Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2000:AF0528

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
26-09-2000
Datum publicatie
08-08-2006
Zaaknummer
2000/471
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tijdens verhoor bij rechtercommissaris kan deze niet als rechtbank de beëindiging behandelen en uitspraak doen.

Desondanks beëindiging nu saniet zijn uit de schuldsaneringsregeling voorvloeiende verplichtingen niet naar behoren is nagekomen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof te Arnhem

Arrest

in de zaak van:

X.

wonende te P.,

appellant,

procureur: mr. J. Zandberg.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank te Zutphen van 22 augustus 2000, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij het ter griffie van het hof op 29 augustus 2000 ingekomen beroepschrift is appellant (hierna te noemen: X.) in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis, waarbij op advies van de rechter-commissaris de schuldsaneringsregeling ten aanzien van X. in beëindigd en waarbij in het faillissement van X. dat van rechtswege intreedt met ingang van de datum dat het vonnis in kracht van gewijsde zal zijn gegaan, tot rechter-commissaris is benoemd mr. D. Vergunst en tot curator mr. W.H.A. Buiting.

2.2 Bij voormeld beroepschrift heeft X. het hof verzocht het vonnis van 22 augustus 2000 te vernietigen en over te gaan tot het aanwijzen van een andere bewindvoerder, met ontslag van de huidige bewindvoerder in de schuldsaneringsregeling van X..

2.3 Het hof heeft kennis genomen van de overige bij het beroepschrift behorende stukken, alsmede van de op 15 september 2000 ter griffie van het hof ontvangen brief van die datum met bijlagen van mr W.H.A. Buiting, bewindvoerder.

2.4 De mondelinge behandeling is bepaald op 14 september 2000 en is op verzoek van de procureur van X. verplaatst. Vervolgens heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden op 18 september 2000, waarbij X is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn procureur. De bewindvoerder mr. W.H.A. Buiting is eveneens in persoon verschenen.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1 Het beroep is tijdig ingesteld.

3.2 Bij vonnis van de rechtbank te Zutphen van 8 juni 1999 is het faillissement van X. opgeheven, onder gelijktijdige uitspraak van de definitieve toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van X.. Tot rechter-commissaris in de schuldsaneringsregeling is mr. D. Vergunst benoemd en tot bewindvoerder mr. W.H.A. Buiting. Bij brief van 21 juli 2000 van de griffier van de rechtbank te Zutphen is X. namens de rechter-commissaris opgeroepen op 22 augustus 2000 voor de rechter-commissaris te verschijnen, teneinde inlichtingen te verschaffen omtrent de gang van zaken met betrekking tot de schuldsaneringsregeling. Vervolgens is blijkens het vonnis van de rechtbank te Zutphen van 22 augustus 2000 tijdens het verhoor op 22 augustus 2000 door de rechter-commissaris mr. D. Vergunst aan de rechtbank geadviseerd c.q. voorgedragen de schuldsaneringsregeling te beëindigen en is meteen tijdens dezelfde behandeling de beëindiging van de schuldsaneringsregeling uitgesproken door mr. D. Vergunst voornoemd, nu in zijn hoedanigheid van lid van de rechtbank. Mede gelet op de tekst van artikel 350 lid 1 Faillissementswet is het van belang onderscheid te maken tussen enerzijds de rechter-commissaris, die een voordracht tot een beëindiging van de schuldsaneringsregeling kan doen, en anderzijds de rechtbank, die de schuldsaneringsregeling op die voordracht kan beëindigen. Voorts dient de rechtbank alvorens te beslissen ingevolge het tweede lid van voornoemd wetsartikel de schuldenaar op te roepen, teneinde deze over de beëindiging te horen.

In het onderhavige geval is X. ex artikel 327 Faillissementswet juncto artikel 105 Faillissementswet door de rechter-commissaris opgeroepen om inlichtingen te verschaffen over het verloop van de schuldsaneringsregeling, naar aanleiding van een brief van de bewindvoerder aan de rechter-commissaris van 17 juli 2000 waarin deze - kort gezegd - bericht dat X. zijn afspraken niet nakomt en niet van zich laat horen, dat wellicht een faillissementsverhoor enig soulaas kan bieden en dat de schuldsanering op deze wijze geen enkele zin heeft.

Gelet op het hierboven overwogene is voldoende aannemelijk geworden dat X. door deze gang van zaken is benadeeld in zijn voorbereiding op de behandeling ter terechtzitting, nu hij er vanuit mocht gaan dat het om een inlichtingengesprek met de rechter-commissaris zou gaan, en niet (tevens) om een behandeling bij de rechtbank over de beëindiging van de toepassing van de schuldsanering. Voorts zijn de belangen van de X. geschaad, doordat de rechter-commissaris de voordracht tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling en vervolgens tijdens dezelfde behandeling ter zitting zijn rol van rechter-commissaris heeft verwisseld in die van enkelvoudige kamer van de rechtbank en in die laatste hoedanigheid heeft beslist dat de schuldsaneringsregeling wordt beëindigd. De eerste grief van X. treft derhalve doel. Evenwel is het gebrek dat kleeft aan de procedure in eerste aanleg door de procedurein hoger beroep hersteld nu X. zich in de onderhavige procedure, met juridische bijstand, voldoende heeft kunnen voorbereiden en verweren tegen de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. Zijn belang bij de grief is derhalve komen te vervallen.

3.3 Vervolgens dient de zaak inhoudelijk te worden beoordeeld.

Uit de processtukken (waaronder de brieven van de bewindvoerder aan X. d.d. 16 augustus 1999, 9 september 1999, 30 september 1999, 15 oktober 1999, 23 november 1999, 14 januari 2000, 6 maart 2000 en 8 juni 2000, alsmede de brief van de rechter-commissaris aan X. van 1 oktober 1999) en uit de behandeling door dit hof van 18 september 2000, is gebleken dat X. herhaaldelijk en ondanks herhaalde verzoeken daartoe, heeft nagelaten om de bewindvoerder inlichtingen te verschaffen en dat hij herhaaldelijk gemaakte afspraken niet is nagekomen. Zo heeft hij nagelaten de bewindvoerder inzicht te verschaffen in de kwestie rond de verschillende kentekenbewijzen die op zijn naam staan en over zijn verdiencapaciteit, waarbij het er met name om gaat of X. al dan niet naast zijn drie daagse werkweek bijverdient of kan bijverdienen.

Voorts acht het hof zwaarwegend dat X. zijn verdiencapaciteit heeft aangewend om, los van zijn dienstverband, onverplicht reparaties aan auto's van derden te verrichten zonder daarvoor een vergoeding te vragen, terwijl hij heeft nagelaten om zijn driedaagse dienstverband bij zijn werkgever uit te breiden om zo meer inkomsten te kunnen verwerven. De werkgever heeft volgens X. aangegeven dat hij hem graag fulltime in dienst zou hebben. Niet duidelijk is geworden waarom X., indien hij voor de resterende twee weekdagen arbeidsongeschikt zou zijn zoals hij zelf stelt, niet voor een arbeidsongeschiktheiduitkering dan wel een uitkering uit andere hoofde in aanmerking zou komen. Niet gebleken is dat hij ter zake een aanvraag bij een uitkeringsinstantie heeft ingediend. Ook heeft X. geen verklaring van een arts overlegd, waaruit zou kunnen blijken dat hij niet in staat is meer te werken dan drie dagen per week. X. komt door deze handelswijze zijn verplichting om inkomsten ten behoeve van de boedel te verwerven onvoldoende na, te meer daar zijn inkomsten beneden de op hem toepasselijke bijstandsnorm liggen.

Ook van belang is dat eerst ter voornoemde terechtzitting van 18 september 2000 aan de bewindvoerder bleek dat X. een levensverzekering aanhoudt waarvoor hij f 276,44 per maand aan premie betaalt en dat hij een auto met de gebruikelijke kosten daarvan heeft. Gelet op voormelde omstandigheden is het hof van oordeel dat X. zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet na behoren is nagekomen.

3.4 Daarnaast is het hof van oordeel dat X. bovenmatig schulden heeft doen of laten ontstaan, doordat hij premies levensverzekering betaalt en een auto rijdt (waarvan de noodzaak niet is gebleken) waarvoor hij kosten maakt, terwijl hij deze gelden had kunnen aanwenden om crediteuren te betalen. Ook heeft hij verkeersovertredingen begaan waarvoor hij boetes verschuldigd is en er onnodig vorderingen van de belastingdienst in verband met te weinig betaalde motorrijtuigenbelasting ontstaan.

3.5 Alles overziende is het hof van oordeel dat het hoger beroep van X. dient te worden afgewezen. Derhalve zal het vonnis waarvan beroep wordt bekrachtigd.

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigd het vonnis van de rechtbank te Zutphen van 22 augustus 2000.

Dit arrest is gewezen door mrs. Steeg, Van Wijland-Kalkman en Hilverda en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 september 2000.