Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2000:AE9767

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
04-05-2000
Datum publicatie
08-08-2006
Zaaknummer
2000/182
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schulden in verband met onvoldoende boekhouding zijn niet te goeder trouw, desondanks toepassing van de schuldsaneringsregeling omdat verzoekers serieus hebben getracht hun schulden af te lossen en inmiddels meer dan de helft hebben afgelost.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Gerechtshof te Arnhem

eerste civiele kamer

Arrest

in de zaak van:

1.X. en

2.Y.

beiden wonende te P.,

appellanten,

procureur: mr. J.A.M. Heijnen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank te Arnhem van 27 maart 2000, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij het ter griffie van het hof op 4 april 2000 ingekomen beroepschrift, zijn appellanten (hierna te noemen: Y. en X. ; in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis, waarbij hun verzoeken tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zijn afgewezen.

2.2 Bij voormeld beroepschrift hebben zij het hof verzocht het voormelde vonnis te vernietigen en de schuldsaneringsregeling op hen van toepassing te verklaren.

2.3 Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder het conceptrapport van de Belastingdienst/Ondernemingen Arnhem (hierna te noemen: de Belastingdienst), opgesteld door F.W. de Ruyter, controle medewerker, van 18 november 1998.

2.4 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 april 2000 alwaar niemand is verschenen. De mondelinge behandeling is als toen aangehouden en voortgezet op 1 mei 2000, waarbij Y. en X. zijn verschenen in persoon, bijgestaan door mr. R.F. Dirkzwager, advocaat te Meppel.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1 Het beroep is tijdig ingesteld.

3.2 Y. en X. stellen zich in hun beroepschrift op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij ten aanzien van het ontstaan van hun schulden niet te goeder trouw zijn geweest. Ter onderbouwing van hun betoog voeren zij aan dat de administratie van het bedrijf van X. - bij het ontbreken van eigen deskundigheid - in overleg met Hessing Administraties te Arnhem, hun boekhouder tot en met 1996, is gevoerd, die tevens heeft zorggedragen voor de boekhoudkundige verwerking. Volgens Y. en X. waren er voor hen geen redenen om aan de juistheid van hun boekhouding te twijfelen. Ter weerlegging van hetgeen in het conceptrapport van de Belastingdienst is vermeld, stellen zij dat de - voor het kasboek van bijna ieder ander bedrijf - gebruikelijke stukken ten behoeve van de kasadministratie aanwezig waren en dat gegevens met betrekking tot voorraadlijsten en de post crediteuren ontbraken als gevolg van een inbraak; de daardoor ontstane onvolledigheid van gegevens is hen derhalve niet aan te rekenen. Tevens menen zij dat de Belastingdienst bij de winstberekening geen rekening heeft gehouden met bepaalde factoren (zoals het zijn van een startende onderneming, de voorraden, gevoerde speciale acties en plaatsgevonden uitverkopen). Naar hun mening heeft de fiscus, gelet op de gedeeltelijke kwijtschelding van de opgelegde boetes, geen kwade trouw aangenomen ten aanzien van het ontstaan van de fiscale schulden. Tevens voeren zij aan dat zij veel moeite hebben gedaan om met hun overige crediteuren tot een minnelijke regeling te komen. Zij stellen over een periode van ruim twee jaar een bedrag van ongeveer f 105.000,-- van hun schulden te hebben afgekocht.

3.3 Het hof is van oordeel dat het verzoek van Y. en X. om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling alsnog dient te worden toegewezen. Het hof overweegt daartoe het volgende. Het hof stelt voorop dat uit de stukken en het behandelde ter zitting is gebleken Y. en X. verwijtbaar hebben gehandeld door zonder voldoende inzicht in hun financiële positie, ondernemingsactiviteiten uit te oefenen zodat er een situatie is ontstaan met veel schulden. X. als onderneemster en Y. als degene die de administratie voerde, dienden inzicht te hebben in de bedrijfsvoering en in het bijzonder de inkomsten en uitgaven (en het daaruit voortvloeiende resultaat) van het bedrijf. Dat dit inzicht bij hen ontbrak is tevens bevestigd door hetgeen is vermeld in het concept-rapport van de Belastingdienst. Gelet op het voorgaande, is het aannemelijk geworden dat zij bij het ontstaan van hun schulden niet te goeder trouw zijn geweest. Het hof is echter van oordeel dat er, ondanks de aanwezigheid van deze facultatieve afwijzingsgrond, redenen zijn om in dit specifieke geval de schuldsaneringsregeling op hen van toepassing te verklaren. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat Y. en X. serieus getracht hebben om hun schulden - die alle zijn ontstaan ten tijde van de bedrijfsvoering - af te lossen dan wel af te kopen. Zij zijn er in geslaagd om een minnelijke regeling te treffen met een aantal van hun schuldeisers, hetgeen geresulteerd heeft in de afkoop van die schulden, waardoor hun totale schuldenlast met een bedrag van f 105.000,-- is verminderd, zijnde meer dan de helft van de schuldenlast. Het hof neemt tevens daarbij in aanmerking dat al hun schulden voortvloeien uit de periode van het voeren van het inmiddels beëindigde bedrijf. Dat alles maakt dat het hof de verzoeken zal toewijzen. Het hof zal derhalve het vonnis van de rechtbank te Arnhem van 27 maart 2000 vernietigen en de verzoeken van Y. en X. om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling toewijzen.

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank te Arnhem van 27 maart 2000 en, opnieuw rechtdoende:

spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van beide appellanten.

Dit arrest is gewezen door mrs, Houtman, Smeeïng-Van Hees en Groen en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 mei 2000.