Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2000:AB1537

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
05-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98-04309
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2001/38.13 met annotatie van Redactie
FutD 2001-0963
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

Eerste meervoudige belastingkamer

nr. 98/04309

U i t s p r a a k

op het beroep van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen P op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem voor het jaar 1995 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag en bezwaar

1.1. De aanslag, genummerd H.1 en gedagtekend 30 september 1998, is berekend naar een belastbaar (en premie-)inkomen van ƒ 40.413 met een belastingvrije som van ƒ 6.074 en vermeldt een te betalen bedrag van ƒ 13.516. Aan heffingsrente is ƒ 589 berekend.

1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak van 29 oktober 1998 de aanslag gehandhaafd.

2. Geding voor het Hof

2.1. Het beroepschrift is ter griffie ontvangen op 8 december 1998 en aangevuld op 22 februari 1999, waarbij een aantal bijlagen is overgelegd.

2.2. Tot de stukken van het geding behoren het vertoogschrift en de daarin genoemde bijlagen.

2.3. Bij de mondelinge behandeling door de derde enkelvoudige belastingkamer op 18 januari 2000 te Arnhem zijn verschenen en gehoord belanghebbendes gemachtigde alsmede de Inspecteur.

2.4. De notities van het pleidooi dat de gemachtigde van belanghebbende bij de mondelinge behandeling heeft gehouden worden, met bijlagen, als hier herhaald en ingelast beschouwd.

2.5. Het lid van de derde enkelvoudige belastingkamer heeft, met toepassing van artikel 4, lid 5, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken (hierna: de Warb), het geding verwezen naar de meervoudige belastingkamer van het Hof, ter verdere behandeling. Beide partijen hebben, bij brieven van respectievelijk 28 maart 2000 en 5 april 2000, het Hof toestemming verleend om zonder nadere mondelinge behandeling op het beroepschrift te beslissen

3. De vaststaande feiten

3.1. Belanghebbende en zijn echtgenote (hierna gezamenlijk ook: het echtpaar) exploiteerden in de vorm van een vennootschap onder firma (hierna: de vof) gedurende het jaar 1992 een detailhandel in meubelen en woonaccessoires. Op 31 augustus 1992 is de auto waarin het echtpaar, hun dochtertje en de ouders van belanghebbende zaten, van achteren aangereden. Tengevolge van deze aanrijding hebben belanghebbende en zijn echtgenote lichamelijk letsel opgelopen, een whiplash, waardoor zij geruime tijd niet meer hun volledige energie en arbeidskracht aan hun onderneming konden besteden. Dat heeft ertoe geleid dat zowel de omzet als het bedrijfsresultaat vanaf medio 1992 achteruit zijn gegaan, en zij hun bedrijf op 1 juli 1994 als niet meer rendabel hebben gesloten.

3.2. De veroorzaker van de aanrijding is voor de door het echtpaar geleden schade aansprakelijk gesteld. In een brief d.d. 10 december 1992 van belanghebbende aan de verzekeraar van de veroorzaker zijn in dat verband onder meer genoemd smartengeld, omzetderving, materiële schade en het recht om schade bij de verzekeraar te claimen die het dochtertje van belanghebbende tot haar 25-ste levensjaar lijdt als gevolg van het ongeval. In een bijlage berekent belanghebbende de inkomensschade voor hem en zijn echtgenote over 1992, na aftrek van een arbeidsongeschiktheidsuitkering van ƒ 3.700, op ƒ 42.300 en over 1993, na aftrek van een arbeidsongeschiktheids-uitkering van ƒ 8.300, op ƒ 74.700. Daarbij is uitgegaan van een, kennelijk in de vof gerealiseerde, brutomarge van 35%.

3.3. De verzekeraar heeft de aansprakelijkheid erkend en in 1993 een bedrag van ƒ 25.000 als voorschot onder algemene titel uitbetaald; daarnaast heeft hij de autoschade vergoed.

3.4. In een brief van 23 september 1993 van de advocaat van het echtpaar, gericht aan de verzekeraar, is onder meer het volgende opgenomen:

"(…)

De als zorgwekkend te omschrijven situatie maakt dat in elk geval op korte termijn een financiële tegemoetkoming zal moeten plaatsvinden.

Onder de gegeven omstandigheden bestaat mijns inziens alle reden om betrokkenen voor een voorschot onder algemene titel in aanmerking te laten komen. In dit verband zal een bedrag van ƒ 50.000 als redelijk zijn aan te merken.

In deze verstrekking zal zowel de immateriële als de materiële schade kunnen zijn verdisconteerd.

Voor wat betreft de immateriële schade wijs ik u op het feit dat betrokkenen reeds langdurig gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn; volgens mijn informatie bestaat geen kans op algeheel herstel op korte termijn.

De materiële schade omvat (o.a.) de gederfde winst.

3.5. Op 24 december 1993 heeft het echtpaar de verzekeraar doen dagvaarden in kort geding met als eis de gedaagde te veroordelen tot het betalen van een bedrag van ƒ 275.000 terzake van voorschot onder algemene titel, vooruitlopend op de definitieve vergoeding van geleden en nog te lijden schade. De fungerend president van de arrondissementsrechtbank te Q heeft bij vonnis van 18 januari 1994 de gevorderde voorziening geweigerd.

3.6. Bij exploit van 31 januari 1994 heeft het echtpaar aangezegd in hoger beroep te komen van het in 3.5. bedoelde vonnis, en de verzekeraar gedagvaard voor het Gerechtshof te Arnhem. In het arrest van 28 maart 1995 van de eerste meervoudige civiele kamer van het Hof is onder de vaststaande feiten - onder meer - het volgende opgenomen:

"(…)

In april 1994 hebben appellanten hun bedrijf beëindigd en algehele opruiming gehouden; zij hebben thans een agenturenhandel vanuit hun huis (…).

[Belanghebbende] is tegen arbeidsongeschiktheid verzekerd bij A; de door A ingeschakelde adviserend arts heeft [hem] periodiek gezien en telkens en steeds aansluitend in zijn rapportage aan A een percentage van 50% arbeidsongeschiktheid genoemd over de periode van 22 september 1992 tot 3 december 1993.

Op 23 februari 1994 is [belanghebbende] onderzocht door de zenuwarts (…). Hij concludeert dat hij niet kan komen tot het vaststellen van noemenswaardige ongevalsgevolgen. Hij acht [belanghebbende] niet voor meer dan 25% arbeidsongeschikt voor zijn beroep.

(…)

[De echtgenote van belanghebbende] is tegen arbeidsongeschiktheid verzekerd - voor één jaar - bij B. Zij is (…) onderzocht door de orthopedisch chirurg (…) [die] heeft (…) gerapporteerd aan de medisch adviseur van B. (…) en (verder) stelt: ""(…) Voorlopig is hier een arbeidsongeschiktheid van 50% m.i. acceptabel.""

Bij brief van 19 december 1993 heeft de fysiotherapeut (…) als volgt geschreven: ""(…) De spanningen rond de afloop van de verzekeringskwestie na dit ongeval verergeren de klachten duidelijk.""

(…) de huisarts heeft [de echtgenote van belanghebbende] voor 50% arbeidsongeschikt geacht vanaf 31 augustus 1992 doorlopend tot eind 1994.

Op 3 juni 1994 heeft de zenuwarts (…) [de echtgenote van belanghebbende] onderzocht (…). Hij acht de klachten (…) geen noemenswaardig gevolg van het ongeval en een percentage blijvende invaliditeit nauwelijks aan de orde, maar op grond van de thans algemeen gehanteerde beleidslijn een percentage van 5% acceptabel.

In een rapport van de klinisch-psycholoog (…) van 13 juni 1994 wordt [de echtgenote van belanghebbende] voor 50% arbeidsongeschikt geacht. (…)

(…)"

3.7. De civiele kamer van het Hof heeft in genoemd arrest met betrekking tot de vraag of het echtpaar gedurende enige tijd arbeidsongeschikt is geweest geoordeeld dat in ieder geval over de periode tot eind 1993 kan worden uitgegaan van een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, en dat, met betrekking tot de vraag of dat een gevolg is van de aanrijding, er niet aan kan worden getwijfeld dat de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid een ongevalsgevolg is. Het Hof heeft daarbij overwogen:

"Dit geldt met name nu in het kader van dit kort geding geen - voorlopig - oordeel behoeft te worden gegeven over blijvende invaliditeit ten gevolge van het ongeval, maar het slechts gaat over de schade in de periode tot eind 1993 of, iets ruimer, tot aan de sluiting van de winkel."

3.8. Met betrekking tot de vraag of belanghebbende en zijn echtgenote schade hebben geleden en hoe die - in kort geding - moet worden begroot is in het arrest onder meer het volgende overwogen:

"(…)

7. Het hof acht de door appellanten bij memorie van grieven overgelegde schadeberekening geen goed uitgangspunt. Daarin wordt uitgegaan van een in 1992 te behalen omzet van ƒ 588.400, maar een dergelijke omzet is, ook als de gevolgen van het ongeluk worden weggedacht, niet realistisch. (…) Het hof zal zelf tot een voorlopige schatting overgaan.

8. In het kader van een voorlopige begroting van de schade, die uit de aard van de zaak zelf slechts schattenderwijs kan plaats hebben, acht het hof aannemelijk dat appellanten bij inzet van hun volledige arbeidskracht over de periode van 31 augustus 1992 tot de sluiting van de winkel circa ƒ 180.000 meer omzet hadden kunnen behalen dan zij in feite behaald hebben. Bij een marge van circa 35% en overigens gelijkblijvende kosten levert dit een netto schade op van circa ƒ 63.000. Bij de bepaling van een aan appellanten toe te kennen voorschot zal het hof een bedrag van ƒ 60.000 aanhouden.

(…)

10. Daarnaast kunnen appellanten aanspraak maken op vergoeding van onstoffelijke schade. In het kader van een voorlopige begroting komt het hof tot toekenning van een voorschot van ƒ 15.000 per persoon. (…).

11. (…). Het aldus gevonden bedrag van ƒ 60.000 + 2 x ƒ 15.000 dient te worden verminderd met het reeds aan appellanten uitgekeerde voorschot ad ƒ 25.000, zodat per saldo resteert een bedrag van ƒ 32.500 voor elk der appellanten.

(…)"

3.9. Belanghebbende en zijn echtgenote hebben in de loop van 1995 het voormelde bedrag van ƒ 32.500 ontvangen. Zij hebben daarvan niets tot de winst van hun onderneming gerekend.

3.10. Bij dading van 9 februari 1999 zijn de echtgenoten en de verzekeraar van de veroorzaker der schade overeengekomen dat aan de echtgenoten zal worden uitgekeerd een bedrag van ƒ 270.000 onder verrekening van de reeds ontvangen voorschotten, als vergoeding van de door hen geleden en/of te lijden materiële en immateriële schade alsmede schade ten gevolge van verminderd vermogen tot het presteren van arbeid tengevolge van voormeld ongeval.

3.11. De Inspecteur is van mening dat elk der echtgenoten het hem/haar toekomende aandeel in het toegekende bedrag van ƒ 60.000 tot de bedrijfswinst dient te rekenen en heeft dientengevolge een bedrag van ƒ 30.000,- tot belanghebbendes belastbaar inkomen gerekend.

4. Geschil, standpunten en conclusies van partijen

4.1. Partijen houdt verdeeld of de Inspecteur voormelde correctie terecht heeft toegepast.

4.2. De Inspecteur stelt in het bijzonder dat de onderhavige uitkering het karakter heeft van vergoeding van bedrijfschade. Belanghebbende verdedigt dat de bepaling van de hoogte van de uitkering aan de hand van de geschatte, door de tijdelijke arbeidsongeschiktheid opgetreden winstdaling, niet wegneemt dat de oorzaak van de uitkering ligt in de opgetreden vermindering van arbeidskracht. Partijen voeren voor hun standpunten de gronden aan in de van hen afkomstige stukken, waaronder de ter zitting namens belanghebbende overgelegde pleitnotities.

4.3. Daaraan zijn mondeling, behalve de inhoud van de voormelde pleitnotities, geen nieuwe gronden toegevoegd.

4.4. Belanghebbende verzoekt om vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 9.153. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4.5. Partijen hebben ter zitting nog opgemerkt - zakelijk weergegeven - dat zij het antwoord op de vraag of en in hoeverre bij eventuele gegrondverklaring van het beroep belanghebbende recht heeft op aftrek ter zake van buitengewone lasten, aan het Hof overlaten.

5. Beoordeling van het geschil

Vooraf en ambtshalve.

5.1. Partijen verzoeken op initiatief van de Inspecteur het Hof uit oogpunt van proceseconomie een herstelbaar gebrek van het beroepschrift voor gedekt te houden.

5.2. Het Hof ziet geen reden om aan dit verzoek niet te voldoen. Het beroepschrift wordt derhalve geacht uitsluitend gericht te zijn tegen de uitspraak op bezwaar inzake de aan belanghebbende opgelegde aanslag.

Ten aanzien van het materiële geschilpunt.

5.3. Het Hof verstaat het in 3.6. genoemde arrest van de civiele kamer aldus dat die kamer in kort geding geen uitspraak heeft willen doen over de omvang van de (blijvende) arbeidsongeschiktheid doch slechts, mede in verband met de financiële positie van het echtpaar als gevolg van het ontbreken van voldoende inkomsten ten gevolge van het ongeval, voor wat het bedrag van ƒ 60.000 betreft, een voorlopige schadevergoeding aan het echtpaar heeft toegekend wegens bedrijfsschade als gevolg van het ongeval en niet een schadevergoeding heeft willen vaststellen voor het door belanghebbende en zijn echtgenote feitelijk geleden gemis aan arbeidskracht. De feiten en omstandigheden die tot het arrest hebben geleid, noch de overige feiten en omstandigheden in het onderhavige geding nopen naar het oordeel van het Hof voor de onderhavige procedure tot een andere conclusie. Het Hof hecht daarbij betekenis aan de opstelling van de eis van belanghebbende in de civiele procedure die voor het betreffende onderdeel mede is gebaseerd op het verschil tussen het gemiste inkomen uit de onderneming en de uit een (inkomensvervangende) arbeidsongeschiktheids-verzekering genoten uitkering. Voorts blijkt uit de in 3.7. geciteerde overweging in het arrest, dat het hof slechts een oordeel heeft gegeven over de schade vanaf het ongeval tot (uiterlijk) het sluiten van de winkel. Nu gesteld noch gebleken is dat het verlies aan arbeidskracht op laatstgenoemd moment ophield laat deze overweging naar het oordeel van het Hof geen andere conclusie toe dan dat het hof in zijn arrest slechts een oordeel over de in die periode geleden bedrijfsschade heeft gegeven. Bovendien acht het Hof van belang dat in het arrest de schade is berekend op de gemiste winst, uitgaande van de geschatte omzet en rekening houdend met het feitelijk gerealiseerde brutowinstpercentage. Naar het oordeel van het Hof volgt daaruit dat niet het verlies aan arbeidskracht, maar het verlies aan winstinkomen de reden is voor de (voorlopig) toegekende schadeloosstelling. Immers, niet valt in te zien dat de schade, voortvloeiend uit het verlies aan arbeidskracht, in enige relatie staat tot de hoogte van het, voor de onderhavige problematiek toevallig in de onderneming gerealiseerde, brutowinstpercentage. Tot slot is van belang dat in het arrest een duidelijk onderscheid is gemaakt tussen stoffelijke en onstoffelijke schade.

5.5. Naar het oordeel van het Hof bestaat er een zodanig verband tussen de door het hof in zijn arrest vastgestelde uitkering van ƒ 60.000 en de voor rekening van belanghebbende en zijn echtgenote gedreven onderneming dat die uitkering aan die onderneming moet worden toegerekend.

5.6. De overwegingen in het arrest waarnaar door belanghebbende wordt verwezen, en die de nadruk leggen op de arbeidsongeschiktheid en het verlies aan arbeidskracht, doen aan het vorenstaande oordeel niet af. Die overwegingen leiden slechts tot de oordelen over de vraag of er sprake is van arbeidsongeschiktheid en of de veroorzaker aansprakelijk is voor de schade die daaruit voortvloeit. Daarmee staat echter niets vast omtrent de aard van de te vergoeden schade en de fiscale behandeling daarvan. Evenmin doet daaraan af dat het echtpaar in 1999 met de verzekeraar een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten omdat die overeenkomst in 1995 niet van invloed kan zijn op de fiscale duiding van de in dat jaar genoten schadeloosstelling.

5.7. De Inspecteur heeft zich, naar het oordeel van het Hof terecht, op het standpunt gesteld dat de in 3.8. genoemde voorschot van ƒ 15.000 per persoon als onbelast moet worden aangemerkt. Van de totale schadeloosstelling die door het hof voorlopig is toegekend is derhalve eenderde gedeelte onbelast. Omtrent de samenstelling van het reeds in 1993 onder algemene titel uitgekeerde voorschot is door partijen niets gesteld, noch is daaromtrent uit de stukken iets af te leiden. Onder die omstandigheden moet het er naar het oordeel van het Hof voor worden gehouden dat het aan belanghebbende in 1995 uitgekeerde voorschot van ƒ 32.500 ponds-pondsgewijs moet worden verdeeld in een belast en een onbelast gedeelte. Dit betekent dat van dit voorschot ƒ 10.833 onbelast moet blijven, en dat de Inspecteur het belastbare inkomen van belanghebbende op deze grond ƒ 8.334 te hoog heeft vastgesteld.

5.8. Uit de stukken van het geding blijkt dat de Inspecteur de onzuivere inkomens van belanghebbende en zijn echtgenote heeft vastgesteld op respectievelijk ƒ 75.558 en ƒ 75.567. Gelet op het vorenstaande moeten deze beide bedragen elk worden verminderd met ƒ 8.334. Volgens die stukken bedraagt het totaal van de in aanmerking te nemen ziektekosten in 1995 ƒ4.499. Gelet op de drempel van ƒ 11.665, genoemd in artikel 46, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1995) kan geen aftrek ter zake van buitengewone lasten worden verleend.

6. Slotsom

Het beroep van belanghebbende is gedeeltelijk gegrond. Het belastbare inkomen moet worden verminderd met ƒ 8.334 en nader worden vastgesteld op ƒ 32.079.

7. Proceskosten:

Belanghebbendes proceskosten zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten fiscale procedures te berekenen op (1+1) x ƒ 710 x 1 = ƒ 1.420.

8. Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de Inspecteur waarvan beroep;

- vermindert de aanslag tot een, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 32.079;

- gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht van ƒ 80, en

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van ƒ 1.420 en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de kosten moet vergoeden.

Aldus gedaan te Arnhem op 5 september 2000 door mr. N.E. Haas, vice-president en voorzitter, mr. drs. F.J.P.M. Haas en mr. J.P.M. Kooijmans, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.

Wegens verhindering van de voorzitter is deze uitspraak mede ondertekend door de oudste bijzitter.

(A. Vellema) (F.J.P.M. Haas)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 5 september 2000

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit

gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien u na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.