Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2000:AB0029

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
12-12-2000
Datum publicatie
16-02-2001
Zaaknummer
2000/747
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Onderwijs Totaal 2000/39

Uitspraak

12 december 2000

eerste civiele kamer

rolnummer 2000/747 KG

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

1. [appellante sub 1],

alsmede haar wettelijk vertegenwoordigers

2. [appellant sub 2],

3. [appellante sub 3],

allen wonende te [woonplaats appellanten],

appellanten,

procureur: mr J.M.J. Huver,

tegen:

de volledige rechtspersoonlijkheid bezittende stichting

Stichting Bestuurscommissie Openbaar Onderwijs,

gevestigd te Almere,

geïntimeerde,

procureur: mr N.L.J.M. Rijssenbeek.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van de president van de arrondissementsrechtbank te Zwolle, zitting houdende te Lelystad, van 9 oktober 2000, in kort geding gewezen tussen appellanten (hierna gezamenlijk ook te noemen: [appellante sub 1] c.s., appellante sub 1 ook: [appellante sub 1] en appellanten sub 2 en 3 ook: de ouders van [appellante sub 1]) als eisers en geïntimeerde (hierna ook te noemen: SBOO) als gedaagde. Een fotokopie van dat vonnis is gehecht aan dit arrest.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij exploot van 19 oktober 2000 hebben [appellante sub 1] c.s. hoger beroep ingesteld tegen het voornoemde vonnis van 9 oktober 2000, met dagvaarding van SBOO om voor dit hof te verschijnen.

2.2 In dat exploot hebben [appellante sub 1] c.s. vier grieven geformuleerd en toegelicht. Hun conclusie is dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en SBOO alsnog zal bevelen om [appellante sub 1] binnen twaalf uur na betekening van het te wijzen arrest onvoorwaar-delijk toe te laten als leerling van de nevenvestiging van de openbare scholen-gemeenschap [naam scholengemeenschap] te [plaats vestiging scholengemeenschap] aan de [adres scholengemeenschap], zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van f. 10.0-00,-- per dag, althans een bedrag dat het hof in goede justitie zal vaststellen (een gedeelte van een dag voor een gehele dag te rekenen), dat SBOO weigerachtig is aan de te geven veroordeling te voldoen, een en ander met veroordeling van SBOO in de kosten van de beide instanties.

2.3 SBOO heeft bij memorie van antwoord, genomen ter terechtzitting van 20 november 2000, verweer gevoerd, producties overge-legd en geconcludeerd dat het hof [appellante sub 1] c.s. primair niet-ontvankelijk zal verkla-ren in hun hoger beroep omdat er geen sprake meer is van een spoedeisend belang, subsidi-air de grieven ongegrond zal verklaren en het vonnis waarvan beroep zal bekrach-ti-gen, zo nodig met verbetering van de gronden, met veroordeling van [appellante sub 1] c.s. in de kosten van dit hoger beroep.

2.4 Vervolgens hebben de partijen hun zaak op voornoemde terechtzitting van 20 november 2000 doen bepleiten, [appellante sub 1] c.s. door mr W.F. Roelink, advocaat te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, en SBOO door mr A.E. Vos, advocaat te Utrecht.

Bij die gelegenheid is aan [appellante sub 1] c.s. akte verleend van het in het geding brengen van nog een productie.

2.5 In aansluiting op het pleidooi hebben de partijen de stukken, waaronder de pleitnotities, aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest.

3 De grieven

[appellante sub 1] c.s. hebben de volgende grieven geformuleerd.

Grief I

Ten onrechte heeft de president onder 3.4 overwogen dat blijkens artikel 3, eerste lid onder a, van het Inrichtingsbesluit W.V.O. toelatings-voor-waarde is dat de heer [naam directeur basisschool] (directeur van de basisschool [naam basisschool]) van oordeel is dat de grondslag voor het volgen van aansluitend voortgezet onderwijs in voldoende mate is gelegd en voorts dat, blijkens het formulier van 21 maart 2000, van zo een oordeel (nog) geen sprake is nu de heer [naam directeur basisschool] immers heeft geoordeeld dat het noodzakelijk is dat [appellante sub 1] getest wordt.

Grief II

Ten onrechte heeft de president onder 3.5 en 3.6 overwogen dat SBOO zich 'in redelijkheid op het standpunt kon stellen, dat een toets, bijvoorbeeld een I-toets, uitsluitsel dient te geven over de vraag of bij [appellante sub 1] vorenomschreven grondslag in voldoende mate aanwezig is' nu het onder-wijskundig rapport ingevolge artikel 3, tweede lid, van het Inrichtings-bes-luit W.V.O. niet is overgelegd.

Grief III

Ten onrechte heeft de president onder 3.7 overwogen dat uit de wetsgeschie-denis niet blijkt hoe artikel 3, eerste lid, van het Inrichtingsbesluit W.V.O. moet worden uitgelegd en voorts dat er (in ieder geval) van moet worden uitgegaan dat de wetgever 'bepaalde minimumvereisten aan leerlingen heeft willen stellen'. Ook overigens verenigen [appellante sub 1] c.s. zich niet met het aldaar door de president overwoge-ne.

Grief IV

Ten onrechte heeft de president onder 3.8 overwogen dat

geïntimeer-den (bedoeld zal zijn: appellanten, [appellante sub 1] c.s.) in de

proceskosten dienen te worden veroordeeld.

4 De vaststaande feiten

4.1 Tegen de vaststelling van de in het vonnis waarvan beroep onder 1.

opgeno-men feiten zijn geen grieven gericht. Ook het hof gaat daarom van

die feiten uit.

4.2 Aan die feiten voegt het hof toe:

- De gemeente [naam gemeente] heeft de bevoegdheid om beslissingen te nemen over de toelating van leerlingen tot het openbaar (voortgezet) onderwijs te [plaats vestiging scholengemeenschap] gedele-geerd aan SBOO.

- De publicatie 'Toelating praktijkonderwijs en leerwegondersteunend onderwijs in het schooljaar 2000-2001, afkomstig van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen', bevat informatie over de wijze waarop wordt vastgesteld of leerlin-gen toegelaten worden tot het praktijkonderwijs en het leerwegondersteunend onderwijs.

In die publicatie is opgenomen dat leerwegondersteunend onderwijs is bedoeld voor die leerlingen die op zichzelf wel een regulier diploma in één van de leerwegen kunnen halen, maar niet zonder substantiële extra zorg.

- In voornoemde publicatie is de volgende rol aan de school voor primair onder-wijs toegekend:

'Voor de school voor primair onderwijs is in veel gevallen een rol weggelegd in de beginfase van de gehele procedure. De school kan in groep 8 de ouders adviseren om hun kind bij een school voor voortgezet onderwijs aan te melden met het verzoek om het kind in aanmerking te laten komen voor leer-wegondersteunend onderwijs of praktijkonderwijs.

Voorts kan de directeur van de basisschool de school voor voortgezet onder-wijs in kwestie adviseren het kind te plaatsen in het leer-wegondersteunend onderwijs of het praktijkonderwijs.

De school voor primair onderwijs stemt tijdig met de school voor voortgezet onder-wijs af welke gegevens nodig zijn om een volledig dossier van de leerling samen te stellen. Het advies van de directeur van de school voor primair onderwijs is geba-seerd op deze gegevens. De resultaten van de onderliggende tests of onderzoeken dienen door de directeur van de basisschool te worden overgelegd aan de school voor voortgezet onderwijs. Laatstgenoemde school (...) kan de directeur van de basisschool om nadere toelich-ting en advies vragen.'

- De basisschool [naam basisschool] te [plaats waar basisschool is gevestigd] heeft aan de ouders van [appellante sub 1] geadviseerd [appellante sub 1] aan te melden voor een toelatingsonder-zoek leerwegondersteu-nend onderwijs (hierna: de I-test).

- In de brochure 'Leerwegondersteund Onderwijs in [plaats waar basisschool is gevestigd], de juiste hulp voor uw kind', is over de I-test opgenomen:

'Wat wordt er met behulp van de test onderzocht?'

De test meet in de eerste plaats de capaciteiten van uw kind. (IBO-differen-tiatie-test).

In de tweede plaats meet de test het sociaal emotioneel functioneren gemeten met een vragenlijst (SVL) en een zinaanvultest.

Ten slotte wordt gekeken naar het werkgedrag tijdens het maken van de test. Begrijpt het kind de instructie of is veel extra uitleg nodig?

Een deel van de gegevens over het werkgedrag wordt verzameld door tijdens het afnemen van de test goed naar het kind te kijken.'

- De duur van de I-test is één ochtend.

- De ouders van [appellante sub 1] onthouden hun toestemming tot het afleggen van de I-test door [appellante sub 1], met als voornaamste argument dat [appellante sub 1] onderpres-teert in het afnemen van langdurige toetsen.

- De openbare scholengemeenschap [naam scholengemeenschap], waarvan de [naam nevenvestiging] deel uitmaakt, bevat ook een afdeling v.b.o.

5 De beoordeling van het geschil in hoger beroep

5.1 SBOO heeft bij memorie van antwoord in hoger beroep het verweer gevoerd dat [appellante sub 1] c.s. in hun vordering niet-ontvankelijk moeten worden verklaard omdat het spoedeisend belang bij de door [appellante sub 1] c.s. gevorderde voorziening ontbreekt. [appellante sub 1] zou inmiddels zijn toegelaten tot de Minister-park Mavo in Naarden.

Bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft SBOO dit verweer ingetrok-ken nu is gebleken dat [appellante sub 1] op genoemde school geen onderwijs volgt doch alleen thuis, van haar ouders, onderwijs krijgt.

5.2 De grieven I tot en met III leggen het geschil in volle omvang aan het hof voor.

5.3 [appellante sub 1] c.s. vorderen dat aan SBOO zal worden bevolen [appellante sub 1] onvoorwaardelijk toe te laten als leerling van de nevenvestiging van de openbare scholengemeenschap [naam scholengemeenschap], school voor Daltononderwijs, te [naam gemeente]. Onder verwijzing naar artikel 4 van het Inrich-tingsbesluit W.V.O. voeren [appellante sub 1] c.s. aan dat alleen aanvullende toelatingsvoorwaarden mogen worden gesteld voor het eerste leerjaar v.w.o., h.a.v.o. en m.a.v.o., en (artikel 4, vijfde lid, van dat besluit) niet indien de school - zoals in dit geval - een gemeenschappelijk eerste leerjaar heeft met een school voor v.b.o.

5.4 SBOO bestrijdt (reeds thans) tot deze toelating te zijn gehouden. SBOO voert daartoe aan dat zij niet beschikt over het in artikel 3, eerste lid, onder a, van het Inrichtingsbesluit W.V.O. daarvoor opgenomen vereiste oordeel van de direc-teur van de school voor basisonder-wijs [naam basisschool] - waar [appellante sub 1] de laatste drie jaren van haar basisschooltijd heeft doorgebracht - dat de grondslag voor het volgen van aansluitend voortgezet onderwijs in vol-doende mate is gelegd. Ook het in artikel 3, tweede lid, van het Inrichtingsbesluit W.V.O. genoemde onderwijskundige rapport ontbreekt. Nu de directeur van [naam basisschool] het noodzakelijk acht dat door [appellante sub 1] eerst een I-test wordt afgelegd, en kennelijk eerst daarna meent te kunnen komen tot een onder-wijskundig rapport en een oordeel, stelt SBOO dat eerst na ontvangst van de I-test-resultaten een beslissing kan worden genomen over de toelating tot het eerste leerjaar van [naam nevenvestiging].

5.5 Het hof stelt voorop dat het Inrichtingsbesluit W.V.O. (Besluit van

6 april 1993, Stb. 207, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 24 maart 2000, Stb. 158) regelen bevat omtrent de toelating tot het voortgezet onderwijs.

Tussen de partijen is niet in geschil dat in de onderhavige situatie arti-kel 3 van het Inrichtingsbesluit W.V.O. van toepassing is. Dit artikel regelt de toelating van het eerste leerjaar v.w.o., h.a.v.o., m.a.v.o., v.b.o., uitgezonderd praktij-kon-derwijs.

Artikel 3, eerste lid onder a, luidt:

'Tot het eerste leerjaar van een school, behalve voor zover het betreft een school voor praktijkonderwijs, kan als leerling slechts worden toegelaten degene die:

a. afkomstig is van een school voor basisonderwijs en bij wie naar het oordeel van de directeur van de school voor basisonderwijs de grondslag voor het volgen van aansluitend voortgezet onderwijs in voldoende mate is gelegd, (..)'.

Artikel 3, tweede lid, luidt:

'Bij beslissingen over de toelating op grond van het eerste lid betrekt het bevoegd gezag het onderwijskundig rapport dat ingevolge artikel 42 van de Wet op het primair onderwijs (...) is opgesteld.'

5.6 De (toenmalig) directeur van [naam basisschool], de heer [naam directeur basisschool], heeft op 21 maart 2000 aan de Commissie LWOO/PO Voortgezet Onderwijs [plaats waar basisschool is gevestigd] te kennen gegeven het noodzakelijk te achten dat [appellante sub 1] zou worden getest.

Ter verklaring van dit standpunt van de directeur heeft SBOO aangevoerd:

- dat [appellante sub 1] na een verhuizing in groep 6 van de basisschool [naam basisschool] kwam en daar een zogenaamde zorgleerlinge bleek te zijn, daar zij in alle voorkomende vakken extra ondersteuning nodig had,

- dat [appellante sub 1] in de halfjaarlijkse cito-toetsen, die alle kinderen maken in het kader van het leerlingvolg-systeem, bijna zonder uitzondering, steeds op D/E niveau scoorde (dat daarbij dient te worden bedacht dat A de beste score is en E de slechtste),

- dat de intern begeleidster van [naam basisschool], die onder meer belast is met het coördineren van de extra begeleiding van zorgkinderen, mevrouw [naam intern begeleidster], vorig jaar met de ouders van [appellante sub 1] heeft gesproken over het feit dat [appellante sub 1] ook in de toekomst op een school voor voortgezet onderwijs extra begeleiding nodig heeft, gelet op haar leerachterstand en gelet op het feit dat zij een sociaal en emotioneel wat terugge-trokken meisje is.

Ter ondersteuning van haar stellingen heeft SBOO het resultaat van de laatste (in januari 2000) afgenomen Cito-toets, de continue rapportage over het schooljaar 1999/2000 en een viertal verslagen van oudergesprekken in het geding gebracht.

5.7 Uit het hiervoor weergegeven standpunt van de directeur volgt dat deze (vooralsnog) niet het krachtens artikel 3, eerste lid onder a, van het Inrich-tingsbes-luit W.V.O. voor toelating tot het eerste leerjaar van het v.b.o. vereiste oordeel wenst te geven dat bij [appellante sub 1] de grondslag voor het volgen van dit aansluitend voortgezet onderwijs in voldoende mate is gelegd.

Naar het oordeel van het hof valt het standpunt van de directeur dat extra ondersteuning voor [appellante sub 1] lijkt te zijn aangewezen al-leszins te billijken. De in het geding gebrachte bescheiden geven daartoe voldoende onderbouwing. Ook de ouders van [appellante sub 1] hebben in hun brief aan de rector van [naam nevenvestiging] van 11 juli 2000 aan-gegeven nooit te hebben ontkend dat extra ondersteuning voor [appellante sub 1] nodig zou zijn.

Op grond van het vorenoverwogene is het hof voorshands van oordeel dat niet kan worden gezegd dat, nu het (positieve) oordeel van de directeur van de basisschool ten aanzien van de aansluiting met het voortgezet onderwijs en een onderwijskundig rapport ontbreken, SBOO ten onrechte verlangt dat [appellante sub 1] alsnog de I-test aflegt.

Eerst na ontvangst van de resultaten van die test - die een zo goed mogelijk beeld trachten te geven van de capaciteiten van [appellante sub 1], haar sociaal emotioneel functioneren en haar werkgedrag - zal (alsnog) kunnen worden beoor-deeld of [appellante sub 1] in staat is tot het volgen van aansluitend voortgezet onder-wijs aan [naam nevenvestiging], al dan niet met leer-wegondersteunend onderwijs. Het vereisen van deze I-test is niet strijdig met artikel 4

Inrich-tingsbesluit W.V.O. Met behulp van deze test wordt namelijk niet zozeer onderzocht of [appellante sub 1] geschikt zou zijn voor het volgen van v.b.o. aan

[naam nevenvestiging], maar veeleer of [appellante sub 1] voor het volgen van dit -reguliere - onder-wijs substantiële extra zorg nodig heeft in de vorm van leer-weg-ondersteunend onderwijs. De rechtmatigheid van voornoemde, door het SBOO gestelde eis wordt ook bevestigd door artikel 5 van de Tijdelijke regeling regionale verwij-zingscommissies voortgezet onderwijs. Hierin is geregeld dat de regionale verwijzingscommissie de bevoegde gezagsorganen die leerlingen bij haar aanmelden, zoals het SBOO, kan opdragen ten behoeve van het vaststellen van het intelligentiequotiënt van de leerling en bepaalde persoon-lijkheidsonder-zoeken screenings- of testinstrumenten te hanteren onder verantwoordelijkheid van een diagnostisch geschoold psycholoog of or-thopedagoog.

5.8 De conclusie is dat SBOO niet zal worden bevolen [appellante sub 1] reeds thans toe te laten tot het volgen van onderwijs aan [naam nevenvestiging].

5.9 Na het voorgaande behoeven de overige stellingen en weren ten aanzien van de geweigerde toelating geen bespreking.

De grieven I tot en met III falen.

5.10 Hetzelfde lot treft grief IV. [appellante sub 1] c.s. zijn in eerste aanleg terecht aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij en - deswege - veroordeeld in de proceskosten. De aard van de procedure en de omstandigheid dat de partijen uiteenlopende standpunten hebben over de uitleg van artikel 3 van het Inrichtingsbesluit W.V.O. brengen, anders dan [appellante sub 1] c.s. betogen, niet mee dat anders zou moeten worden beslist.

6 Slotsom

Het vonnis waarvan beroep moet worden bekrachtigd. [appellante sub 1] c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskos-ten van het hoger beroep.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding,

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep,

veroordeelt [appellante sub 1] c.s. in de proceskosten van het hoger beroep,

tot aan deze uitspraak aan de kant van SBOO bepaald op f. 475,-- aan verschot-ten en op f. 5.100,-- voor salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs Houtman, Smeeïng-Van Hees en Hilver-da, en in aanwezigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 december 2000.