Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2000:AA9517

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
13-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98-03789
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2001, 118
V-N 2001/20.26

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

achtste enkelvoudige belastingkamer

nummer 98/03789

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

de belanghebbende : X

te : Z

ambtenaar : het hoofd van de Belastingdienst/Particulieren P (hierna: de Inspecteur)

beslissing : uitspraak op een bezwaarschrift

aanslag : inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen 1997

mondelinge behandeling : gehouden te Arnhem op 29 november 2000 door mr. J.P.M. Kooijmans, raadsheer, in tegenwoordigheid van N.Th. Wagener als griffier

waarbij verschenen : belanghebbende met zijn gemachtigde, alsmede de Inspecteur

gronden:

1. De echtgenote van belanghebbende was in 1997 in dienstbetrekking werkzaam in de thuiszorg. Zij heeft in dat jaar een computercursus gevolgd. Het betreft een algemene cursus die georganiseerd is door het instituut A, en die tot doel had een kennismaking en leren werken met Windows/Works/Word/Excel. Belanghebbende heeft de uitgaven voor deze cursus die ƒ 4.030 hebben bedragen, na aftrek van de drempel van ƒ 800, als uitgaven ter zake van een opleiding of studie voor een beroep in mindering op zijn onzuivere inkomen gebracht.

2. Het volgen van de in 1. bedoelde cursus heeft voor de echtgenote niet geleid tot een positieverbetering binnen haar bestaande werkkring. Evenmin heeft zij na het volgen van de cursus elders gesolliciteerd ten einde met de door haar verworven kennis tot een verbetering van haar maatschappelijke of financiële positie te geraken. De echtgenote is in september 2000, met behoud van haar salaris, gestart met een opleiding HBO-verpleegkunde.

3. Voor het antwoord op de vraag of de in 1. genoemde uitgaven tot de buitengewone lasten kunnen worden gerekend is maatgevend of de studie niet om persoonlijke redenen maar met het oog op verbetering van de maatschappelijke positie in financieel-economisch opzicht wordt ondernomen en voorts of de belastingplichtige in redelijkheid kan verwachten dat na voltooiing van deze studie de verworven kennis in het economische verkeer productief kan worden gemaakt (Hoge Raad 24 september 1997 nr. 32 252, BNB 1997/359).

4. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat zijn echtgenote de cursus heeft gevolgd met het oog op een objectief bestaande mogelijkheid tot positieverbetering binnen haar bestaande werkkring. Hij heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat enkel het volgen van onderhavige cursus tot een dergelijke positieverbetering zou kunnen leiden. Gelet op haar opleiding kon de echtgenote in redelijkheid ook niet verwachten dat enkel het volgen van de onderhavige cursus zou kunnen leiden tot kennis die zij daarna in het economische verkeer productief zou kunnen maken. Naar het oordeel van het Hof is sprake van een algemeen vormende cursus. Nu die cursus niet werd gevolgd met de bedoeling om daarna een beroepsopleiding te gaan volgen die wel zou kunnen leiden tot een verbetering van de maatschappelijke positie in financieel-economisch opzicht van de echtgenote van belanghebbende kunnen de in 1. genoemde uitgaven niet worden aangemerkt als in artikel 46, eerste lid, onderdeel c van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 bedoelde uitgaven. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat het gevolgd hebben van een cursus als de onderhavige een vereiste is voor het starten van de opleiding HBO-verpleegkunde, noch dat de echtgenote de onderhavige cursus niettemin met het oog op het aanvangen van die opleiding heeft gevolgd. Dat de gevolgde computercursus mogelijk van invloed is geweest op de beslissing van de werkgeefster om haar in staat te stellen de opleiding HBO-verpleegkunde te volgen doet aan het vorenstaande niet af.

5. Het subsidiaire standpunt van belanghebbende dat de cursuskosten moeten worden aangemerkt als beroepskosten kan buiten behandeling blijven. Gegrondheid daarvan kan immers niet leiden tot een vermindering van de aan belanghebbende opgelegde aanslag omdat in dat geval sprake is van beroepskosten van de echtgenote van belanghebbende die bij de vaststelling van haar inkomsten uit arbeid in aanmerking moeten worden genomen.

6. Het beroep van belanghebbende dat zijn arbeidskostenforfait moet worden verhoogd op grond van de uitspraak van het Hof Leeuwarden van 27 januari 1997, nr. 609/96 moet worden verworpen op grond van het arrest van de Hoge Raad van 12 mei 1999, nr. 33.320, BNB 1999/271c*.

proceskosten:

Het Hof acht geen termen aanwezig om de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende heeft moeten maken voor het voeren van de onderhavige procedure.

beslissing:

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak op het bezwaarschrift, waarvan beroep.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken te Arnhem op 13 december 2000 door mr. J.P.M. Kooijmans, raadsheer, lid van de achtste enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van N.Th. Wagener als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(N.Th. Wagener) (J.P.M. Kooijmans)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 19 december 2000

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht ¦ 150. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.