Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2000:AB0648

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
19-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
2000/029
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

19 december 2000

derde civiele kamer

rolnummer: 2000/029

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats appellante],

appellante,

procureur: mr. J.M. Bosnak,

tegen:

[geïntimeerde sub 1],

handelende onder de naam Stal [geïntimeerde sub 1],

wonende te [woonplaats geïntimeerde sub 1],

geïntimeerde sub 1,

procureur: mr. J.C.N.B. Kaal,

en

[[geïntimeerde sub 2],

wonende te [woonplaats geïntimeerde sub 2],

geïntimeerde sub 2,

procureur: mr. E.A. van der Dussen.

1 Het geding in eerste aanleg

De arrondissementsrechtbank te Zutphen heeft op 3 december 1998 een tussenvonnis en op 16 december 1999 een eindvonnis uitge-spro-ken in het geschil tussen appellante (hierna te noemen: [appellante]) als eiseres en geïntimeerden (hierna te noemen: [geïntimeerden]) als gedaagden. Die vonnissen, naar de inhoud waarvan wordt verwezen, zijn in kopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij exploot van 30 december 1999 heeft [appellante] [geïntimeerden] aangezegd in hoger beroep te komen van de beide vermelde vonnissen, met gelijktijdige dagvaarding van [geïntimeerden] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellante] tegen vermeld eindvonnis drie grieven aangevoerd en toegelicht, met conclu-sie dat het hof dat vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht-doende, bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [appellante] in haar vorderingen jegens [geïntimeerden] ontvankelijk zal verklaren en aldus:

1. primair voor recht zal verklaren dat [geïntimeerde sub 1] jegens [appellante] toerekenbaar is tekort geschoten in de correcte nakoming jegens [appellante] voortvloeiende uit de onderwerpelijke overeen-komst;

2. subsidiair voor recht zal verklaren dat de tussen [geïntimeerde sub 1] en [appellante] tot stand gekomen koopovereenkomst met betrekking tot de ruin [naam paard] vernietigd dient te worden, respectievelijk wordt vernietigd, op basis van dwaling als bedoeld in arti-kel 6:228 BW;

3. voor recht zal verklaren dat [geïntimeerde sub 2] jegens [appellante] toerekenbaar is tekort geschoten in de zorgvuldige vervulling van zijn opdracht, zoals een kundig dierenarts betaamt, het-geen aangemerkt dient te worden als een onrechtmatige daad jegens [appellante];

4. [geïntimeerden] zal veroordelen, des dat de één beta-lende de ander zal zijn bevrijd, om aan [appellante] te voldoen (lees: vergoeding van) alle door haar geleden en nog te lijden schade, thans begroot op een bedrag van f 80.927,52, te ver-meerderen met de wette-lijke rente vanaf 25 mei 1998 tot en met de dag der algehele voldoening, zo ook te vermeerderen met de stallings-kosten ad f 650,-- per maand vanaf augustus 1998 of een deel daarvan tot de dag der algehele voldoening;

5. [geïntimeerden] zal veroordelen in de proceskosten van beide instanties.

2.3 [geïntimeerde sub 1] heeft bij memorie van antwoord de grieven van [appellante] bestreden, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof, zo nodig met verbetering van de gronden, het vonnis waarvan beroep van 16 december 1999 zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep.

2.4 [geïntimeerde sub 2] heeft bij memorie van antwoord de grieven van [appellante] bestreden, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof het (eind)vonnis waarvan beroep zal bevestigen, al dan niet met wijziging en/of aanvulling van gronden, met veroorde-ling van [appellante], voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voor-raad, in de kosten van het hoger beroep.

2.5 Ter zitting van dit hof van 6 september 2000 hebben partijen hun zaak doen bepleiten, [appellante] bij monde van mr. L.M. Schelstraete, advocaat te Udenhout, [geïntimeerde sub 1] bij monde van mr. W.M.J. Weijers, advocaat te Weert, en [geïntimeerde sub 2] bij monde van mr. M.M. Jansen, advocate te Den Haag, allen aan de hand van pleit-notities, die zich bij de stukken bevinden.

2.6 Daarna hebben partijen de stukken aan het hof overge-legd voor het wijzen van arrest. In het procesdossier van [appellante] bevindt zich een blijkens de memorie van grieven onder 5 sub I voorgenomen akte houdende uitlating producties van 7 oktober 1999, welke akte, blijkens de rolbeschikking van de rechtbank d.d. 14 oktober 1999, is geweigerd. Op de inhoud van die akte zal het hof geen acht slaan.

3 De vaststaande feiten

Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overge-leg-de bewijsstukken dan wel als door de rechtbank overwogen en in hoger beroep niet bestreden, de navolgende feiten vast.

3.1 Op 28/29 februari 1996 heeft [appellante] van [geïntimeerde sub 1] gekocht en geleverd gekregen een zevenjarig paard, een ruin genaamd '[naam paard]' (hierna: het paa-rd).

3.2 [appellante] heeft daarvoor aan [geïntimeerde sub 1] als tegen-prestatie voldaan een bedrag van f 30.000,-- in contanten en twee 'in-ruil' paarden. De van deze koopovereenkomst opgemaakte ver-koopbevestiging vermeldt onder meer: "1 Paard(en) + 2 paarden ingeruild Bedrag f 30.000,--".

3.3 [geïntimeerde sub 2] heeft in opdracht van [geïntimeerde sub 1] het paard gekeurd en een keuringsrapport opgesteld. Dat rapport vermeldt dat het de toestand van het paard weergeeft op 22 februari 1996. De conclusie in dat rapport luidt:

'positief aan-/ver-koopadvies

Geen bezwaren'.

3.4 Nadat het paard was geleverd, heeft [appellante] het paard ter hand gesteld aan [naam trainer], een beroepsmatig trai-ner en deskundig ruiter, die het paard als springpaard in training heeft genomen.

3.5 Op 8 januari 1998 heeft in opdracht van [appellante] een ve-terinair en röntgenologisch onderzoek plaatsgevonden door dierenarts [naam dierenarts] te [woonplaats dierenarts], die blijkens zijn rapport na beoordeling van de röntgenfoto's de straalbenen linksvoor en rechtsvoor heeft ingedeeld in categorie 3-4 respectievelijk 3.

3.6 Op 15 april 1998 heeft dierenarts [naam tweede dierenarts] te [woonplaats tweede dierenarts] het paard onderzocht.

3.7 Bij brief van 25 mei 1998 heeft de raadsman van [appellante] [geïntimeerde sub 1] aansprakelijk gesteld voor de door [appellante] als gevolg van toerekenbare tekortkoming geleden en te lijden schade.

4 Ontvankelijkheid

[appellante] heeft geen grief gericht tegen het tussenvonnis van 3 december 1998, zodat zij in haar hoger beroep tegen dat vonnis niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

5 De beoordeling van het geschil in hoger beroep

De vorderingen van [appellante] tegen [geïntimeerde sub 1]

5.1 De rechtbank is in rov. 5.1 van het eindvonnis tot de conclusie gekomen dat [appellante] niet binnen bekwame tijd als bedoeld in artikel 7:23 lid 1 BW aan [geïntimeerde sub 1] heeft kennis gegeven van het gestelde gebrek van het paard (kreupelheid), zodat [appellante] zich er niet meer op kan beroepen dat het paard niet de eigenschappen bezat die [appellante] op grond van de overeen-komst mocht verwachten (non-conformiteit). Als gevolg daarvan heeft de recht-bank geoor-deeld dat de vorde-ringen van [appellante] tegen [geïntimeerde sub 1] op die grond dienen te worden afgewezen.

5.2 [appellante] komt hiertegen op in haar grief I.

5.3 [appellante] betwist niet zozeer de juistheid van de weer-gave van de feiten in de vermelde rechtsoverweging van het eindvonnis, als wel de waardering daarvan door de rechtbank en de conclusie waartoe de rechtbank op grond daarvan is gekomen. [appellante] voert aan - kort gezegd - dat zij op grond van de inhoud van het keuringsrap-port van [geïntimeerde sub 2] erop mocht vertrouwen dat haar een gezond paard was verkocht en geleverd, dat zij er daarom van uit ging dat de proble-men die zich na aflevering van het paard voordeden eerst nadien wa-ren ontstaan (als gevolg van een botsplinter in de kaak van het paard), dat pas in januari 1998 het vermoeden ree-s, na het onder-zoek door dierenarts [naam dierenarts], dat het paard leed aan ernstige straal-beengebreken (een hoef-katrol-ontsteking) en dat die gebreken moge-lijk reeds vóór de koop aanwezig waren geweest, alsmede dat dienaangaande eerst zekerheid werd verkregen door het onder-zoek door [naam tweede dierenarts] van medio april 1998. In deze omstan-dighe-den kan, zo stelt [appellante], er geen sprake van zijn dat de in de brief van 25 mei 1998 ver-vatte kennisgeving niet binnen bekwa-me tijd als bedoeld in artikel 7:23 lid 1 BW is gedaan.

5.4 Het hof volgt [appellante] hierin niet.

5.5 Vaststaat dat [geïntimeerde sub 2] - zo blijkt uit diens keu-ringsrap-port - a. het paard met het gebruiksdoel van rijpaard heeft onderzocht, b. in dat rap-port, onder het kopje 'Beoorde-ling van de röntgenfo-to's', bij de straalbenen links-voor en rechtsvoor heeft ge-schreven 'vol-doende' en c. in dat rapport onder het kopje 'Röntgenon-derzoek van andere onderdelen' heeft geschreven: beide straal-beenderen gezoomd (en niet: gezond, zoals [appellante] o.a. in de inleidende dagvaarding onder 6 en in de memorie van grieven onder 12 stelt). [appellante] heeft het paard direct na aflevering door een trainer als spring-paard doen gebruiken. Uit de brief van de raadsman van [appellante] aan [geïntimeerde sub 1] van 25 mei 1998 blijkt a. dat het paard gedu-rende een periode van onge-veer een jaar is getraind door [naam trainer], die direct bij de eerste trai-ning con-sta-teerde dat het paard minder goed pres-teerde dan ten tijde van zijn be-zichti-ging en berijding van het paard bij de stal van [geïntimeerde sub 1], b. dat [appellante] (naar uit die brief volgt: ongeveer een jaar na de aflevering) bleek dat 'het paard steeds in verzet kwam, slecht handelbaar was, maar be-langrijker nog bij ge-vraagde inspanning kreupel liep (...)', c. dat na het ver-wijderen van de bot-splinter in de kaak van het paard [appellante] dacht dat hiermee 'het euvel was verhol-pen', en d. nadat het paard een koliek had gek-regen, [appellante] aan dierenarts [naam dierenarts] opdracht gaf om de benen van het paard aan een nader onderzoek te onder-werpen 'omdat nog steeds sprake was van ernstige kreupel-heid en verzet'. Uit deze inhoud van de brief van 25 mei 1998, en ook overigens uit de stellingen van [appellante], blijkt mits-dien dat er reeds direct na aflevering van het paard daarmee - bij het gebruik als spring-paard - problemen waren. De vermelde inhoud van het keurings-rapport van [geïntimeerde sub 2] kan bij het gebruik van het paard als springpaard echter in redelijk-heid niet bij [appellante] het vertrouwen hebben gewekt dat het paard bij de aan-koop vrij was van gebreken, althans en in ieder geval heeft [appellante] - gegeven de voortdurende pro-blemen met het paard - niet een zo lange tijd als door de rechtbank in rov. 5.1 van het eindvon-nis weergegeven erop mogen vertrouwen dat het paard bij de aankoop vrij was van gebreken.

5.6 Het hof komt gelet op het vorenoverwogene - evenals de rechtbank - tot de conclusie dat [appellante], door pas bij brief van 25 mei 1998 [geïntimeerde sub 1] van het door [appellante] gestelde gebrek aan het paard in kennis te stellen, die kennisgeving niet heeft gedaan binnen de bekwame tijd als bedoeld in artikel 7:23 lid 1 BW. [appellante] kan er zich dientengevolge niet meer jegens [geïntimeerde sub 1] op beroepen dat het paard niet de eigenschappen bezat die [appellante] op grond van de overeenkomst mocht verwachten (non-conformiteit).

5.7 De stelling van [appellante] dat de bekwame termijn als bedoeld in vermeld artikel eerst begint te lopen nadat zeker-heid was verkregen over de oorzaak van de klacht (kreupelheid) en over het feit dat dat gebrek reeds ten tijde van de koop aanwezig was, wordt als rechtens onjuist verworpen. De stel-lingname van [appellante] te dezen is niet alleen in tegenspraak met de tekst van artikel 7:23 lid 1 BW, maar tevens met de ratio daarvan, die mede hierin is gelegen, dat de verko-per in staat wordt gesteld de vermeende klacht te onder-zoeken. Vast-staat dat [appellante] [geïntimeerde sub 1] eerst bij brief van 25 mei 1998 heeft doen informeren, nadat [appellante] diverse onderzoe-kingen aan het paard had doen uitvoe-ren, waaronder een zenuw-snede bij het paard, welke zenuwsnede, naar onvoldoende -weerspro-ken is gesteld, tot gevolg heeft dat het voor [geïntimeerde sub 1] niet langer moge-lijk is de diagnose (hoefka-trolontsteking) te verifiëren, die door de zijdens [appellante] ingeschakelde onder-zoekers is ge-steld.

5.8 In grief I (memorie van grieven onder 15 e.v.) voert [appellante] voorts aan dat de rechtbank ten onrechte haar beroep op dwaling onbesproken heeft gelaten.

5.9 De feiten en omstandigheden die [appellante] aan haar beroep op dwaling ten grondslag legt zijn identiek aan die van de primaire grondslag (de non-conformiteit). Gegeven deze volle verwevenheid van feiten en deze beide grondslagen, omvat het recht-sverlies (zie rov. 5.6) tevens het beroep van [appellante] op dwaling.

5.10 In grief I (memorie van grieven onder 26 e.v.) voert [appellante] ten slotte aan dat de rechtbank ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan haar stelling dat [geïntimeerde sub 1] jegens haar aansprakelijk is voor het gebruik door hem van het keurings-rapport van [geïntimeerde sub 2], waar toch [geïntimeerde sub 1] zich in zoverre van [geïntimeerde sub 2] als diens hulppersoon heeft bediend.

5.11 Ook deze mogelijke aansprakelijkheid van [geïntimeerde sub 1] jegens [appellante] op grond van artikel 6:76 BW is echter onderhevig aan het rechtsverlies (zie rov. 5.6), dat [appellante] heeft doen ontstaan. Het keuringsrapport van [geïntimeerde sub 2] 'kleurt' immers in de visie van [appellante] de door haar gestelde non-conformi-teit en daarop kan [appellante] zich niet meer beroepen.

5.12 [appellante] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, het hof tot een andere uitkomst zouden kunnen brengen. Om die reden worden de bewijsaanbiedingen van [appellante] in haar zaak tegen [geïntimeerde sub 1] gepasseerd.

5.13 Uit het vorenoverwogene volgt dat grief I tevergeefs is voorgedragen. De vorderingen van [appellante] tegen [geïntimeerde sub 1] zijn mitsdien niet voor toewijzing vatbaar. Het eindvonnis van de rechtbank dient in zoverre te worden bekrachtigd, met veroor-deling van [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure in hoger beroep.

De vorderingen van [appellante] tegen [geïntimeerde sub 2]

5.14 In grief II komt [appellante] op tegen de afwijzing (in rov. 5.2 van het eindvonnis) door de rechtbank van haar vorde-ring tegen [geïntimeerde sub 2].

5.15 Uit de omstandigheid dat [geïntimeerde sub 2] in diens in opdracht van [geïntimeerde sub 1] vervaardigd keuringsrapport spreekt van een '(...) aan-/verkoopadvies', volgt dat [geïntimeerde sub 2] er zich van bewust moet zijn geweest dat zijn keuringsrapport (door [geïntimeerde sub 1]) in het kader van een verkoopovereenkomst zou (kunnen) worden gebruikt, aldus dat het ter inzage zou worden gegeven aan aspirant-kopers. Dit brengt mede dat [geïntimeerde sub 2] bij die keuring rekening diende te houden met de gerechtvaardigde belangen van derden, zoals zulke aspirant-kopers, en dat de beweerdelijk door [geïntimeerde sub 2] overtreden norm ook strekt ter bescherming van iemand als [appellante].

5.16 Voor zover de rechtbank van een meer beperkte opvatting is uitgegaan - namelijk dat [geïntimeerde sub 2] alleen maar rekening diende te houden met de belangen van [geïntimeerde sub 1] en niet met de belangen van derden - is de grief terecht voorgesteld. Gelet op het navolgende kan die gegrondheid echter niet tot vernie-tiging van het eindvonnis leiden.

5.17 De vraag is of [geïntimeerde sub 2] bij het opstellen van het bewuste keuringsrapport heeft gehandeld overeenkomstig de maatstaf van een redelijk bekwaam en redelijk handelend die-renarts. Indien zulks niet het geval is, kan in beginsel tot aansprakelijkheid van [geïntimeerde sub 2] jegens [appellante] op grond van onrechtma-tige daad worden geconclu-deerd, echter uitslui-tend met betrek-king tot de schade die een recht-streeks gevolg is van - kort gezegd - fouten in het keurings-rapport, waar toch - als onvol-doende weersproken - vaststaat dat [geïntimeerde sub 2] in het geheel niet betrokken is geweest bij de koopon-derhandelingen tussen [appellante] en [geïntimeerde sub 1]. In dit ver-band is met name van belang dat - zoals [appellante] aanvoert - [geïntimeerde sub 1] het paard aan haar heeft gepresenteerd als zeer veelbelo-vend springpaard (zie o.a. inleidende dagvaarding onder 2), terwijl [geïntimeerde sub 2] het paard heeft gekeurd met als gebruiks-doel rijpaard.

5.18 [geïntimeerde sub 2] heeft blijkens het keuringsrapport d.d. 22 februari 1996 het paard als rijpaard onderzocht en onder meer bevonden dat -na beoordeling van de röntgenfoto's- de straal-benen linksvoor en rechtsvoor 'voldoende' waren. Onder het kopje 'Röntgenonderzoek van andere onderdelen' heeft [geïntimeerde sub 2] geschreven: 'beide straalbeenderen gezoomd. Geen bezwaar'. Vervolgens komt [geïntimeerde sub 2] in dat rapport tot de conclusie: 'positief aan-/verkoopadvies. Geen bezwaren'.

5.19 Uit dit rapport kan in redelijkheid geen andere con-clusie worden getrokken dan dat [geïntimeerde sub 2] het paard op 22 februari 1996 geschikt achtte om te worden gebruikt als rij-paard.

5.20 De vraag is derhalve of [geïntimeerde sub 2] na zijn onderzoek van het paard als redelijk bekwaam en redelijk handelend dierenarts niet tot die conclusie had mogen komen.

5.21 De stellingen van [appellante] zijn gebaseerd op twee uitgangspunten: a. dat zij het paard als 'zeer veelbelovend' springpaard heeft ge-kocht en b. dat een paard met straal-benen in de klasse 3-4 en 3 (de indeling in die klasse door dieren-arts [naam dierenarts], rapport d.d. 8 januari 1998, wordt overigens betwist door [geïntimeerde sub 2]) niet geschikt moet worden geacht voor de spring-sport. In dit verband kan worden geconstateerd dat in het rapport d.d. 8 januari 1998 van [naam dierenarts] achter 'gebruiksdoel paard' is geschreven: 'dressuur sp' (productie 2 bij conclusie van repliek in conventie), terwijl in de ongeda-teerde brief van [naam tweede dierenarts] (productie 4 bij de vermelde conclu-sie) onder meer wordt gesteld: '(...) De paddestoelvormige voedingskana-len geven volgens ondergetekende aanleiding tot een classifi-cering 3 tot 4. Deze bevindingen maken het paard ongeschikt voor het doel waarvoor het bestemd is, namelijk springpaard. (...)'.

5.22 Hiermee en ook overigens heeft [appellante] onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die het hof tot de conclusie kunnen brengen dat [geïntimeerde sub 2] als redelijk bekwaam en rede-lijk handelend dierenarts niet tot zijn in het bewuste keu-ringsrap-port vervatte bevindingen had kunnen en mogen komen.

5.23 [appellante] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, het hof tot een andere uitkomst zouden kunnen brengen. Om die reden worden de bewijsaanbiedingen van [appellante] in haar zaak tegen [geïntimeerde sub 2] gepasseerd.

5.24 Uit het vorenoverwogene volgt dat ook de vordering van [appellante] tegen [geïntimeerde sub 2] niet voor toewijzing vatbaar is. Ook grief II is mitsdien tever-geefs voorgesteld. Grief III mist na de verwerping van de grieven I en II zelfstandige beteke-nis. Het eindvon-nis dient ook in zoverre te worden be-krach-tigd, met veroorde-ling van [appellante] als de in het onge-lijk gestelde partij in de kosten van de procedure in hoger beroep.

6 Beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen het tussenvonnis van de rechtbank te Zutphen van 3 december 1998;

bekrachtigt het eindvonnis van 16 december 1999 van die rechtbank;

veroordeelt [appellante] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde sub 1] gevallen en begroot op

f 1.795,-- voor verschotten en op f 5.100,-- voor salaris procu-reur;

veroordeelt [appellante] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde sub 2] gevallen en be-groot op f 1.795,-- voor verschotten en op f 5.100,-- voor salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. Rijken, Van Ginkel en Hijma en is uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter open-bare terechtzitting van 19 december 2000.