Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2000:AE9784

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
08-06-2000
Datum publicatie
08-08-2006
Zaaknummer
2000/273
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet voldoen aan informatieplicht vormt grond voor tussentijdse beëindiging; ontruiming vormt geen excuus.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Gerechtshof te Arnhem

eerste civiele kamer

Arrest

in de zaak van:

X.

wonende te P.,

appellante,

procureur: mr. J.M.J. Huver.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank te Almelo van 10 mei 2000, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij het ter griffie van het hof op 17 mei 2000 ingekomen beroepschrift, is appellante (hierna te noemen: X. ) in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis waarbij de toepassing van de schuldsaneringsregeling is beëindigd en waarin met ingang van de dag waarop deze uitspraak in kracht van gewijsde zal zijn gegaan in het faillissement van X. mr. R. Wilderink tot curator en mr. M.M. Verhoeven tot rechter-commissaris zijn benoemd.

2.2 Bij voormeld beroepschrift heeft zij het hof verzocht het voormelde vonnis te vernietigen en te bepalen dat de schuldsaneringsregeling op haar van toepassing blijft.

2.3 Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een schriftelijk verslag van mr. R. Wilderink, bewindvoerder; van 23 mei 2000.

2.4 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 juni 2000, waarbij X. is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. J. Dijkman, advocaat te Almelo. De bewindvoerder is verschenen.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1 Het beroep is tijdig ingesteld.

3.2 Bij vonnis van 1 maart 2000 heeft de rechtbank te Almelo de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van X. Op voordracht van de rechter-commissaris, mr. Verhoeven, voornoemd, heeft de rechtbank bij vonnis van 10 mei 2000 de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd.

3.3 X. heeft in haar beroepschrift aangegeven dat zij inderdaad heeft nagelaten de door de bewindvoerder gevraagde informatie te verschaffen. Zij voert echter aan dat zij kort nadat de schuldsaneringsregeling op haar van toepassing was verklaard, uit haar woning werd gezet en sindsdien geen vaste woon- en verblijfplaats heeft gehad. Zij stelt echter op eerste verzoek bereid te zijn de gevraagde informatie te verschaffen.

3.4 Het hof is van oordeel dat het verzoek van X. om de toepassing van de schuldsaneringsregeling te laten voortduren, dient te worden afgewezen. Het hof overweegt daartoe het volgende. Uit de stukken, het behandelde ter zitting en het verslag van de bewindvoerder is gebleken dat de bewindvoerder in zijn eerste gesprek met X. op 6 maart 2000 en in een later telefonisch gesprek met haar uitdrukkelijk om een staat van inkomsten en uitgaven heeft verzocht. Daarnaast heeft de bewindvoerder in een - bij zijn brief van 22 maart 2000 bevestigd - telefonisch gesprek met mr. Dijkman op 21 maart 2000 nogmaals om een financieel overzicht van haar inkomsten en uitgaven verzocht en aangegeven dat dit uiterlijk het einde van de daaropvolgende week in zijn bezit diende te zijn. Desgevraagd heeft X. ter mondelinge behandeling aangegeven dat de verzoeken om informatie haar duidelijk waren. Niettemin heeft zij tot 10 mei 2000 niet aan de verzoeken gehoor gegeven. De door haar als excuus aangevoerde ontruiming van haar woning op 12 maart 2000 en de daarmee gepaard gaande verhuizing en opslag van haar inboedel kunnen dit nalaten niet rechtvaardigen of verontschuldigen. Uit het voorgaande vloeit voort dat zij een of meer van haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren is nagekomen. Het hof zal derhalve het vonnis van de rechtbank te Almelo van 10 mei 2000 bekrachtigen.

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Almelo van 10 mei 2000.

Dit arrest is gewezen door mrs. Houtman, Groen en Hilverda en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 juni 2000.