Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2000:AE9749

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
24-02-2000
Datum publicatie
08-08-2006
Zaaknummer
2000/077
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijwilligerswerk mag, maar niet ten koste van schuldeisers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Gerechtshof te Arnhem

Arrest

In de zaak van:

X.

Wonende te P.

Appellant,

Procureur: mr F.J. Boom.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de inhoud van het vonnis van de rechtbank te Zutphen van 1 februari 2000, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij het ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift op 7 februari 2000 is appellant, verder te noemen: X. in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis, waarbij zijn verzoek tot definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen.

2.2 Hij voormeld beroepschrift heeft X. het hof verzocht het voormelde vonnis te vernietigen en de schuldsaneringsregeling alsnog op hem van toepassing te verklaren.

2.3 Het hof heeft kennis genomen van de overige stukken, waaronder een schriftelijk verslag van mr H. Oosterhuis, bewindvoerder, van 17 februari 2000.

2.4 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 februari 2000, waarbij X. is verschenen in persoon, bijgestaan door mr J.J. Douwes, advocaat te Apeldoorn. De bewindvoerder heeft laten weten verhinderd te zijn om te verschijnen.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1 Het beroep is tijdig ingesteld.

3.2 X. betwist in hoger beroep het oordeel van de rechtbank dat hij ten aanzien van het ontstaan van zijn schulden niet te goeder trouw is geweest aangezien hij het afgelopen jaar zeer hoge schulden zou hebben laten ontstaan die het gevolg zouden zijn van zijn vrijwilligerswerkzaamheden uit ideële motieven ten behoeve van dak- en thuislozen te Apeldoorn. Volgens hem is het grootste deel van de schulden al eerder ontstaan, maar zijn door de beëindiging van zijn uitkering krachtens de Algemene bijstandswet, per 1 augustus 1999, alleen zijn schulden uit vaste lasten verder opgelopen en heeft hij niet meer kunnen voldoen aan zijn betalingsverplichtingen. Momenteel loopt nog een procedure met betrekking tot zijn bezwaar tegen de beëindiging van zijn bijstandsuitkering.

3.3 Het hof is van oordeel dat het verzoek van X. om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling dient te worden afgewezen. Het hof overweegt daartoe het volgende. Uit de stukken, het behandelde ter zitting en het verslag van de bewindvoerder is duidelijk geworden dat de eerdergenoemde vrijwilligerswerkzaamheden een (meer dan) volledige dagtaak van X. in beslag nemen en dat hij tot 1 augustus 1999 via een loonbeslag zijn schulden afbetaalde. Na deze datum hebben geen aflossingen op zijn schulden meer plaatsgevonden. X. heeft ter mondelinge behandeling aangegeven nog steeds alleen in de ideële sfeer te werken en daarin te willen blijven werken omdat dit voor hem een principiële zaak betreft.

Hoewel de stopzetting van zijn bijstandsuitkering op 1 augustus 1999 voor X. mogelijk op een onverwacht moment is gekomen, had het op zijn weg gelegen om op een ander gebied dan die van zijn huidige activiteiten - bijvoorbeeld van zijn vroegere beroep als elektromonteur - inspanningen te verrichten teneinde inkomsten te verwerven en daarmee zijn schulden af te betalen. Het staat hem vrij om uit ideële motieven werkzaamheden te verrichten, doch deze dienen niet ten koste te gaan van zijn schuldeisers. Dat alles maakt dat hij in ieder geval sinds 1 augustus 1999 ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden niet te goeder trouw is. Het bestreden vonnis zal derhalve worden bekrachtigd. Dat leidt ertoe dat het verzoek van X. om alsnog te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling niet toewijsbaar is.

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Zutphen van 1 februari 2000.

Dit arrest is gewezen door mrs Houtman, Smeeïng-van Hees en Groen en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 februari 2000.