Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2001:AA9614

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
03-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/01028
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem.

Derde meervoudige belastingkamer

nummer 99/01028

Uitspraak

op het beroep van X BV te Z, (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Belastingdienst/Ondernemingen P (hierna: de Inspecteur), op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aan haar opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting 1996.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

1.1. De aanslag is gedagtekend 31 oktober 1998 en, in afwijking van de door belanghebbende ingediende aangifte, berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 107.927.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt en is op het bezwaar gehoord. Het verslag daarvan behoort tot de gedingstukken. De Inspecteur heeft de aanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 16 november 2000 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.5. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota moet als hier ingelast worden aangemerkt.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende, een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, oefende in het onderhavige jaar (1996) haar onderneming uit op het adres a-weg 4 te Z.

2.2. Met het oog op een uitbreiding van haar ondernemingsactiviteiten heeft belanghebbende op 16 december 1996 de onroerende zaak, gelegen aan a-weg 6 te Z, aangekocht. Deze onroerende zaak bestond uit een perceel grond van 1295 m² met daarop een opstal, bestaande uit twee deels tegen elkaar gelegen bedrijfshallen (op één van de tekeningen die tot de stukken behoren opslagruimte-1 en opslagruimte-2 genoemd) en een kantoor met entree en toilet. De koopsom, inclusief de kosten van overdracht, bedroeg ƒ 277.643.

2.3. De percelen a-weg 4 en 6 zijn naast elkaar gelegen. Door een bocht in a-weg is de situatie ter plaatse aldus dat de achterzijde van nummer 6 grenst aan de rechterzijde van nummer 4. Na aankoop heeft belanghebbende de beide opstallen met elkaar verbonden door middel van een tussen de beide bestaande opstallen gerealiseerde nieuwbouw. Tegen één van de gevels van opslagruimte-1 is een nieuwe opslagruimte voor verf gesticht. De aanpassingen aan de onroerende zaak a-weg 6 bestonden uit:

a. het verwijderen van één, uit damwanden bestaande, zijgevel van opslagruimte-1 over een lengte van ongeveer 28 meter waardoor deze opslagruimte tezamen met de vorengenoemde nieuwbouw één ruimte ging vormen; de in de damwand opgenomen staanders ten behoeve van de dakconstructie zijn deels verwijderd, en deels, op de bestaande fundering, vervangen door nieuwe staanders;

b. het vervangen van de vloer in opslagruimte-1 (oorspronkelijk bestaande uit klinkers) door een 60 cm. lager gelegen betonnen vloer zodat het vloerpeil van die ruimte aansloot op het vloerpeil van de nieuwbouw;

c. het vervangen van de ongeveer 3 meter brede toegangsdeur van opslagruimte-1 door een 6 meter brede deur.

2.4. De hiervoor in 2.3. genoemde nieuwbouw, opslagruimte voor verf en aanpassingen hebben in 1997 en 1998 een investering door belanghebbende gevergd van in totaal ƒ 98.347.

2.5. Belanghebbende heeft aanvankelijk bij het doen van de aangifte voor het onderhavige jaar het standpunt ingenomen dat het gekochte pand a-weg 6, in verband met de noodzakelijke aanpassingen, voor haar onderneming een lagere bedrijfswaarde had dan het aan het pand toe te rekenen deel van de koopsom. Omdat aan opslagruimte-1 grote aanpassingen moesten worden gedaan en die opslagruimte ongeveer 60% van het bebouwde oppervlak uitmaakte nam zij het standpunt in dat 60% van de koopsom voor de opstal in 1996 als verloren moest worden beschouwd en in dat jaar als extra last ten laste van haar winst kon worden gebracht. Belanghebbende verwerkte de koopsom als volgt in haar administratie:

- waarde grond ƒ 58.275

- waarde opstal ƒ 87.748

- afwaardering i.v.m. lagere bedrijfswaarde ƒ 131.620

Totaal ƒ 277.643

In haar aangifte voor de vennootschapsbelasting 1996 nam belanghebbende in verband met deze aanschaf een investeringsaftrek op van 21% van ƒ 87.748.

2.6. De Inspecteur heeft in 1998 bij belanghebbende een deelonderzoek ingesteld in verband met de in de aangifte verwerkte afwaardering. Belanghebbende heeft zich vervolgens verenigd met het standpunt van de Inspecteur dat van de koopsom een deel, groot ƒ 71.225 (1295 m² à ƒ 55), kan worden toegerekend aan de gekochte grond. Alsdan resteert voor de opstal een bedrag van ƒ 206.418. De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag het standpunt ingenomen dat 60% van het bedrag van ƒ 206.418 aan de grond moet worden toegerekend. Een en ander had bij aanslagregeling moeten leiden tot een correctie op de investeringsaftrek en een correctie van de in 2.5. genoemde afwaardering. Abusievelijk heeft de Inspecteur het belastbare bedrag echter als volgt vastgesteld:

volgens aangifte ƒ 10.743 negatief

correctie afwaardering ƒ 118.670

vastgesteld belastbaar bedrag ƒ 107.927

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil of een deel van de aanschafprijs van het door belanghebbende aangekochte pand aan de grond moet worden toegerekend, en zo ja welk deel.

3.2. Belanghebbende stelt zich in beroep op het standpunt dat het door haar in 1996 gekochte pand a-weg 6 in de daarop volgende jaren niet is gesloopt doch slechts is verbouwd en met de gerealiseerde nieuwbouw en het bestaande pand a-weg 4 is verenigd tot één geheel. Het pand is aangeschaft ten behoeve van een uitbreiding. Het was in principe geschikt voor haar bedrijfsuitoefening en heeft geen andere functie gekregen. Het pand moest wel bouwkundig worden aangepast om de aansluiting met de nieuwbouw en het pand a-weg 4 te kunnen realiseren. De aanschaffingskosten van de opstal, een bedrag van ƒ 206.418, moeten worden geactiveerd en gaan op in de kosten van het nieuwe geheel. Over dat deel van de aanschaffingskosten kan investeringsaftrek worden verleend.

3.3. De Inspecteur is van mening dat, nu blijkens het eerder door belanghebbende ingenomen standpunt 60% van de gekochte opstal is gesloopt, een gelijk gedeelte van de waarde van de opstal aan de grond moet worden toegerekend. Dat deel van de koopsom moet worden gezien als een offer voor het verwerven van de grond waarop de nieuwbouw kon worden gerealiseerd. Als grond en opstallen worden gekocht met het oogmerk die grond door middel van sloop van de opstallen vrij te maken voor (een pand dat wel geschikt is voor) de bedrijfsuitoefening, moet de boekwaarde van de gesloopte opstallen worden toegerekend aan de grond.

3.4. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting, naast het door belanghebbende in de pleitnota vermelde, nog het volgende toegevoegd.

3.4.1. Namens belanghebbende

3.4.1.1. Een verdeling van de investeringskosten van ongeveer ƒ 98.000 over aanpassingen van a-weg 6, de nieuwbouw en de nieuwe opslagruimte voor verf kan niet worden gegeven.

3.4.1.2. Wat van de aangekochte opstallen in stand zou blijven was vooraf bekend en gepland. Het overgebleven deel bleef een gebouw. Er is slechts verbouwd.

3.4.1.3. Als de waarde van het gesloopte opgaat in de grond wordt subsidiair het standpunt ingenomen dat die waarde opnieuw nader en nauwkeurig moet worden vastgesteld.

3.4.1.4. De onderhavige situatie is niet gelijk aan de casus in het arrest van de Hoge Raad BNB 1989/273. De verbouwing is niet zó ingrijpend geweest. Optisch is er nauwelijks iets gewijzigd.

3.4.2. Namens de Inspecteur

3.4.2.1. Belanghebbende heeft haar standpunt dat 60% is tenietgegaan nimmer verlaten. Zij kan die verdeling niet nu voor het eerst ter discussie stellen. De stelling dat aan het gesloopte minder dan 60% moet worden toegerekend is voorts niet nader onderbouwd.

3.4.2.2. Het aangekochte pand vormt één bedrijfsmiddel. Na de verbouwing vormt het met de andere opstallen één geheel.

3.4.2.3. De situatie is vergelijkbaar met de casus in het arrest van de Hoge Raad BNB 1989/273. Daar werd de aanschafwaarde ook gesplitst in een gedeelte dat werd toegerekend aan de ondergrond van het gekochte pand en een gedeelte dat werd toegerekend aan de bij de verbouwing in stand gebleven delen van het gebouw.

3.5. Belanghebbende concludeert primair tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vermindering van de aanslag tot een, berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 106.674. Zij heeft haar subsidiaire stelling niet cijfermatig onderbouwd en van een conclusie voorzien. De Inspecteur is van mening dat de opgelegde aanslag eerder te laag is dan te hoog en concludeert tot bevestiging van de uitspraak op het bezwaarschrift. Indien het primaire standpunt van belanghebbende wordt gevolgd stemt hij uit praktische overwegingen in met het door belanghebbende berekende belastbare bedrag.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de prijs die belanghebbende op 16 december 1996 betaalde voor de aanschaf van a-weg 6 een op zakelijke wijze tot stand gekomen prijs betrof die de werkelijke waarde van de onroerende zaak zoals die bestond ten tijde van de aankoop weergaf. Nu de onjuistheid daarvan niet is gebleken volgt het Hof partijen in hun standpunt dat aan de grond op het moment van aanschaf een waarde kan worden toegekend van ƒ 71.225, en aan het gebouw derhalve een waarde van ƒ 206.418.

4.2. Naar het oordeel van het Hof maakt belanghebbende aannemelijk dat zij ten tijde van de aankoop in december 1996 niet beoogde de grond vrij te maken om daarop, al dan niet met gebruikmaking van elementen van het oude gebouw, een nieuw gebouw te stichten. Het door belanghebbende op 16 december 1996 aangeschafte pand en de (onder)grond moeten als één bedrijfsmiddel worden beschouwd dat voor de aanschafwaarde moet worden geactiveerd. Voor zover de aanschafprijs kan worden toegerekend aan de opstal komt belanghebbende voor investeringsaftrek in aanmerking.

4.3. Het oordeel onder 4.2. wordt niet anders doordat belanghebbende in 1997 en 1998 verbouwingen aan het pand heeft uitgevoerd, en het pand door het realiseren van nieuwbouw met het reeds bij belanghebbende in gebruik zijnde pand a-weg 4 tot één gebouw heeft samengevoegd. Het Hof acht het standpunt van belanghebbende dat het pand a-weg 6 in stand is gebleven en dat de kostprijs ervan in zijn geheel is opgegaan in het nieuw tot stand gekomen gebouw, juist.

4.4. Het Hof komt tot zijn hiervoor in 4.2. en 4.3. vermelde oordelen op grond van de volgende uit de stukken blijkende en door belanghebbende nader toegelichte feiten en omstandigheden:

a. Uit de overgelegde bouwtekeningen blijkt dat een groot gedeelte van het pand a-weg 6 in stand is gebleven. De opslagruimte-2 en het kantoorgedeelte met entree en toilet zijn niet gewijzigd. De voorgevel en de twee zijgevels van het pand a-weg 6 met een totale lengte van ongeveer 65 meter, alsmede de binnenmuren zijn (nagenoeg) ongewijzigd gebleven. Uit de bouwtekening blijkt dat het dak eveneens gelijk is gebleven, zij het dat er voor de aansluiting op de gerealiseerde nieuwbouw met een hoger dak een voorziening is getroffen.

b. De investeringen die belanghebbende in 1997 en 1998 heeft gedaan beliepen een bedrag van ongeveer ƒ 98.000. Hoewel belanghebbende geen duidelijkheid heeft kunnen verschaffen omtrent de verdeling van dit bedrag over de nieuwbouw die de verbinding vormt tussen de panden a-weg 6 en 4, de nieuwe opslagruimte voor verf en de verbouwingen aan het pand a-weg 6, acht het Hof aannemelijk, mede gelet op de onder de feiten opgenomen omvang en omschrijving daarvan (de Inspecteur heeft een en ander onvoldoende weersproken), dat sprake is geweest van een geringe verbouwingsinvestering, zowel in absolute zin als in relatieve zin ten opzichte van de aanschafwaarde van het pand.

4.5. Aan het vorenstaande doet, anders dan de Inspecteur heeft gesteld, niet af dat belanghebbende bij het doen van de aangifte en tijdens een door de Inspecteur ingesteld onderzoek - ter verdediging van de in 2.5. omschreven afwaardering - het standpunt innam, dat sprake was van sloop van een gedeelte van het pand en het daarmee gepaard gaande verlies van 60% van de waarde daarvan.

5. Conclusie

Gelet op het vorenstaande is het gelijk aan belanghebbende. Voor dat geval is niet in geschil dat het belastbare bedrag moet worden vastgesteld op ƒ 106.674.

6. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van haar beroep voor het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Daarbij kent het Hof gewicht toe aan de omstandigheid dat de uitkomst van deze procedure van belang is voor de bepaling van de hoogte van de afschrijvingen in de toekomst. Het Hof stelt de kosten vast op 2 (proceshandelingen) maal ƒ 710 maal wegingsfactor 1 in verband met het belang ofwel op ƒ 1.420 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

7. Beslissing

Het Gerechtshof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Inspecteur waarvan beroep;

- vermindert de aanslag tot een, berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 106.674;

- gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht van ƒ 85, en

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van ƒ 1.420 en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de kosten moet vergoeden.

Aldus gedaan te Arnhem op 3 januari 2001 door mr. J.B.H. Röben als voorzitter, mr. M.C.M. de Kroon en mr. J.P.M. Kooijmans, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. R. den Ouden, fiscaal jurist, en N.Th. Wagener als griffier.

(N.Th. Wagener) (J.B.H. Röben)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 3 januari 2001

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien u na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.