Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2000:AA9519

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
13-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/02875
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2001, 136
V-N 2001/17.11

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

Zevende enkelvoudige belastingkamer

nr. 98/02875

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : X

te : Z

ambtenaar : de Inspecteur van de Belastingdienst/Onder-nemingen P

aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar tegen een navorderingsaanslag

nummer : H47

soort belasting : inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen

jaar : 1994

mondelinge behandeling : op 29 november 2000 te Arnhem door mr. drs. F.J.P.M. Haas, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. Van der Waerden als griffier

waarbij verschenen : belanghebbendes gemachtigde alsmede de Inspecteur

gronden:

1. Belanghebbende exploiteerde in het onderhavige jaar 1994 samen met zijn zuster in verband van een vennootschap onder firma een kapsalon te Z. Per 31 augustus 1995 heeft belanghebbende zijn onderneming gestaakt.

2. Vanaf 1991 (volgens belanghebbende) dan wel 1992 (volgens de Inspecteur) rekent belanghebbende een door hem bij de ABN-Amro aangehouden bankrekening (hierna: de bankrekening) tot zijn ondernemingsvermogen. Voordien rekende hij die rekening tot zijn privé-vermogen. Ultimo 1993 respectievelijk 1994 bedroeg het saldo op de bankrekening onderscheidenlijk f. 58.228 en f. 66.506.

3. Belanghebbende is de bankrekening tot zijn ondernemingsvermogen gaan rekenen om te verhinderen dat de door hem gevormde fiscale oudedagsreserve (FOR) wegens een tekortschietend ondernemingsvermogen belast zou afnemen.

4. De schulden op korte termijn van de vennootschap onder firma beliepen ultimo 1993 en 1994 respectievelijk f. 10.280 en f. 11.434. De totale activa met uitzondering van de bankrekening hadden einde 1993 en 1994 een waarde van onderscheidenlijk f. 17.908 en f. 11.841 waarin begrepen respectievelijk f. 7.632 en f. 8.993 aan liquide middelen (kas, Rabo-bank en Postbank).

5. De winst van de onderneming en de cash-flow is in de aan de staking in 1995 voorafgegane jaren positief en stabiel.

6. De primitieve aanslag is overeenkomstig de aangifte vastgesteld. De onderhavige navorderingsaanslag is vastgesteld naar aanleiding van een boekenonderzoek dat is ingesteld in verband met de staking van belanghebbendes onderneming. De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de navorderingsaanslag het standpunt ingenomen dat de bankrekening tot belanghebbendes privé-vermogen moet worden gerekend. Na bezwaar verdedigt de Inspecteur dat van het saldo op de bankrekening f. 7.506 kan worden aangemerkt als ondernemingsvermogen en dat het restant tot het privé-vermogen moet worden gerekend.

7. Gevolg van het standpunt van de Inspecteur is dat de FOR wegens onvoldoende ondernemingsvermogen belast afneemt met f. 14.939.

8. Gelet op de stabiele positieve winst en cash-flow alsmede op de omvang en de samenstelling van de overige activa en passiva zoals een en ander uit de stukken en het verhandelde ter zitting naar voren komt, is onaannemelijk dat de bankrekening - althans voor zover het saldo het onder 6. gemelde bedrag van f. 7.506 te boven gaat - een functie vervulde bij de financiering van de onderneming of op enige andere wijze dienstbaar was aan belanghebbendes bedrijfsuitoefening.

9. Belanghebbende maakt op geen enkele wijze aannemelijk waarom voor een onderneming als de onderhavige "zeker een extra ‘buffer’ van f. 7.500 aangehouden [zou] mogen worden" en/of waarom "als extra reserve inzake onvoorziene kosten in verband met liquidatie (…) minimaal nog eens extra f. 7.500 aangehouden [zou] kunnen worden".

10. Het Hof is dan ook van oordeel dat het belanghebbende niet vrij stond de bankrekening - althans voor zover het saldo het door de Inspecteur aanvaarde bedrag van f. 7.506 overtreft - tot zijn ondernemingsvermogen te rekenen.

11. De vraag of een hypothecaire geldlening ten bedrage van f. 32.200 tot belanghebbendes ondernemingsvermogen behoort - hetgeen belanghebbende stelt maar de Inspecteur betwist - is voor het oordeel van het Hof niet van belang. Het is immers op geen enkele wijze aannemelijk geworden dat deze aflossingsvrije geldlening betalingsverplichtingen meebracht die redelijkerwijs aanleiding konden geven tot het aanhouden van liquide middelen tot een bedrag groter dan het door de Inspecteur aanvaarde totaal van tot het ondernemingsvermogen behorende liquide middelen.

12. De enkele omstandigheid dat de Inspecteur belanghebbendes aangiften over de voorafgegane jaren op het punt van het ondernemingvermogen niet heeft gecorrigeerd hoewel op de bij die aangiften gevoegde jaarrekeningen steeds een aanzienlijk bedrag aan liquide middelen stond vermeld, rechtvaardigt niet een in rechte te honoreren vertrouwen dat aan de onderhavige navordering in de weg zou staan. In het bijzonder geldt daarbij dat het vermelden van de bankrekening op de bij de aangifte gevoegde jaarrekeningen niet kan worden beschouwd als het uitdrukkelijk aan de orde stellen van de vraag of de bankrekening terecht (ten volle) tot het ondernemingsvermogen werd gerekend.

13. De Inspecteur mag bij het vaststellen van de primitieve aanslag in beginsel uitgaan van de juistheid van de in en bij de aangifte verstrekte gegevens. In dezen is echter de omvang van de uit de bij de aangifte gevoegde jaarstukken blijkende liquide middelen ten opzichte van de vlottende schulden zo disproportioneel groot dat al bij eerste beschouwing twijfel rijst aan de juistheid van de kwalificatie van al die liquide middelen als ondernemingsvermogen. Onder die omstandigheden heeft de Inspecteur door desalniettemin de primitieve aanslag vast te stellen zonder nader onderzoek naar de juistheid van vorenbedoelde kwalificatie een zogenaamd ambtelijk verzuim begaan en ontbreekt een navordering rechtvaardigend nieuw feit.

14. Belanghebbende heeft door op zijn balans een groot bedrag aan liquide middelen op te voeren die geen enkele band met zijn bedrijfsvoering hadden een onjuist beeld gegeven van zijn ondernemingsvermogen. Het is echter niet aannemelijk geworden dat belanghebbende - die stelt dat zijn accountant dacht dat activering van de bankrekening om afname van de FOR te voorkomen fiscaal geoorloofd was - met opzet onjuiste informatie heeft verschaft teneinde een juiste belastingheffing te voorkomen, ook niet in die zin dat belanghebbende willens en wetens de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat door activering van de bankrekening een juiste belastingheffing achterwege zou blijven. Het is dan ook niet bewezen dat belanghebbende te kwader trouw was in de zin van artikel 16, eerste lid, tweede volzin, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

15. Hetgeen is overwogen onder 13. en 14. leidt ertoe dat de navorderingsaanslag moet worden vernietigd.

proceskosten:

Belanghebbendes proceskosten - waaronder die van de verzetsprocedure - zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten fiscale procedures te berekenen op f. 1.775.

beslissing:

Het Gerechtshof

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep alsmede de navorderingsaanslag;

- gelast de Inspecteur aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht van f. 80 te vergoeden;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van f. 1.775, te vergoeden door de Staat der Nederlanden.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 13 december 2000 te Arnhem door mr. drs. F.J.P.M. Haas, raadsheer, lid van de zevende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Van der Waerden als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van voormelde kamer,

(A.W.M. van der Waerden) (F.J.P.M. Haas)

Afschriften aangetekend per post verzonden op: 19 december 2000

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.