Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2001:AA9786

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
17-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99-01457
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2002/81
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TdK

Gerechtshof Arnhem

derde meervoudige belastingkamer

nummer 99/01457

U i t s p r a a k

op het beroep van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het college van Burgemeester en wethouders van de gemeente P (hierna: B en W), betreffende de hem voor het jaar 1996 opgelegde aanslagen in de onroerende-zaakbelastingen, na verwijzing van het geding naar dit Hof door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 16 juni 1999, nr. 34.590.

1. Aanslagen, bezwaar en geding voor het Gerechtshof te Leeuwarden en in cassatie

1.1. Aan belanghebbende zijn voor het jaar 1996 wegens het genot krachtens eigendom en wegens het gebruik van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als a-weg 1 te Z, op één aanslagbiljet verenigde aanslagen in de onroerende-zaakbelastingen van de gemeente P opgelegd naar een heffingsgrondslag van ¦ 179.000,--.

1.2. Na tegen deze aanslagen gemaakt bezwaar, is de aanslag wegens het gebruik van het woonhuis met bedrijfsgedeelte bij uitspraak van B en W verminderd tot een aanslag berekend naar een heffingsgrondslag van ¦ 130.000,--.

1.3. Belanghebbende is tegen de uitspraak van B en W in beroep gekomen bij het Gerechtshof te Leeuwarden, dat die uitspraak heeft vernietigd voorzover betrekking hebbend op het woonhuis met bedrijfsgedeelte en dat de aanslagen voorzover daarop betrekking hebbend heeft verminderd tot aanslagen naar een heffingsgrondslag van ¦ 120.000,--.

1.4. De Hoge Raad heeft bij genoemd arrest de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden vernietigd en het geding verwezen naar dit Hof ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dat arrest.

2. Geding na verwijzing

2.1. In zijn hiervoor genoemde arrest heeft de Hoge Raad de klachten van belanghebbende met toepassing van artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie verworpen doch de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden vernietigd wegens een ambtshalve aanwezig bevonden grond tot cassatie.

De Hoge Raad heeft daarbij overwogen:

"4.1. Uit de stukken van het geding blijkt dat op het perceel a-weg 1 zijn gelegen een woonhuis met bedrijfsgedeelte en dubbele garage en drie schietbanen. Omdat was gebleken dat de schietbanen in gebruik waren bij een schietvereniging is in de uitspraak op het bezwaarschrift medegedeeld dat belanghebbende met betrekking tot de schietbanen voor het gebruikersgedeelte niet zal worden belast, dat - kennelijk voor dat gedeelte - een verminderingsnota zal worden vervaardigd en dat voor het eigenarengedeelte van de schietbanen te zijner tijd nog een aanslag zal volgen. Volgens het vertoogschrift bij het Hof is het perceel "naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift gesplitst in woonhuis met bedrijfsgedeelten en schietbanen".

2. Een en ander laat geen andere gevolgtrekking toe dan dat B en W bij de uitspraak op het bezwaarschrift, anders dan bij de vaststelling van de aanslagen, de schietbanen als een afzonderlijke onroerende zaak in de zin van de Verordening onroerende-zaakbelastingen 1995 hebben aangemerkt en de aanslagen uitsluitend ten aanzien van het woonhuis met bedrijfsgedeelte hebben gehandhaafd, waarbij zij (een) afzonderlijke aanslag(en) ten aanzien van de schietbanen hebben aangekondigd.

4.3. Een eenmaal vastgestelde aanslag die betrekking heeft op meer dan een onroerende zaak, kan echter niet, zoals B en W aldus hebben gedaan, bij uitspraak op bezwaarschrift worden gewijzigd in een aanslag die betrekking heeft op slechts een van die zaken. Slechts indien inderdaad sprake was van één onroerende zaak had het Hof derhalve, zoals het heeft gedaan, kunnen volstaan met vermindering van de aanslagen met betrekking tot het woonhuis met bedrijfsgedeelte. Het Hof had mitsdien, gezien de uitspraak van B en W, dienen te onderzoeken of de aanslagen op een dan wel meer onroerende zaken betrekking hadden en als dat laatste, zoals in de uitspraak van B en W besloten ligt, het geval was de aanslagen dienen te vernietigen".

2.2. Belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente P (hierna: de Ambtenaar) hebben naar aanleiding van dit arrest schriftelijke conclusies ingediend bij het Hof, (ter griffie van het Hof ontvangen op 8 juli 1999 respectievelijk 10 september 1999). De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 16 november 2000, te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbendes gemachtigde alsmede de ambtenaar.

3. De vaststaande feiten

Het Hof neemt voor dit geding als vaststaand over hetgeen is vermeld in de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 26 juni 1998, nr 363/97 onder 2.1. en 2.3. tot en met 2.5. Voorts staat vast dat B en W de onder 1.1. vermelde aanslagen bij uitspraak van 15 april 1997 voor wat betreft de waarde van voornoemde onroerende zaak ad ¦ 179.000 hebben gesplitst in een bedrag van ¦ 130.000,-- voor het woonhuis met bedrijfsgedeelte en in een bedrag van ¦ 49.000,-- voor de schietbanen (met kantine).

4. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

4.1. Na verwijzing is nog in geschil het antwoord op de vraag of de aanslag ter zake van het gebruik door belanghebbende, welke aanslag door B en W in hun uitspraak is verminderd tot een naar een waarde van ¦ 130.000,-- betrekking heeft op één onroerende zaak (woonhuis met bedrijfsgedeelte en schietbanen met kantine tezamen) dan wel op twee onroerende zaken (waarbij de schietbanen met kantine als een afzonderlijke onroerende zaak moeten worden aangemerkt).

4.2. Belanghebbende verdedigt dat door de uitspraak van B en W op zijn bezwaarschrift niet meer kan worden gesproken van een aanslag die is opgelegd voor de gehele onroerende zaak en concludeert tot vernietiging van genoemde uitspraak en tot veroordeling van de Ambtenaar tot het doen van een nieuwe uitspraak op zijn bezwaar met inachtneming van de aanwijzingen van dit Hof. Daartoe verzoekt belanghebbende het Hof in te gaan op de door hem in zijn conclusie aangevoerde stellingen met betrekking tot de waarden van de onroerende zaken a-weg 1 en a-weg 3 en deze bij de vaststelling van de waardegrondslag van genoemde onroerende zaken te betrekken.

4.3. De Ambtenaar verdedigt dat de Hoge Raad in rechtsoverweging 4.4 van zijn arrest heeft aangegeven dat dit Hof na verwijzing (slechts) dient te onderzoeken of sprake is van één onroerende zaak dan wel meer onroerende zaken in de zin van de Verordening onroerende-zaakbelastingen 1995 zodat voor een onderzoek en behandeling van de overige grieven en standpunten van belanghebbende geen plaats meer is.

De Ambtenaar komt uitdrukkelijk terug op het door B en W in de uitspraak op bezwaar ingenomen standpunt dat het gebruik van de schietbanen en kantine door de schietvereniging er toe zou moeten leiden dat belanghebbende niet als (belangrijkste) gebruiker kan worden aangemerkt en verdedigt thans dat het woonhuis met garages en bedrijfsruimte, de schietbanen en de kantine voor de toepassing van de onderhavige Verordening als één object moet worden aangemerkt.

Ter ondersteuning van zijn standpunt voert de Ambtenaar aan dat het gebruik van de schietbanen en kantine door belanghebbende blijkt uit de opgevraagde huurcontracten en de bevindingen van de taxateur. Het gebruik bestaat hieruit dat belanghebbende de banen bezigt ten behoeve van zijn op hetzelfde adres gevestigde wapenherstelbedrijf en uit het exploiteren van de bij de schietbaan behorende kantine. Als voorzitter van de schietvereniging heeft belanghebbende voorts een bepaalde mate van zeggenschap met betrekking tot het gebruik van de schietbanen en kantine en oefent hij een bepaalde mate van toezicht daarop uit.

Aldus kan de woning met bedrijfsgedeelte en schietbanen met kantine worden aangemerkt als een complex in de zin van artikel 220a, ten vierde, van de Gemeentewet (tekst 1996) zodat de objectafbakening die aan de aanslag onroerende-zaakbelastingen 1996 ten grondslag ligt correct is toegepast.

4.4. Ter zitting van het Hof hebben partijen - zakelijk weergegeven - daar- aan nog toegevoegd:

Namens de Ambtenaar

Anders dan B en W aanvankelijk hebben verdedigd en in de uitspraak op bezwaar van 15 april 1997 hebben vermeld is geen sprake van een uitsluitend gebruik van de schietbanen en de kantine door de schietvereniging. Ook belanghebbende maakt gebruik van bovengenoemde accomodaties.

Dit blijkt onder meer uit het volgende:

In de oorspronkelijke overeenkomst van 1 januari 1989 tussen belanghebbende en de schietvereniging is vastgelegd dat het terrein aan de a-weg 1 met de daarop te bouwen schietbaan en kantine om niet aan de schietvereniging ter beschikking is gesteld onder voorwaarde dat de eigenaar (belanghebbende) gebruik mag maken van de accommodatie voor zijn bedrijf.

Belanghebbende maakt ook daadwerkelijk gebruik van de accommodatie onder meer door de schietbanen te bezigen in het kader van zijn wapenherstelbedrijf.

Dit kan ook worden opgemaakt uit het taxatieverslag van 1 januari 1996 met de bevindingen van taxateur A. Deze vermeldt dat woning en werkruimtes in gebruik zijn bij de eigenaar (belanghebbende) en dat de schietbanen grotendeels in gebruik zijn bij een schietvereniging doch voor het andere gedeelte bij belanghebbende. Voor toepassing van de complexbepaling is niet noodzakelijk dat belanghebbende de belangrijkste gebruiker is. Indien een onroerende zaak in gebruik is bij twee gebruikers en één van die gebruikers is eigenaar dan mag de gemeente de aanslag onroerende-zaakbelastingen wegens feitelijk gebruik opleggen aan de eigenaar.

Namens belanghebbende

Belanghebbende is slechts bloot eigenaar van de schietbanen: deze zijn door de schietvereniging opgericht op zijn grond en vervolgens door hem om niet aan haar in gebruik gegeven. In feite bedraagt de huur voor de schietbanen 1/20 gedeelte van de oprichtingskosten.

De onroerende zaak a-weg 3 bestaat eveneens uit schietbanen.

Belanghebbende mag wel van de schietbanen gebruik maken doch maakt daar slechts incidenteel gebruik van. Als hij van de banen gebruik maakt doet hij dat als lid van de vereniging.

De schietclub heeft veel leden; daaronder bevinden zich ook oud-leden van een schietvereniging in Q.

Hij is ondernemer/uitvinder van beroep en werkt vanuit zijn woning. In zijn wapenherstelbedrijf herstelt hij alleen wapens voor leden van de vereniging Als hij wapens uitprobeert op de schietbanen doet hij dat ook als lid van de vereniging en niet als wapenhersteller. Hij is de enige die de wapens kan herstellen omdat hij als enige beschikt over een daarvoor noodzakelijke vergunning. De garageboxen zijn ingericht als wapenherstelplaats.

Het komt er eigenlijk op neer dat hij twee petten op heeft met betrekking tot het gebruik van de schietbanen: hij gebruikt deze als lid van de vereniging en als wapenhersteller.

De schietvereniging is door hem in 1989 opgericht en hij is van meet af aan voorzitter geweest.

De banen staan permanent open voor de schietvereniging doch de vereniging bepaalt het gebruik daarvan. Er is een aantal WAO-ers dat overdag gebruik wil maken van de schietbaan.

De kantine wordt alleen geëxploiteerd ten behoeve van de schietclub en is alleen ’s avonds open. Overdag zijn er geen koffie- of theevoorzieningen. Hij is geen gebruiker van de kantine. Deze wordt door hem voor eigen rekening en risico geëxploiteerd doch hij had de kantine ook kunnen verpachten.

Er is weliswaar sprake van een complex maar nu belanghebbende niet als gebruiker van de schietbanen en de kantine kan worden aangemerkt kan niet worden gesproken van één onroerende zaak.

4.5. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak op het bezwaarschrift en tot veroordeling van B en W tot het doen van een nieuwe uitspraak op bezwaar met inachtneming van de aanwijzingen van dit Hof.

4.6. De Ambtenaar concludeert tot vernietiging van de uitspraak op het bezwaarschrift en tot vermindering van de aanslag onroerende-zaakbelastingen wegens gebruik tot een naar een waarde van ¦ 169.000,--.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. De Hoge Raad heeft belanghebbendes klachten die alle betrekking hebben op de waardevaststelling van de onroerende zaak of zaken verworpen. Op grond van artikel 25 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken blijft de aan dit Hof opgedragen behandeling en beslissing van de zaak beperkt tot het door de Hoge Raad in rechtsoverweging 4.3 van zijn arrest vermelde onderzoek, te weten of de aanslagen op één onroerende zaak dan wel op meer onroerende zaken betrekking hebben en kan de waarde van de onroerende zaak als zodanig niet nogmaals voorwerp vormen van feitelijk onderzoek.

5.2. Ingevolge het op artikel 220a, ten vierde van de Gemeentewet gebaseerde artikel 2, onderdeel d, van de Verordening onroerende-zaakbelastingen 1995 van de gemeente P, kan onder meer als één onroerende zaak worden aangemerkt een samenstel van twee of meer gebouwde of ongebouwde eigendommen dat bij dezelfde belastingplichtige in gebruik is en dat, naar omstandigheden beoordeeld, bij elkaar hoort.

5.3. Tussen partijen is niet in geschil dat de samenstellende delen van a-weg 1, te weten een woonhuis met dubbele garage, bedrijfsruimte, schietbanen en kantine naar de omstandigheden beoordeeld bij elkaar horen. Omdat het Hof niet is gebleken dat dit standpunt van partijen juridisch onjuist is, kan er alsdan van worden uitgegaan dat met betrekking tot a-weg 1 sprake is van een samenstel van twee of meer gebouwde of ongebouwde eigendommen.

5.4. Voor het antwoord op de vraag of de aanslagen met betrekking tot dit samenstel van de aan belanghebbende toebehorende eigendommen, betrekking hebben op één dan wel meer onroerende zaken in de zin van de onderhavige Verordening, is dan uitsluitend nog van belang het antwoord op de vraag of belanghebbende tevens als gebruiker van die eigendommen kan worden aangemerkt.

Anders de Ambtenaar blijkens zijn conclusie na verwijzing kennelijk meent komt daarbij geen betekenis toe aan het antwoord op de vraag of belanghebbende dan wel de schietvereniging als belangrijkste gebruiker van de schietbanen (en kantine) moet worden aangemerkt.

5.5. Uit de bepaling in de overeenkomst van 1 januari 1989 tussen belanghebbende en de schietvereniging dat het terrein met de daarop te bouwen schietbaan en kantine om niet aan de schietvereniging ter beschikking is gesteld onder voorwaarde dat belanghebbende gebruik mag maken van de accommodatie voor zijn bedrijf en de bevindingen van taxateur A zoals opgenomen in het taxatierapport van 25 april 1996, leidt het Hof het vermoeden af dat belanghebbende niet alleen als lid van de schietvereniging doch ook in andere hoedanigheid gebruik maakt van de schietbanen. Het ligt dan op de weg van belanghebbende dit vermoeden te ontzenuwen.

De omstandigheid dat de overeenkomst uit 1989 in augustus 1996 is vervangen door een nieuwe overeenkomst doet daaraan niet af, (a) omdat te dezen van belang is de toestand per 1 januari 1996 en (b) omdat de clausule dat de eigenaar (belanghebbende) van de accommodatie (schietbanen en kantine) gebruik mag maken voor zijn bedrijf weliswaar is vervallen doch is vervangen door de bepaling dat de eigenaar de kantine gedurende de gehele duur van de overeenkomst mag exploiteren.

5.6. Belanghebbende stelt dat hij als enige beschikt over een noodzakelijke vergunning om wapens te herstellen en in het kader van zijn aan huis uitgeoefende wapenherstelbedrijf de wapens uitprobeert op de schietbanen. Ook indien juist is dat belanghebbende zoals hij stelt slechts wapens herstelt voor de - naar hij tevens stelt talrijke - leden van de schietvereniging, brengt dit mee dat belanghebbende deze werkzaamheden verricht als ondernemer en de schietbanen derhalve in het kader van zijn onderneming bezigt en niet als lid van de vereniging.

Nu belanghebbende zelf aangeeft dat hij de schietbanen van a-weg 1 voor het uitproberen van de wapens gebruikt, komt aan de omstandigheid dat ook de onroerende zaak a-weg 3 uit schietbanen bestaat, geen betekenis toe.

5.7. Voorts exploiteert niet de vereniging doch belanghebbende de bij de schietbanen behorende kantine voor eigen rekening en risico, zodat ook met betrekking tot dat gedeelte van de onroerende zaak a-weg 1 kan worden gezegd dat belanghebbende niet als lid van de vereniging doch als ondernemer gebruik maakt van die accommodatie. Het feit dat de kantine alleen wordt geëxploiteerd ten behoeve van de schietclub en alleen ’s avonds is geopend doet daaraan niet af.

5.8. Aan de omstandigheid dat de schietbanen in beginsel permanent voor de leden geopend zijn en dat het gebruik van de schietbanen wordt bepaald door de vereniging komt in dezen niet de betekenis toe dat belanghebbende in feite niet - anders dan als lid van de vereniging - van de schietbanen gebruik kan maken. Doordat belanghebbende voorzitter is van de door hemzelf in 1989 opgerichte vereniging heeft hij het in ruime mate zelf in de hand op welke tijden hij de banen wil openstellen voor de leden en op welke tijden hij de banen vrij wil hebben voor eigen gebruik. De omstandigheid dat de kantine overdag niet in koffie en thee voorziet duidt er volgens het Hof ook op dat de leden overdag slechts op beperkte schaal van de accommodatie gebruik maken.

5.9. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende er niet in geslaagd het in 5.5 bedoelde vermoeden te ontzenuwen. Mitsdien moet belanghebbende niet alleen als gebruiker van het woonhuis met bedrijfsruimte worden aangemerkt doch ook als gebruiker van de schietbanen met kantine, in welk geval voor de toepassing van de onderhavige Verordening sprake is van één object.

5.10. B en W hebben bij de uitspraak op het bezwaarschrift, zij het op onjuist gebleken gronden met betrekking tot de objectafbakening, de heffingsgrondslag verminderd tot ƒ 130.000,--.

Uit het vorenstaande volgt dat de heffingsgrondslag waarnaar de aanslagen moeten worden opgelegd voor het gehele object, rekening houdend met de na cassatie niet meer in geschil zijnde vermindering door het Gerechtshof Leeuwarden met ƒ 10.000,-- had moeten worden vastgesteld op ƒ 169.000,--. Aan het Hof komt echter niet de bevoegdheid toe de heffingsgrondslag op een hoger bedrag vast te stellen dan B & W (in hun uitspraak) hebben gedaan. Vernietiging van de uitspraak op deze grond dient derhalve achterwege te blijven.

5.11. Het beroep is ongegrond, en de uitspraak op het bezwaarschrift moet, wat er ook zij van de motivering en de bij de uitspraak verminderde heffingsgrondslag, worden bevestigd.

Proceskosten

Nu B en W respectievelijk de Ambtenaar sedert het opleggen van de aanslagen hun standpunt respectievelijk zijn standpunt hebben/heeft gewijzigd, en daardoor de vereiste duidelijkheid voor belanghebbende ontbrak, acht het Hof termen aanwezig de Ambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van zijn beroep bij dit Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof stelt deze kosten vast op 1,5 punten maal ƒ 710,-- maal wegingsfactor 0,25 ofwel ƒ 266,25.

Beslissing

Het Gerechtshof

bevestigt de uitspraak van B en W waarvan beroep;

- bepaalt de door de Ambtenaar te betalen tegemoetkoming in belanghebbendes proceskosten op ¦ 266,25, te vergoeden door de gemeente P.

Aldus gedaan te Arnhem op 17 januari 2001 door mr J.B.H. Roben, voorzitter, mrs M.C.M. de Kroon en J.P.M. Kooijmans, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr R. den Ouden fiscaal jurist en N.Th Wagener als griffier.

(N.Th. Wagner) (J.B.H. Röben)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 17 januari 2001

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.