976 enkele jaren heeft geduurd. Vanaf welke moment die samenleving feitelijk is beëindigd en is overgegaan in een relatie die niet meer als een samenleving is aan te merken staat niet vast. Dit moment kan zijn gelegen in 1978, 1981 of op enig ander tijdstip. Wel staat vast dat bij het beëindigen van de samenleving tussen belanghebbende en mevrouw B geen aanleiding is gevonden tot het afspreken van enige betaling op grond van een dringende morele verplichting. Voorts bestaat tussen de beëindiging van de samenleving en de eerste door belanghebbende aan mevrouw B gedane betaling in 1990 een belangrijk tijdsverloop.

5.8. Aan de omstandigheden dat mevrouw B geen haar passende betrekking kon vinden en dat zij de van belanghebbende ontvangen betalingen als alimentatie in haar aangiften over 1990 en volgende heeft opgenomen komt voor de hier aan de orde zijnde vraag geen doorslaggevende betekenis toe.

5.9. Met betrekking tot de in 1993 aan mevrouw D gedane betaling is het Hof van oordeel dat voor aftrek op grond van een dringende morele verplichting geen plaats is. Belanghebbende heeft nimmer met mevrouw D samengewoond. Van een relatie van de betaling door belanghebbende met een plaatsgevonden hebbende niet-huwelijkse samenleving is daarom geen sprake. Voorts heeft belanghebbende ten aanzien van mevrouw D, die een salaris verdient als lerares, ook geen andere bijzondere omstandigheden aannemelijk gemaakt die tot aftrek zouden moeten leiden.

6. Slotsom

Het beroep van belanghebbende is niet gegrond.

7. Proceskosten

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken vindt het Hof geen termen aanwezig.

8. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus gedaan en in openbaar uitgesproken op 20 februari 2001 door mr Röben, raadsheer, lid van de vijfde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr Nuboer, als griffier.

De griffier, De voorzitter,

(M.M. Nuboer) (J.B.H. Röben)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 20 februari 2001

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.