Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2001:AB0410

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98-02758
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2001, 497 met annotatie van Hummel
FutD 2001-0452 met annotatie van Fiscaal up to Date

Uitspraak

HR

Gerechtshof Arnhem

derde meervoudige belastingkamer

nummer 98/02758

U i t s p r a a k

op het beroep van Stichting "Het Nationale park De Hoge Veluwe", gevestigd te Hoenderlo (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen Apeldoorn op het bezwaarschrift van belanghebbende gericht tegen de het bedrag van de door haar op aangifte voldane omzetbelasting over het tijdvak mei 1997.

1. Aangifte en bezwaar

1.1. Belanghebbende heeft op 23 juni 1997 een bedrag van ƒ 62.872,- aan omzetbelasting op aangifte voldaan over de maand mei 1997.

1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak van 5 juni 1998 het bezwaar afgewezen.

2. Geding voor het Hof

2.1. Het beroepschrift is ter griffie ontvangen op 2 juli 1998 en aangevuld op 24 september 1998, waarbij bijlagen zijn overgelegd.

2.2. Tot de stukken van het geding behoren het vertoogschrift en de daarin genoemde bijlagen, alsmede de conclusies van re- en dupliek. Belanghebbende heeft bij de conclusie van repliek twee boeken en een videoband overgelegd.

2.3. Bij de mondelinge behandeling op 9 januari 2001 te Arnhem zijn gehoord de gemachtigde van belanghebbende, adjunct directeur van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

2.3. De notities van het pleidooi dat de gemachtigde van belanghebbende bij de mondelinge behandeling heeft gehouden, worden, met bijlagen tegen de overlegging waarvan de Inspecteur geen bezwaar heeft gemaakt, als hier herhaald en ingelast beschouwd.

3. De vaststaande feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussenpartijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet weersproken, de volgende feiten vast.

3.1. Belanghebbende, opgericht op 26 april 1935, is ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet).

3.2. Belanghebbende is eigenaar van een omheind park, bestaande uit een aaneengesloten natuurgebied van ongeveer 5.500 ha. In het park is gelegen het Kröller-Müllermuseum. Dit museum en de daarin aanwezige collecties zijn in eigendom bij de Stichting Kröller-Müller, welke stichting afzonderlijk belastingplichtig is. De grond waarop het museum is gebouwd is eigendom van belanghebbende. Belanghebbende is voorts eigenaar van het eveneens in het park gelegen Jachtslot St. Hubertus en het Museonder.

3.3. De artikelen 2 en 5 van de Statuten van belanghebbende luiden:

2. Het doel der stichting is het verwerven, beheren en instandhouden van een Nederlands nationaal park en cultureel centrum op de Veluwe, in de eerste plaats door het verwerven en het als zodanig bewaren en verzorgen van het landgoed "De Hooge Veluwe".

5. Het bestuur der stichting zal in de eerste plaats zodanig worden gevoerd, dat deze aan haar geldelijke verplichtingen kan voldoen en dat het landgoed als natuurmonument behouden blijft.

3.4. Ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van belanghebbende in 1985 is een boek uitgebracht met de titel "Het bewaarde landschap". Blijkens het vermelde op bladzijde 47 van dit boek heeft het bestuur aan de hand van een beleidsplan in 1978 de statutaire doelstellingen opnieuw geformuleerd en als volgt samengevat:

Doel van het beheer van het Park is het zelfstandig en in financiële onafhankelijkheid in stand houden en ontwikkelen van de aanwezige natuurwetenschappelijke, landschappelijke en cultuurhistorische hoedanigheden waarbinnen ruimte is voor elementen van cultuur en kunst en waarbij mogelijkheden worden geschapen voor het kennisnemen en genieten van de daaraan verbonden schoonheid en waarden.

In het park bevinden zich op verschillende plaatsen kunstwerken.

3.5. In het door het bestuur van belanghebbende uitgebrachte Beleidsplan voor de Hoge Veluwe wordt het park omschreven als:

Een goed bewaard voorbeeld van het halfnatuurlijke landschap van de hoge zandgronden, zoals zich dat tot omstreeks 1900 onder invloed van het toenmalig grondgebruik heeft ontwikkeld. De oorspronkelijke nederzettingen met akkers, de omringende houtwallen en verspreid liggende bosjes, de heidevelden, de vennen, (restanten van vroegere) stuifzanden en oude wegen- en lanenpatronen zijn nog grotendeels aanwezig of herkenbaar.

3.6. In een ter gelegenheid van het 60-jarig bestaan van belanghebbende uitgegeven boek omschrijft prof dr C.W. Stortenbeker, oud-hoogleraar natuurbeheer aan de Landbouwuniversiteit te Wageningen het park als een "Museum van landschappen".

3.7. In het park leven van oudsher herten, wilde zwijnen, vossen en dassen. Door de familie Kröller-Müller zijn moeflons in het park gebracht. Bezoekers van het park kunnen gebruik maken van wildobservatieposten.

3.8. Belanghebbende verzorgt voorlichting aan de bezoekers van het park over het landschap en het ontstaan daarvan.

3.9. In 1994 hebben onderzoekers van de Landbouwuniversiteit Wageningen bezoekers van het park onder andere ondervraagd naar hun bezoekmotief. De uitkomst hiervan luidt:

ik kom naar de Hoge Veluwe voor het landschap 85 %

ik ga naar de Hoge Veluwe om tot rust te komen 70 %

ik kom naar de Hoge Veluwe om wild te zien 53 %

ik kom naar de Hoge Veluwe voor het K-M museum 52 %

ik kom naar de Hoge Veluwe voor het Museonder 29 %

ik kom naar de Hoge Veluwe om mij lekker moe te maken 15 %.

Het rapport, dat als bijlage bij het vertoogschrift is gevoegd, vermeldt verder onder ‘Bezoekerstypen’:

Zoals eerder vermeld, laten de uitkomsten van het onderzoek zien dat in het algemeen het landschap en de rust de belangrijkste redenen voor het bezoek aan de Hoge Veluwe zijn. Vaak gaat het om combinaties van motieven.

Vervolgens worden zeven bezoekerstypen genoemd:

de natuurliefhebber 18 %

de cultuurliefhebber 4 %

de dagje uit-liefhebber 6 %

de natuur-cultuurliefhebber 10 %

de natuur-dagje uit-liefhebber 19 %

de cultuur- dagje uit-liefhebber 4 %

de anderen 31 %.

3.10. In het onderhavige tijdvak betaalden bezoekers bij de entree van het park één prijs van ƒ 8,50. Zij hadden daarvoor toegang tot het park én het Kröller-Müllermuseum. Jaarlijks zijn er 650.000 tot 750.000 bezoekers. Belanghebbende is met de Stichting Kröller-Müller overeengekomen dat 20 percent van de totale vergoeding voor de entree van het park - als lumpsumpvergoeding - wordt toegerekend aan bezoek van het museum. Belanghebbende draagt dit deel af aan die stichting. De Inspecteur heeft met deze verdeling ingestemd. De Stichting Kröller-Müller voldoet, als ondernemer in de zin van de Wet, belasting over het aan haar doorbetaalde deel van de entreeprijs. Met betrekking tot het resterende deel van het door belanghebbende ontvangen entreegeld bestaat tussen belanghebbende en de Inspecteur de afspraak dat 20 percent daarvan kan worden toegerekend aan bezoek van de musea Jachtslot St. Hubertus en Museonder.

3.11. Tot en met 1995 werd zowel op het deel van de toegangsprijs voor het Kröller-Müllermuseum als op het deel van de toegangsprijs voor het Jachtslot St. Hubertus en het Museonder de vrijstelling toegepast van artikel 11, lid 1, onderdeel f, van de Wet, juncto artikel 7, lid 1, Bijlage B, onderdeel b, post 17, van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (hierna: het Uitvoeringsbesluit).

Vanaf 1 januari 1996 is op grond van artikel 9, lid 2, onderdeel a, van de Wet en onderdeel b, post 14, aanhef en onder c, van de bij de Wet behorende Tabel I, de prestatie "het verlenen van toegang tot openbare musea of verzamelingen" belast tegen het verlaagde tarief.

3.12. Belanghebbende heeft over het onderhavige tijdvak over 16 percent van de entreegelden - zijnde 20 percent van het haar toekomende deel van de toegangsprijs - belasting op aangifte voldaan naar het verlaagde tarief. Over het resterende deel van de aan haar toekomende entreegelden heeft belanghebbende belasting voldaan naar het normale tarief.

3.13. Belanghebbende stelt zich in bezwaar en beroep op het standpunt dat ook met betrekking tot het park sprake is van een openbaar museum of verzameling en dat daardoor de volledige vergoeding voor de toegang tot het park is onderworpen aan het verlaagde tarief. In het standpunt van belanghebbende leidt dit tot een vermindering van het bedrag van de over het onderhavige tijdvak op aangifte te betalen belasting met ƒ 45.842,- tot ƒ 17.030,-.

4. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

4.1. Partijen houdt verdeeld of de gehele door belanghebbende ontvangen vergoeding voor het verlenen van toegang van het park is belast naar het lage tarief, zoals belanghebbende bepleit, of dat 64 percent van die vergoeding (de totale vergoeding minus het deel daarvan dat is toe te rekenen aan het verlenen van toegang tot het Kröller-Müllermuseum, het jachtslot St. Hubertus en het Museonder) is belast naar het normale tarief, zoals de Inspecteur verdedigt.

4.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat ook het park De Hoge Veluwe (de landschappen) kwalificeert als openbaar museum of verzameling als bedoeld in Tabel I, onderdeel b, post 14, aanhef en onder c, van de Wet.

Zij voert daartoe het volgende aan:

volgens het ICOM (International Council of Museums) is een museum een "permanente instelling, in dienst van de gemeenschap en haar ontwikkeling, toegankelijk voor het publiek, niet gericht op het maken van winst, die de materiële getuigenissen van de mens en zijn omgeving verwerft, behoudt, wetenschappelijk onderzoekt, presenteert en hierover informeert voor doeleinden van studie, educatie en genoegen;

een museum hoeft niet altijd een gebouw te zijn en de ruimte waarin wordt geëxposeerd kan op zich het belangrijkste bezichtigingsobject zijn;

bij De Hoge Veluwe is sprake van een nadruk op cultuurhistorisch landschap; het is een museum op grote schaal, in tegenstelling tot de kubuswoning in de uitspraak van Hof

’s-Gravenhage van 10 november 1995, nr. 94/1100;

vanaf de aanvang is het park voor het publiek opengesteld;

ook in de presentatie naar buiten, o.a. in brochures, worden het museale karakter en de cultuurhistorische waarden van de Hoge Veluwe sterk benadrukt;

de Hoge Veluwe is lid van de Nederlandse Museumvereniging, is opgenomen in de gids Nederland Museumland 1997 en wel de Aanschouw, het Museonder en St. Hubertus, en participeert in het Museumwandelweekend van 12 en 13 april 1997;

de Sociale Verzekeringsraad heeft op 3 februari 1994 beslist, na een onderzoek te hebben ingesteld, dat De Hoge Veluwe is te rangschikken onder de categorie "musea, archieven, monumenten respectievelijk andere culturele instellingen;

het Gelders Genootschap (Gelders Oudheidkundig Contact) omschrijft de Hoge Veluwe als van grote architectuurhistorische, kunsthistorische, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarde;

uit de Tabelpost blijkt dat de wetgever bewust een onderscheid heeft aangebracht tussen de begrippen museum en verzameling;

dit wordt bevestigd door het standpunt van het Ministerie van Financiën van 16 augustus 1989, nr. VB 89/1361, inzake de kwalificatie van een Hortus Botanicus als een verzameling: "immers in de Hortus Botanicus worden allerlei inheemse en uitheemse planten bijeengebracht die bestemd zijn om in de tuin te blijven bewaard en die (mede) bestemd zijn om te worden bezichtigd (…)"; zij meent aan dit standpunt van het Ministerie van Financiën vertrouwen te kunnen en mogen ontlenen;

zij wijst ook op een brief van het Ministerie van Financiën van 29 oktober 1997 inzake de toepassing van het verlaagde tarief op de entree voor een bloemententoonstelling; in die brief wordt het ‘verzamelen en conserveren’ van voorwerpen … kenmerkend geacht voor openbare musea en verzamelingen;

kenmerkend voor de begrippen museum en verzameling is de doelstelling dat gelegenheid wordt gegeven tot toegang en bezichtiging aan het publiek; naar maatschappelijke opvattingen voldoet de Hoge Veluwe aan deze kernvoorwaarden;

bij de invulling van de thans in de musea aanwezige kunstverzamelingen en van het park stond indertijd het echtpaar Kröller-Müller voor ogen een harmonieus geheel te creëren tussen kunst en landschap; de opdracht van het echtpaar luidde: "Het bewaren van De Hoge Veluwe, gezien als een eenheid van natuur, cultuur en architectuur, met een groots Museum als symbool van die eenheid";

uit onderzoeken onder het publiek blijkt dat het ook de bezoeker gaat om de combinatie van de verschillende elementen, te weten de combinatie van de aanwezige musea en de verzameling van landschappen; een zeer beperkte groep komt slechts voor de geboden rust; ook op die grond moet de integrale entreeprijs worden belast tegen het verlaagde tarief.

4.3. Ter zitting is daaraan namens belanghebbende toegevoegd:

Door het systeem van één entreeprijs ten tijde van het onderhavige tijdvak realiseerden in die tijd bezoekers zich niet dat er sprake was van twee instellingen, te weten belanghebbende en de Stichting Kröller-Müller, die het Kröller-Müllermuseum beheerde. Vanaf 1 januari 1998 is dat anders, omdat bij de ingang van het park apart moet worden betaald voor toegang tot het park en tot het Kröller-Müllermuseum.

Het park is een verzameling van aanwezige landschappen die weliswaar niet bij elkaar is gebracht maar wel een grote diversiteit vertoont. Door te fietsen door het park kunnen de bezoekers een goed beeld van de aanwezige natuurgebieden krijgen. Aan het Kröller-Müllermuseum grenst een beeldenbos. Het is een verzameling met het hekwerk als muren en de hemel als dak.

De doelstelling zoals genoemd op bladzijde 47 van het boek dat ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van Het Nationale Park De Hoge Veluwe is uitgegeven, geldt nog onverkort.

Zij trekt haar grieven inzake toepassing van categorie 7 van Bijlage H bij de Zesde Richtlijn en opgewekt vertrouwen door het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 22 april 1997, nr. VB97/349, in.

4.4 De Inspecteur bestrijdt dat het park kwalificeert als openbaar museum of verzameling als bedoeld in Tabel I, onderdeel b, post 14 aanhef en onder c, van de Wet. Hij heeft daartoe aangevoerd:

Van Dale’s woordenboek geeft als definitie van een museum: "Een gebouw waarin voorwerpen van kunst of wetenschap zijn bijeengebracht en (althans voor een gedeelte) voortdurend uitgestald worden";

uiteraard wil dat niet zeggen dat een museum alleen maar een gebouw kan zijn, hoewel dat wel de hoofdregel is;

slechts in enkele uitzonderingsgevallen, bij voorbeeld wanneer sprake is van een openluchtmuseum, is deze hoofdregel niet van toepassing;

van oudsher is de Hoge Veluwe een afgebakend deel van de Veluwe; de aanwezige fauna komt ook buiten het park op de Veluwe voor; overigens worden ook andere delen van de Veluwe in de oude staat gelaten; als voorbeeld noemt hij de door de Stichting Het Geldersch Landschap beheerde natuurgebieden;

de statuten van belanghebbende spreken ook over het "beheer van een nationaal park";

de door belanghebbende aangehaalde brochures e.d. hebben betrekking op de afzonderlijke musea die in het park aanwezig zijn;

de Sociale Verzekeringsraad heeft vastgesteld dat belanghebbende een natuurreservaat in stand houdt en daartoe 45 werknemers in dienst heeft, waaronder hoveniers, fietsenmakers, portiers en administratief personeel; belanghebbende is niet aangesloten bij een bedrijfsvereniging waar musea onder vallen;

het park is ook geen verzameling; hij verwijst hiervoor naar de uitspraak van Hof ’s-Gravenhage van 22 juli 1998, nr. BK-97/03136, in welke uitspraak het hof verwijst naar de wetsgeschiedenis van de Tabelpost;

dat het Ministerie van Financiën een Hortus Botanicus heeft aangemerkt als verzameling houdt verband met het feit dat deze is aangemerkt als academische plantentuin c.q. een plantentuin ten dienste van wetenschappelijke studie; bij belanghebbende gaat het meer om rust, natuur, fietsen e.d., zoals naar zijn mening ook blijkt uit onderzoeken onder het publiek; de door belanghebbende gehanteerde slogan: "Eén dag Hoge Veluwe en je kunt er weer tegen" speelt daar op in;

een aantal bomen, heide, zandverstuivingen met daarin dieren die in het wild leven maakt een omheind stuk natuur nog geen museum of verzameling dan wel een academisch/wetenschappelijke tuin;

met ingang van 1 januari 1998 is het verlenen van toegang tot attractieparken, speel- en siertuinen, en andere dergelijke primair en permanent voor vermaak en dagrecreatie ingerichte voorzieningen door invoering van post 14, letter g, van onderdeel b van Tabel I, onder het verlaagde tarief gebracht; het Nationale Park De Hoge Veluwe valt hier ook onder; ook daaruit blijkt dat het daarvóór nooit de bedoeling van de wetgever is geweest om de prestatie van belanghebbende onder het verlaagde tarief te laten vallen.

4.5. Ter zitting is daaraan door de Inspecteur toegevoegd:

Het door belanghebbende becijferde belang van het geschil van ƒ 45.842,- over de maand mei 1997 is juist.

Er is zijns inziens sprake van twee prestaties: het verlenen van toegang tot het park, het Jachtslot St. Hubertus en het Museonder enerzijds en het verlenen van toegang tot het museum door de Stichting Kröller-Müller anderzijds. Dat het publiek die afzonderlijke prestaties niet onderkent is niet relevant. De Belastingdienst kijkt naar het park exclusief het Kröller-Müllermuseum en respecteert de afspraak tussen belanghebbende en de Stichting Kröller-Müller inzake de verdeling van de door belanghebbende geïnde entreeprijs. Voorts gedoogt de Belastingdienst dat belanghebbende over een deel van het haar toekomende deel van de entreegelden - zijnde een toerekening aan het bezoek van het Jachtslot St. Hubertus en het Museonder - de belasting naar het verlaagde tarief op aangifte voldoet.

Als er, zoals belanghebbende stelt, bij de toegangspoort sprake is van één prestatie naar het publiek, zou het algemene tarief toepassing moeten vinden.

Bij het begrip "museum" gaat het om de maatschappelijke opvattingen daaromtrent en hoe de bezoeker een en ander ervaart. Het park is naar zijn mening geen thematisch museum. Volgens vaste jurisprudentie bestaat er geen reden om het begrip museum op te rekken.

4.6. Ter zitting is door partijen opgemerkt dat zij geen bezwaar hebben tegen publicatie van de uitspraak van het Hof zonder weglating van namen en bedragen.

4.7. Belanghebbende verzoekt vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van het op aangifte voldane bedrag van ƒ 62.872,- tot een bedrag van ƒ 17.030,-

4.8. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Belanghebbende en de Stichting Kröller-Müller zijn afzonderlijke rechtspersonen die ieder een prestatie verrichten aan de bezoekers, te weten het verlenen van toegang tot het park en de overige onderdelen daarvan zoals het Jachtslot St. Hubertus en het Museonder enerzijds en het verlenen van toegang tot het museum Kröller-Müller anderzijds. Zij zijn beide ook afzonderlijk als ondernemer in de zin van de Wet aangemerkt. Dat bezoekers van het park niet op de hoogte zijn van de afspraak tussen beide stichtingen over de verdeling van de toegangsprijs en zich er niet van bewust zijn dat zij, voor de toepassing van de Wet, met het voldoen van de toegangsprijs betalen voor twee afzonderlijke prestaties doet daaraan niet af. Voor het antwoord op de vraag naar de aard van de prestatie die belanghebbende verricht moet de door de Stichting Kröller-Müller verrichte prestatie buiten beschouwing worden gelaten.

5.2. Aangezien de wetgever, gelet op de tekst van onderdeel b, post 14, aanhef en onder c, van de bij de Wet behorende Tabel I, zowel het verlenen van toegang tot openbare musea als tot openbare verzamelingen, niet opgenomen in een museum, aan het verlaagde tarief heeft willen onderwerpen, moet het ervoor worden gehouden dat de wetgever onderscheid heeft willen maken tussen openbare musea en openbare verzamelingen (vergelijk HR 30 juni 1999, nr. 34.621, BNB 1999/360*).

5.3. Nu noch in de Wet noch in de communautaire regelgeving de begrippen openbaar museum en openbare verzameling nader zijn gedefinieerd, bestaat aanleiding voor deze begrippen te rade te gaan bij het spraakgebruik.

5.4. Naar het oordeel van het Hof is met betrekking tot het park geen sprake van een museum. Van Dale Handwoordenboek Hedendaags Nederlands omschrijft ‘museum’ als: gebouw waarin voorwerpen van culturele aard bewaard en uitgestald worden. Hoewel het Hof niet wil uitsluiten dat ook voorwerpen van culturele aard kunnen worden verzameld die naar hun aard in de open lucht plegen te worden bewaard en uitgestald, voldoet een in oorspronkelijke staat gehouden natuurpark als dat van belanghebbende niet aan de omschrijving ‘museum’.

5.5. Een openbare verzameling veronderstelt een duurzaam samenhangende collectie goederen, aldus de Hoge Raad in voormeld arrest. Van een collectie goederen, dus een doelbewust bijeengebracht zijn van goederen, kan hier niet worden gesproken. Belanghebbendes streven is er immers op gericht om het park te beheren en in stand te houden in de staat waarin het eertijds door de familie Kröller-Müller is aangetroffen en verworven.

Naar het oordeel van het Hof is in het onderhavige geval sprake van een natuurpark met daarin aanwezig museale aspecten, welk park niet kan worden aangeduid als een museum of een verzameling.

5.6. Het voorgaande vindt ondersteuning in de uitkomsten van het onder de feiten vermelde onderzoek van de Landbouwuniversiteit Wageningen. Uit dit onderzoek komt naar voren dat het merendeel van de bezoekers van Het Nationale Park De Hoge Veluwe het park bezoekt om redenen van landschap, rust en recreatie.

5.7. Vermelding verdient voorts dat de wetgever in de parlementaire stukken die hebben geleid tot de wijziging van de Wet waardoor per 1 januari 1998 het verlenen van toegang tot attractieparken e.d. (Tabel I, onderdeel b, post 14, aanhef en onder g) onder het verlaagde tarief is gebracht, expliciet heeft vermeld, dat hij naast tuinen ook grote parken zoals bij voorbeeld Het Nationale Park De Hoge Veluwe, waarbij bij het bezoek het dagrecreatieve aspect - het verpozen en bewonderen - de boventoon voert, onder de definitie van genoemd onderdeel van post 14 rangschikt.

5.8. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de prestatie van belanghebbende, te weten het verlenen van toegang tot het park, niet kan worden gerangschikt onder post 14, aanhef onder c, van onderdeel b van de bij de Wet behorende Tabel I. Mitsdien heeft de Inspecteur terecht de toepassing van het verlaagde tarief op de vergoeding die belanghebbende heeft ontvangen voor de door haar verrichte prestaties, geweigerd.

5.9. Bij dit oordeel laat het Hof in het midden of de prestatie van belanghebbende, te weten het verlenen van toegang tot het park tegen één vergoeding, te weten de aan haar toekomende 80 percent van de entreeprijs, is aan te merken als één prestatie dan wel moet worden onderscheiden in meerdere prestaties die deels wel en deels niet aan het verlaagd tarief zijn onderworpen. Te dezen doet zich namelijk niet het geval voor dat, indien sprake is van meer dan één prestatie, de prestatie bestaande uit het verlenen van toegang tot het park opgaat in enige andere prestatie.

6. Slotsom

Het beroep van belanghebbende is niet gegrond

7. Proceskosten

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken vindt het Hof geen termen aanwezig.

8. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus gedaan en in openbaar uitgesproken op 20 februari 2001 door de raadsheren mrs Röben, als voorzitter, De Kroon en Kooijmans, in tegenwoordigheid van mr Egberts, als griffier.

De griffier, De voorzitter,

(J.L.M. Egberts) (J.B.H. Röben)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 20 februari 2001

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.