Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2000:AA9520

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
21-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/04365
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2001, 124
FutD 2001-0552

Uitspraak

SW

Gerechtshof Arnhem

Tweede meervoudige belastingkamer

nummer 98/04365

U i t s p r a a k

op het beroep van X B.V. te Z (hierna te noemen: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Grote ondernemingen P op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar voor het jaar 1993 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Aanslag en bezwaar

1.1. De aanslag, genummerd V.01 en gedagtekend 14 maart 1998, is berekend naar een belastbaar bedrag van ¦ 1.028.182.

1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak van 30 november 1998 de aanslag gehandhaafd.

2. Geding voor het hof

2.1. Het beroepschrift is ter griffie ontvangen op 11 december 1998 en aangevuld op 7 april 1999, waarbij bijlagen zijn overgelegd.

2.2. Tot de stukken van het geding behoren het vertoogschrift en de daarin genoemde bijlagen.

2.3. Bij de mondelinge behandeling op 15 augustus 2000 te Arnhem zijn gehoord belanghebbendes gemachtigde, bijgestaan door belanghebbendes directeur A, alsmede de Inspecteur.

2.4. De notities van het pleidooi dat de gemachtigde van belanghebbende bij de mondelinge behandeling heeft gehouden, worden als hier herhaald en ingelast beschouwd.

2.5. Het Hof heeft mondeling uitspraak gedaan op 29 augustus 2000. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt, waarvan afschriften op 4 september 2000 aangetekend aan partijen zijn verzonden.

2.6. Op 7 september 2000 is het schriftelijke verzoek van de Inspecteur ingekomen om vervanging van de mondelinge uitspraak door een schriftelijke. Het verschuldigde recht van ¦ 150,- is tijdig gestort.

3. De vaststaande feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet weersproken, de volgende feiten vast.

3.1. Belanghebbende, opgericht op 2 juni 1981, is een houdstervennootschap met een veertigtal dochtervennootschappen, waarmee zij tezamen een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting vormt. Alle aandelen in belanghebbende zijn in handen van A, die tevens directeur is van de vennootschap.

3.2. Blijkens een akte van 29 december 1993 heeft belanghebbende per die datum alle 1001 aandelen verworven in B B.V., wier activiteiten in de daaraan voorafgaande jaren in toenemende mate verliesgevend waren. De koopprijs bedroeg ƒ 1,- per aandeel, zijnde ƒ 1.001,-. Het eigen vermogen van B B.V. bedraagt ultimo 1993 -/- ƒ 515.180,-. Met ingang van 1 januari 1994 maakt B B.V. deel uit van de voormelde fiscale eenheid.

3.3. Eveneens op 29 december 1993 hebben vier schuldeisers van B B.V. hun vorderingen, tot een totale nominale waarde van ƒ 276.611,-, overgedragen aan A voornoemd, voor een prijs van ƒ 1,- per vordering, zijnde ƒ 4,- in totaal.

3.4. Volgens belanghebbende heeft A in 1994 vorderingen van de a-bank op B B.V. tot een totale nominale waarde ƒ 91.207,- overgenomen voor ƒ 1,-.

4. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

4.1. Partijen houdt verdeeld of belanghebbende in 1993 een uitdeling aan haar enig aandeelhouder heeft gedaan doordat zij zich bewust een voordeel heeft laten ontgaan ten gunste van die aandeelhouder door toe te staan dat deze de vorderingen op B B.V. heeft gekocht, en zoja tot welk bedrag.

4.2. Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken.

4.3. Daaraan is mondeling, afgezien van hetgeen reeds hiervoor onder de vaststaande feiten is opgenomen, toegevoegd - zakelijk weergegeven-

4.3.1. door/namens belanghebbende:

Er is geen bewijs voor de stelling dat de vorderingen bij verkoop meer waard waren dan het daarvoor door A betaalde bedrag.

4.3.2.en door de Inspecteur:

4.3.2.1. In 1995 is de vordering van A niet door B B.V. maar door belanghebbende afgelost. Het is juist dat het betreffende bedrag maar één keer kan worden belast.

4.3.2.2. Het is volgens hem ondenkbaar dat belanghebbende de aandelen van B B.V. zou kopen, terwijl de vorderingen op die vennootschap in vreemde handen zouden blijven.

4.3.2.3. Na de koop van de aandelen door belanghebbende zijn de vorderingen meer waard, omdat belanghebbende dan voor een deel van de schuld garant staat.

4.3.2.4. De a-bank heeft, hoewel bereid tot kwijtschelding, op aandringen van belanghebbende de vordering overgedragen aan A. Er is geen bewijs dat de gang van zaken met betrekking tot de overige vorderingen en schuldeisers ook zo was, maar dat is volgens hem wel aannemelijk.

4.4. Belanghebbende verzoekt vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een, berekend naar een belastbaar bedrag van ¦ 660.369,-.

4.5. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Het standpunt van de Inspecteur dat belanghebbende op 29 december 1993 zich tot een bedrag van ƒ 276.607,- een voordeel heeft laten ontgaan met het oogmerk om haar enig aandeelhouder (A) te bevoordelen doordat zij genoemde aandeelhouder in staat heeft gesteld de vorderingen die de voormalige aandeelhouders van B B.V. op deze vennootschap hadden van nominaal (in totaal) ƒ 276.611,- over te nemen voor een bedrag van (in totaal) ƒ 4,-, kan niet als juist worden aanvaard. Er kan immers geen andere gevolgtrekking worden gemaakt dan dat de koper (A) en de verkopers van bedoelde vorderingen van elkaar onafhankelijke partijen waren en dat - in aanmerking genomen dat B B.V. ultimo 1993 een negatief eigen vermogen had van ƒ 515.180,- en dat zij in 1993 in de door haar gedreven onderneming verliezen had geleden - de overeengekomen verkoopprijzen op zakelijke wijze zijn totstandgekomen. Alsdan - van een omstandigheid die tot een andere conclusie noopt is het Hof niet gebleken - is de door A betaalde koopprijs gelijk aan de waarde in het economische verkeer van bedoelde vorderingen, zodat van een in 1993 te belasten voordeel geen sprake kan zijn. De omstandigheid dat belanghebbende en haar enig aandeelhouder de verwachting hadden dat B B.V. binnen afzienbare tijd winst zou kunnen gaan genereren, doet aan het vorenstaande niet af.

5.2. Nu de vordering van de a-bank op B B.V. voor een gedeelte van nominaal ƒ 91.207,- eerst in 1994 voor een bedrag van ƒ 1,- aan A is overgedragen - en derhalve eerst in dat jaar sprake zou kunnen zijn van een voordeel - dient de vraag of belanghebbende zich in 1993 met betrekking tot die vordering ten gunste van haar aandeelhouder (A) een voordeel heeft laten ontgaan ontkennend te worden beantwoord. De omstandigheid dat de a-bank zich eind 1993 bereid had verklaard een gedeelte van haar vordering op B B.V. kwijt te willen schelden duidt er overigens op dat bedoelde vordering (in 1993) in zoverre geen waarde vertegenwoordigde, aangezien ervan mag worden uitgegaan dat een bank niet meer zal prijsgeven dan zakelijk verantwoord is.

6. Slotsom

Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep gegrond is.

7. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig om de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep in de onderhavige zaak en het beroep in de daarmee samenhangende zaak onder nummer 98/4528 redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof berekent deze proceskosten overeenkomstig het Besluit proceskosten fiscale procedures (oud) als volgt: twee punten voor proceshandelingen vermenigvuldigd met ƒ 710,- vermenigvuldigd met wegingsfactor 2, derhalve ƒ 2.840,- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

8. Beslissing

Het Gerechtshof

vernietigt de bestreden uitspraak;

vermindert de aanslag tot een aanslag, berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 660.369,-;

gelast de Inspecteur aan belanghebbende te vergoeden het door deze betaalde griffierecht van ƒ 80,-, en

veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 2.840,- en wijst aan de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten aan belanghebbende dient te vergoeden.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2000 door mr. Röben, voorzitter, mr De Kroon en mr Wolt, in tegenwoordigheid van mr. Van der Waerden als griffier.

(A.W.M. van der Waerden) (J.B.H. Röben)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 21 december 2000

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.