Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2000:AA9361

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
12-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
97-22028
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2001, 77
V-N 2001/19.20

Uitspraak

HR

Gerechtshof Arnhem

vijfde enkelvoudige belastingkamer

nummer 97/22028

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : X

te : Z

ambtenaar : Inspecteur Belastingdienst/Ondernemingen P

aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaarschrift

soort belasting : vermogensbelasting

jaar : 1997

mondelinge behandeling : op 28 november te Zwolle door mr Röben, in tegenwoordigheid van mr Nuboer, als griffier

waarbij verschenen : de Inspecteur

waarbij niet verschenen : belanghebbende, met kennisgeving aan het hof

gronden:

1. Belanghebbende, die is geboren in 1949, is gehuwd. De aanslag vermogensbelasting voor het onderhavige jaar is met toepassing van artikel 5, lid 1, van de Wet op de vermogensbelasting 1964 (hierna: de Wet) aan haar opgelegd.

2. Belanghebbende en haar echtgenoot zijn beide werkzaam in dienstbetrekking. In haar aangifte berekende belanghebbende het bedrag van de gezamenlijke aanspraken (pensioenrechten) als bedoeld in artikel 16b, lid 3, van de Wet op ƒ 9.870,-. In haar beroepschrift berekent zij dat bedrag op ƒ 10.855,-. Bij deze berekeningen gaat belanghebbende ervan uit dat, anders dan in artikel 16b, lid 5, van de Wet is bepaald, rekening moet worden gehouden met het per 1 januari 1997 opgebouwde bedrag aan pensioenrechten.

3. Niet in geschil is dat bij voortzetting van de dienstbetrekking van belanghebbende tot 65 jaar de door haar opgebouwde rechten op ouderdomspensioen ƒ 17.627,- belopen en dat dit bedrag op haar 55ste jaar op ƒ 10.800,- moet worden gesteld. De Inspecteur heeft het ouderdomspensioen van de echtgenoot van belanghebbende naar de stand op diens 65ste levensjaar berekend op ƒ 6.064,-. Deze laatste berekening is door belanghebbende niet bestreden.

4. Belanghebbende stelt dat zij voornemens is haar werkzaamheden in dienstbetrekking te beëindigen als zij de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt. Zij meent dat voor de toepassing van de oudedagsvrijstelling met haar voornemen rekening moet worden gehouden. Voorts is zij van mening dat de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat voor wat betreft de toepassing van de oudedagsvrijstelling enkel rekening wordt gehouden met de per 1 januari 1997 opgebouwde aanspraken van haar en haar echtgenoot (totaal: ƒ 10.855,-), waardoor zij recht heeft op een oudedagsvrijstelling van ƒ 76.000,- in plaats van de door de Inspecteur toegepaste ƒ 38.000,-.

5. Zij is ten slotte van mening dat de vrijstelling in haar geval discriminerend werkt en aldus strijdig is met bepalingen in door Nederland onderschreven internationale verdragen. Het Hof neemt aan dat belanghebbende het oog heeft op het EVRM en het IVBPR.

6. Ter motivering van de bij de Wet van 17 december 1980, Stb. 685, in de Wet ingevoerde oudedagsvrijstelling is in de memorie van toelichting (Kamerstuk 15 905) gewezen op de ongelijke behandeling tussen belastingplichtigen die als oudedagsvoorziening kunnen beschikken over pensioenrechten e.d. die van de heffing van vermogensbelasting zijn vrijgesteld en belastingplichtigen die over geen andere oudedagsvoorziening beschikken dan hun vermogen.

7. Omtrent de berekeningsmethode van de oudedagsvrijstelling is in voormelde memorie van toelichting (blz. 9) opgemerkt: "Voorgesteld wordt … de toe te passen korting afhankelijk te stellen van de op 1 januari van elk kalenderjaar opgebouwde aanspraak op de jaarlijkse uitkering waarop de belastingplichtige recht heeft of krijgt ingevolge de pensioenregeling in zijn actuele werkkring, in de veronderstelling dat hij tot zijn 65ste jaar in dienstbetrekking blijft en met inbegrip van de eventuele rechten die berusten op nog te betalen inhaalpremies. De pensioenrechten die men in het verleden heeft opgebouwd - voor zover die rechten niet zijn geïncorporeerd in de pensioenaanspraken in de actuele werkkring - moeten hierbij worden inbegrepen".

8. De in dit verband van belang zijnde bepaling is artikel 16b, lid 5, van de Wet - voorzover hier van belang - : "Tot de in het eerste lid bedoelde rechten behoort mede de toeneming in waarde welke die rechten bij voortzetting van de bestaande rechtsverhouding zullen ondergaan tot het tijdstip waarop de uitkeringen ingaan, …"

9. De Inspecteur heeft met zijn berekening van het totale bedrag van de gezamenlijke aanspraken van belanghebbende en haar echtgenoot op ƒ 23.691,-, gelet op de Wet en de wetsgeschiedenis, terecht de oudedagsvrijstelling beperkt tot het in lid 3 van genoemd artikel 16b vermelde bedrag van ƒ 38.000,-.

10. Blijkens het overwogene onder 6 hiervóór vormt de regeling van de oudedagsvrijstelling een tegemoetkoming in de vorm van een extra verhoging van de belastingvrije som. De door de wetgever gecreëerde tegemoetkoming met inbegrip van de wijze waarop hieraan is vorm gegeven, is naar het oordeel van het Hof gebaseerd op uitgangspunten die objectief en redelijk genoemd kunnen worden en leveren geen strijd op met enig door belanghebbende beoogd verdrag.

11. De omstandigheid dat belanghebbende voornemens zou zijn op haar 55ste te stoppen met werken kan in het vorenstaande geen verandering brengen.

slotsom

Het beroep van belanghebbende is niet gegrond.

proceskosten:

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken vindt het hof geen termen aanwezig.

beslissing:

Het Gerechtshof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2000 door mr Röben, raadsheer, lid van de vijfde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr Nuboer, als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(M.M. Nuboer) (J.B.H. Röben)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 13 december 2000

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.