Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2000:AD8900

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
11-01-2000
Datum publicatie
11-10-2004
Zaaknummer
21-001839-99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diefstal in vereniging met geweld (driemaal gepleegd); 1.)op de openbare weg, 2.) in woning tegen bejaarden en hun dochter in bijzijn van jeugdige kleinkinderen, 3.) in een kantoor.

6 jaar gevangenisstraf + schadevergoedingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-001839-99

Uitspraak dd.: 11 januari 2000

TEGENSPRAAK

GERECHTSHOF TE ARNHEM

meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Zwolle van 5 augustus 1999 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te Curaçao (Nederlandse Antillen) 1966,

thans verblijvende in het huis van bewaring te Arnhem.

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 28 december 1999 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich niet met het vonnis, waarvan beroep, zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat telastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair telastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat:

1. Hij op 23 februari 1999 in de gemeente Almere tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag van ongeveer fl. 600,-, een mobiele telefoon en een sleutelbos, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/ of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, voorwerp heeft/ hebben gericht op die [slachtoffer] heeft gedwongen in een auto te gaan zitten;

2. hij op 25 maart 1999 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen enig geldbedrag en een hoeveelheid sieraden en drie (mobiele) telefoons, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/ of [slachtoffer], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen vernoemde [slachtoffer] en [slachtoffer] en [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte en/ of zijn mededaders, terwijl hij, verdachte zijn gezicht had bedekt met een bivakmuts,

pistolen, althans op dergelijke wapens gelijkende voorwerpen hebben gericht op [slachtoffer] en [slachtoffer] en [slachtoffer] en

voornoemde [slachtoffers] hebben gedwongen op de grond te gaan liggen en de handen van die [slachtoffers] (met tape en/ of telefoonsnoer) hebben vastgebonden en/ of die [slachtoffers] de woorden hebben toegevoegd: "waar is je geld, geld, geld, waar is je geld"en/ of "waar is de kluis", althans woorden van een dergelijke aard en strekking;

3. hij op 04 maart 1999 in de gemeente Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] en [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/ of aan zij mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte en/ of zijn mededaders een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft/ hebben gericht op die [slachtoffer] en/ of die[slachtoffer] en/ of die [slachtoffer] de woorden heeft/ hebben toegevoegd "Blijf rustig en ga zitten" en "Waar is het geld" of "Waar is de kluis", althans woorden van een dergelijke aard of strekking;

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is telastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven

ten aanzien van het onder 1 primair en 3 primair bewezenverklaarde:

telkens:

Diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

ten aanzien van het onder 2 primair bewezenverkaarde:

Diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Het hof acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Na een eis van negen jaar gevangenisstraf is verdachte in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar. De verdachte en de officier van justitie hebben daartegen hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte tot een gevangenisstraf van zeven jaar te veroordelen.

Het hof heeft in hoger beroep de opgelegde hoofdstraf bepaald op grond van de ernst

van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken feiten en omstandigheden in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich met twee anderen schuldig gemaakt aan een drietal gewelddadige overvallen, waarbij steeds een der daders op voor de slachtoffers bedreigende wijze een pistool of een daarop gelijkend voorwerp heeft gehanteerd.

De eerste overval werd op de openbare weg uitgevoerd tegen een slachtoffer dat de daders daartoe voor zijn huis hadden opgewacht. Feitelijk geweld is toen niet aangewend, maar wel werd het slachtoffer gedwongen in zijn eigen auto met twee overvallers weg te rijden naar een door dezen aangegeven plaats waar zij hem hebben alleen gelaten. De aan de overval verbonden dreiging werd daardoor uitgebreid buiten de met de overval zelf gemoeide periode.

De tweede overval werd in een woning uitgevoerd tegen twee bejaarde mensen en hun dochter in tegenwoordigheid van hun nog jeugdige kleinkinderen. Hierbij is wel geweld gebruikt. Het is op zichzelf geen zwaar geweld geweest, maar had wel -doordat de slachtoffers werden vastgebonden- een bijzonder bedreigend karakter. In het bijzonder was ook bedreigend dat verdachte een van de slachtoffers dwong met hem mee te gaan naar een geldautomaat waar het slachtoffer geld moest opnemen om aan de daders af te geven. Voor een ander slachtoffer was de overval zo schokkend dat hij kort na de overval met hartklachten in een ziekenhuis moest worden opgenomen.

De derde overval werd uitgevoerd tegen twee personen die in een kantoor aanwezig waren. De buit van de eerste overval lag onder de f 1.000, die van de beide andere tussen de f 1.000 en de f 10.000.

Verdachte is niet eerder wegens misdrijf veroordeeld. Hij is vele jaren verslaafd geweest, maar volgt thans binnen de grenzen die zijn detentiesituatie stelt een behandelingsprogramma. Deze persoonlijke omstandigheden kunnen echter, gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de grote inbreuk die deze gemaakt hebben op de persoonlijke integriteit en het geestelijk en lichamelijk welzijn van de slachtoffers, slechts van geringe invloed zijn op de op te leggen straf.

Onder deze omstandigheden acht het hof de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf van zes jaar enerzijds alleszins gerechtvaardigd, anderzijds een genoegzame strafrechtelijke reactie op de gepleegde feiten.

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij, [benadeelde partij], heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van f. 5000,- (vijfduizend gulden) ingesteld.

Bij het vonnis, waarvan beroep, is de benadeelde partij in die vordering niet-ontvankelijk verklaard.

In hoger beroep heeft de benadeelde partij zich opnieuw gevoegd en zijn oorspronkelijke vordering gehandhaafd.

Naar het oordeel van het hof is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaard handelen schade heeft geleden. De vordering dient, bij wege van voorschot, tot na te melden bedrag te worden toegewezen. Wat betreft het meer of anders gevorderde moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering, aangezien de vordering naar het oordeel van het hof niet van zodanige aard is dat zij zich leent voor verdere behandeling in het strafgeding.

De verdachte is voor de schade, voorzover toegewezen, naar burgerlijk recht aansprakelijk.

De benadeelde partij, [benadeelde partij], heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van f. 22.663.82 (tweeëntwintigduizendzeshonderddrieënzestig gulden en tweeëntachtig cent) ingesteld.

Bij het vonnis, waarvan beroep, is de benadeelde partij in die vordering niet-ontvankelijk verklaard.

In hoger beroep heeft de benadeelde partij zich opnieuw gevoegd en zijn oorspronkelijke vordering gehandhaafd.

Naar het oordeel van het hof is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 primair bewezen verklaard handelen schade heeft geleden. De vordering dient, bij wege van voorschot, tot na te melden bedrag te worden toegewezen. Wat betreft het meer of anders gevorderde moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering, aangezien de vordering naar het oordeel van het hof niet van zodanige aard is dat zij zich leent voor verdere behandeling in het strafgeding.

De verdachte is voor de schade, voorzover toegewezen, naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Betalingsverplichting aan de staat

Het hof zal tevens op grond van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte de verplichting tot betaling aan de staat van na te melden bedragen ten behoeve van voornoemde benadeelden opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24c, 36f, 57, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair telastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is telastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Motiveert de strafoplegging als hiervoor vermeld.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij], wonende te [woonplaats], [adres], van een bedrag van f. 2.000,-- (tweeduizend gulden), met dien verstande dat indien en voorzover zijn mededaders betalen, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige in de vordering niet-ontvankelijk is.

Verwijst veroordeelde in de kosten van de benadeelde partij, tot de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep gemaakt, en tot op heden begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de staat, ten behoeve van [benadeelde partij], wonende te [woonplaats], [adres], een bedrag te betalen van f. 700,-- (zevenhonderd gulden), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 14 (veertien) dagen hechtenis.

Bepaalt, dat indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de staat van f. 700,-- ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dat bedrag te betalen komt te vervallen, en andersom, indien verdachte aan de benadeelde partij dat bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dat bedrag ten behoeve van de benadeelde partij komt te vervallen.

Veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij], wonende te [woonplaats], [adres], van een bedrag van f. 10.000,-- (tienduizend gulden), met dien verstande dat indien en voorzover zijn mededaders betalen, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige in de vordering niet-ontvankelijk is.

Verwijst veroordeelde in de kosten van de benadeelde partij, tot de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep gemaakt, en tot op heden begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de staat, ten behoeve van [benadeelde partij], wonende te [woonplaats], [adres], een bedrag te betalen van f. 3.400,-- (drieduizendvierhonderd gulden), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Bepaalt, dat indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de staat van f. 3.400,-- ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dat bedrag te betalen komt te vervallen, en andersom, indien verdachte aan de benadeelde partij dat bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dat bedrag ten behoeve van de benadeelde partij komt te vervallen.

Aldus gewezen ter raadkamer door

mr Mannoury, voorzitter,

mrs Van den Heuvel en Besier, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr Wintjes, griffier,

en op 11 januari 2000 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

- 7 - 21-001839-99