Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2001:AB0148

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
07-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
00-01890
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2001, 368 met annotatie van Pechler
FutD 2001-0384
V-N 2001/19.5

Uitspraak

aa

Gerechtshof Arnhem

eerste meervoudige belastingkamer

nummer 00/01890

U i t s p r a a k

op het beroep van mevrouw X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen P op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1999.

1. (Voorlopige) aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

1.1. Belanghebbende heeft op 16 juni 2000 aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gedaan voor het jaar 1999 naar een belastbaar inkomen van ƒ 15.777,-. Daarbij heeft ze aangegeven ingedeeld te moeten worden in tariefgroep 2. Daarop is aan belanghebbende op 13 juli 2000 een voorlopige aanslag opgelegd, berekend naar hetzelfde belastbaar inkomen maar met indeling in tariefgroep 3. Deze voorlopige aanslag resulteerde in een teruggave van ƒ 2.324,- plus ƒ 39,- aan heffingsrente.

De belastingadviseur van belanghebbende heeft daarop op 3 augustus 2000 tegen de voorlopige aanslag bezwaar gemaakt en verzocht om indeling in tariefgroep 2. De Inspecteur heeft daarop met dagtekening 25 augustus 2000 een (definitieve) aanslag opgelegd genummerd 1.H96 waarbij het belastbaar inkomen is gehandhaafd maar belanghebbende alsnog is ingedeeld in tariefgroep 2. Dit resulteerde in een door belanghebbende te betalen bedrag ter grootte van de eerder verleende en reeds uitbetaalde teruggave van ƒ 2.324,- plus ƒ 49,- aan heffingsrente.

1.2. Belanghebbende heeft op 4 september 2000 tegen de aanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de aanslag bij de bestreden uitspraak van 12 september 2000 voor wat betreft het belastbaar inkomen gehandhaafd maar heeft de te vergoeden heffingsrente met ƒ 10,- verminderd tot ƒ 39,- zodat deze te betalen heffingsrente gelijk is aan de eertijds verleende heffingsrente. Het verzoek van belanghebbende tot vergoeding van de door haar gemaakte advieskosten ad ƒ 125,- heeft de Inspecteur afgewezen.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Bij mondelinge behandeling van de zaak op 11 januari 2001 te Arnhem zijn verschenen en gehoord, de echtgenoot van belanghebbende, als gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.5. Belanghebbende heeft tijdens de zitting verzocht om een schriftelijke uitspraak.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting als tussen partijen niet in geschil dan wel door één der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, voorts de volgende feiten vast.

2.1. Bij het vaststellen van de voorlopige aanslag is door de Inspecteur een toetsfout gemaakt waardoor belanghebbende abusievelijk in tariefgroep 3 is ingedeeld in plaats van tariefgroep 2 zoals verzocht bij de aangifte. Deze fout is door de Inspecteur onderkend en - zoals door belanghebbende bij bezwaar gevraagd - gecorrigeerd bij het opleggen van de definitieve aanslag.

2.2. Het verzoek van belanghebbende tot vergoeding van de door haar gemaakte advieskosten ad ƒ 125,- heeft de Inspecteur in zijn uitspraak op bezwaar afgewezen.

2.3. In beroep verzoekt belanghebbende om vergoeding van de door haar gemaakte advieskosten, nu becijferd op ƒ 133,- alsmede om vergoeding van de betaalde griffiekosten ad ƒ 75,-.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is uitsluitend nog in geschil het antwoord op de vraag of de Inspecteur veroordeeld moet worden tot vergoeding van de in bezwaarfase gemaakte kosten, nu door belanghebbende berekend op ƒ 133,-.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting geen nieuwe argumenten of verweren toegevoegd.

3.3. Belanghebbende concludeert tot veroordeling van de Inspecteur in vergoeding van voormelde advieskosten.

3.4. De Inspecteur concludeert primair tot niet-ontvankelijkheid van belanghebbendes beroep en subsidiair tot bevestiging van zijn uitspraak, met de toevoeging dat hij berust in een veroordeling tot vergoeding van het door belanghebbende betaalde griffierecht.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. ten aanzien van de ontvankelijkheid in beroep

4.2. Belanghebbende heeft tijdig bezwaar gemaakt tegen de in de aanslag begrepen van haar gevorderde heffingsrente. De Inspecteur heeft belanghebbende terecht - impliciet - ontvankelijk verklaard in haar bezwaar en is bij uitspraak belanghebbende vervolgens ten dele in haar bezwaar tegemoet gekomen.

Belanghebbende is vervolgens van deze uitspraak, die zij terecht als uitspraak als bedoeld in artikel 25, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (tekst jaar 2000; hierna: de Wet) heeft aangemerkt, tijdig in beroep gekomen. Haar beroep is, gelet op het bepaalde in artikel 26, lid 1, van de Wet, ontvankelijk.

4.3. ten aanzien van het materiële geschilpunt

4.4. Op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan het Hof belanghebbende een vergoeding toekennen voor de kosten welke redelijkerwijs gemaakt zijn voor de behandeling van het beroep. De door belanghebbende gevraagde kostenvergoeding heeft evenwel betrekking op de kosten die gemaakt zijn in de bezwaarfase, zodat dit wetsartikel toepassing mist.

4.5. Artikel 8:73 van de Awb kan belanghebbende evenmin baten, nu het beroep ongegrond moet worden verklaard.

4.6. Opmerking verdient voorts dat de door belanghebbende gemaakte kosten geen verband houden met de in dit beroep aan de orde zijnde definitieve aanslag, doch met de voorlopige aanslag, tegen welke aanslag eveneens de mogelijkheid van beroep heeft opengestaan. Van die mogelijkheid heeft belanghebbende evenwel geen gebruik gemaakt.

4.7. Het Hof voegt daar ten overvloede het volgende aan toe. In zijn brief van 19 mei 2000 (AFZ 2000-01361) VN 2000/27.5, blz. 2366-2369, heeft de Staatssecretaris aangekondigd met een beleidswijziging te komen, in aanvulling op bovengenoemde wettelijke regeling. Daarbij zullen ook kosten welke gemaakt zijn in de bezwaarfase voor vergoeding in aanmerking komen, indien het bestreden besluit berust op een onjuiste uitleg van de wet, of als het bestreden besluit door onzorgvuldigheid in strijd met het recht is genomen. Het moet dan derhalve gaan om een onjuiste uitleg van de wet of een ernstige onzorgvuldigheid van de zijde van de Belastingdienst. Niet ieder gebrek in de besluitvorming, zo stelt de Staatssecretaris, levert deze situatie op. In de brief wordt dan ook volledigheidshalve aangegeven dat als bij een besluit "…een reken- of toetsfout is gemaakt of bij vergissing van onjuiste feiten is uitgegaan…" dit niet op zichzelf leidt tot aansprakelijkheid voor de kosten. Achtergrond van dit standpunt is dat de bezwaarfase (anders dan de beroepsfase) is bedoeld voor bestuurlijke heroverweging van genomen besluiten en herstel van gemaakte fouten.

4.8. Zo deze brief thans reeds regels zou bevatten waarop belanghebbende in rechte met vrucht een beroep kan doen, dan kunnen deze regels hem in dit geval niet baten. De Inspecteur heeft namelijk voldoende aannemelijk gemaakt dat in deze sprake is van een toetsfout (tariefgroep 3 in plaats van 2) welke volgens de brief van de Staatssecretaris niet voor kostenvergoeding in aanmerking komt. Belanghebbende stelt dat de Inspecteur met opzet de onjuiste tariefindeling in de voorlopige aanslag heeft bewerkstelligd, vanwege de al een aantal jaren voortdurende onmin tussen belanghebbende en Belastingdienst P. De Inspecteur heeft dat, ook ter zitting, gemotiveerd bestreden waarbij hij niet alleen ontkent dat de Belastingdienst deze fout met opzet heeft gemaakt maar voorts ook wijst op de praktische problemen die spelen als men al een dergelijke fout zou willen aanbrengen. Belanghebbende heeft in reactie daarop zijn standpunt onvoldoende onderbouwd of aannemelijk gemaakt. De klacht van belanghebbende is ook in dit opzicht ongegrond.

4.9. Overigens heeft de Inspecteur in zijn verweerschrift aangegeven dat hij onderkent dat belanghebbende mede door de opstelling van de Inspecteur de weg van het beroep is ingeslagen, zodat de Inspecteur termen aanwezig acht om belanghebbende wel een vergoeding van de griffiekosten toe te kennen. Het Hof zal de Inspecteur hierin volgen. Teruggaaf kan echter slechts plaatsvinden tot het door belanghebbende betaalde bedrag van ƒ 60,-.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

6. Beslissing

Het Hof

- bevestigt de bestreden uitspraak waarvan beroep,

- gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van ¦ 60,-.

Aldus gedaan te Arnhem op 7 februari 2001 door mr N.E. Haas, voorzitter, mr J. Lamens en mr A.M. van Amsterdam raadsheren, in tegenwoordigheid van mr E.M. van Hoorn als griffier.

(E.M. van Hoorn) (N.E. Haas)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 7 februari 2001

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.