Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2000:AE9772

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
11-05-2000
Datum publicatie
08-08-2006
Zaaknummer
2000/216
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beter onderzoek door rechtbank bij toelating schuldsaneringsrtegeing had de voorkeur verdiend; desondanks tussentijds beëindigd, nu blijkt dat sanieten onbehoorlijke administratie hebben gevoerd, met sterk vermoeden van zwart inkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Gerechtshof te Arnhem

eerste civiele kamer

Arrest

in de zaak van:

1. X en

2. Y.,

beiden wonende te P.,

appellanten,

procureur: mr. J.H. Schaap.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank te Almelo van 12 april 2000, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij het ter griffie van het hof op 19 april 2000 per fax en op 20 april 2000 per gewone post ingekomen beroepschrift, zijn appellanten (hierna te noemen X. en Y. ) in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis, waarbij op voordracht van de rechter-commissaris de toepassing van de schuldsaneringsregeling is beëindigd.

2.2 Bij voormeld beroepschrift hebben zij het hof verzocht het voormelde vonnis te vernietigen en te bepalen dat de schuldsaneringsregeling op hen van toepassing blijft.

2.3 Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een schriftelijk verslag van de bewindvoerder, mr. W.B. Brusse, advocaat te Almelo, van 27 april 2000.

2.4 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 mei 2000, waarbij X. en Y. zijn verschenen in persoon, bijgestaan door mr. B.A.M. Oude Breuil, advocaat te Enschede. De bewindvoerder is niet verschenen.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1 Het beroep is tijdig ingesteld.

3.2 Bij vonnissen van de rechtbank te Almelo van 5 januari 2000 is de schuldsaneringsregeling op X. en Y. van toepassing verklaard. De rechtbank heeft bij vonnis van 12 april 2000 de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd. De daarvoor gegeven motivering luidt: "X. heeft omtrent de wijze waarop de opgelegde belastingaanslag tot stand is gekomen bij de behandeling van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling niets medegedeeld. Ware dit feit bij die behandeling bekend geweest, dan had de rechtbank de verzoeken van X. en zijn echtgenote om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen op grond van artikel 288 lid 2 onder b van de Faillissementswet."

3.3 X. en Y. hebben zich in hun beroepschrift op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrecht; heeft overwogen dat zij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw zijn geweest. Hun betoog spitst zich er op toe dat het enkele niet (voldoende) afdragen van loonbelasting aan de fiscus nog niet betekent dat zij niet te goeder trouw zijn geweest bij het ontstaan van de schuld. Voorts voeren zij aan dat zij in het kader van de toelating tot de schuldsaneringsregeling hebben aangegeven dat er een schuld aan de Belastingdienst bestond en dat zij het niet eens waren met de opgelegde aanslagen en boetes. Zij verwijten de rechtbank dat zij de bewindvoerder niet heeft gelast een nader onderzoek in te stellen, maar dat zij zonder meer is overgegaan tot het uitspreken van de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.

3.4 Naar het oordeel van het hof zou het de voorkeur hebben verdiend boven de huidige gang van zaken; indien de rechtbank - gelet op de in het "overzicht schulden" vermelde schuldeisers, de aard en de omvang van de schulden (onder meer een schuld aan de Belastingdienst met betrekking tot de jaren 1998 en 1999 van f 592.142,-- en de schuld aan GAK Nederland BV met betrekking tot premie betalingen en boetenota's over de periode 1994 tot en met 1998 van f 102.474,92) - bij de beoordeling van de vraag of de schuldsaneringsregeling (definitief) zou moeten worden toegepast een (nader) onderzoek had laten verrichten naar (de wijze van het ontstaan van) de desbetreffende schulden. Het achterwege blijven van een onderzoek en het vervolgens toelaten van X. en Y. tot de schuldsaneringsregeling, laat echter onverlet dat in een later stadium alsnog kan worden getoetst of de toelating tot de schuldsaneringsregeling terecht heeft plaatsgevonden. Dit volgt uit de aard en de strekking van de schuldsaneringsregeling. Deze thans aan het hof voorgelegde toetsing valt uit in het nadeel X. en Y. Uit de in het geding gebrachte stukken blijkt dat een verregaande onbehoorlijke administratie is gevoerd en dat er daarnaast een sterk vermoeden bestaat dat er zwarte inkomsten zijn genoten. Mèt de rechtbank is het hof van oordeel dat deze feiten aanleiding zouden zijn geweest de verzoeken van X. en zijn echtgenote tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling af te wijzen op grond van artikel 288 lid 2 onder b van de Faillissementswet. Uit het voorgaande vloeit voort dat de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien X. en Y. terecht heeft beëindigd. Het hof zal derhalve het vonnis van de rechtbank te Almelo van 12 april 2000 bekrachtigen.

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Almelo van 12 april 2000.

Dit arrest is gewezen door mrs. Houtman, Van Wijland-Kalkman en Smeeïng-Van Hees en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 mei 2000.