Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2000:AA9358

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
18-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98-04106
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2001, 100
Belastingblad 2001/375

Uitspraak

ak

Gerechtshof Arnhem

derde meervoudige belastingkamer

nummer 98/04106

U i t s p r a a k

op het beroep van X te Z (belanghebbende) tegen de uitspraak van de Heffingsambtenaar van de Gemeente West Maas en Waal (de ambtenaar) op het bezwaarschrift van de belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag baatbelasting over het jaar 1998 met aanslagnummer 1.

1. Aanslag en bezwaar

1.1. De aanslag is, naar het Hof uit het ter zitting getoonde aanslagbiljet is gebleken, gedagtekend 31 mei 1998 en bedraagt ¦ 493.134,-.

De ambtenaar heeft het daartegen gerichte bezwaarschrift tijdig, op 10 juli 1998, ontvangen.

1.2. Bij zijn uitspraak van 22 oktober 1998 heeft de ambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.

2. Geding voor het Hof

2.1. Het beroepschrift, met vijf bijlagen, is op 23 november 1998 ter griffie ontvangen.

2.2. Tot de stukken van het geding behoort het op 18 februari 1999 ingekomen vertoogschrift van de ambtenaar met vier bijlagen.

2.3. Bij de mondelinge behandeling op 31 oktober 2000 te Arnhem zijn verschenen en gehoord namens belanghebbende A, bijgestaan door B (broer van belanghebbende), en de ambtenaar, bijgestaan door C, en D.

2.4. De pleitnotities die de mrs A en C ter zitting hebben voorgedragen en overgelegd worden als hier ingelast beschouwd.

2.5. Van de gedingstukken maken tevens deel uit enige documenten die ter zitting, zonder bezwaar van de wederpartij, zijn overgelegd:

door mr A:

een situatietekening (waarop het Hof overeenkomstig aanwijzingen van de partijen de rode omlijning heeft aangebracht, bedoeld in het onder 4.4 hierna weergegeven artikel 2, eerste lid, van de Verordening Baatbelasting terrein Q 1998 van 13 november 1997; hierna de Belastingverordening);

een plattegrond van belanghebbendes binnen die omlijning gelegen bedrijfspercelen;

- door mr C:

het Bekostigingsbesluit industrieterrein Q van 15 september 1994 (het Bekostigingsbesluit);

het onteigeningsvonnis van de Arrondissementsrechtbank te Arnhem van 20 april 2000, rolnummer ON 1999/267 (het onteigeningsvonnis).

3. De conclusies van de partijen

3.1. Belanghebbende concludeert tot onverbindendverklaring van de Verordening, vernietiging van de bestreden uitspraak en van de hem opgelegde aanslag, met veroordeling van de gemeente in de proceskosten.

3.2. De ambtenaar concludeert tot ongegrondverklaring van het beroepschrift en bevestiging van zijn uitspraak.

4. De vaststaande feiten

Op grond van de gedingstukken en het ter zitting verhandelde staat tussen de partijen als niet, dan wel onvoldoende weersproken het volgende vast.

4.1. In januari 1992 verkreeg belanghebbende in Z ten behoeve van een industrieel-afval-verwerkingsbedrijf het gebruik van 2.34.10 ha terrein (kadastraal bekend gemeente R, sectie H, nummers 01 en 02), ontsloten door een bestaande, met granulaat verharde uitweg van 00.05.00 ha, sectie H, nummer 03.

Sinds oktober 1993 is - ingevolge het bestemmingsplan Industrieterrein Q: het Bestemmingsplan) - de bestemming van deze uitweg: groenvoorzieningen; voordien was de bestemming: groenvoorzieningen, alsmede inritten en paden.

Belanghebbende heeft het voormelde, geheel binnen het Bestemmingsplan gelegen terrein met de uitweg op 31 januari 1994 in eigendom verkregen.

4.2. In het onteigeningsvonnis is van de uitweg en van twee gedeelten van voornoemde percelen sectie H, nummers 01 en 02, tezamen groot 00.21.45 ha de onteigening ten algemenen nutte en ten name van de gemeente West Maas en Waal uitgesproken.

4.3. Ingevolge het Bekostigingsbesluit worden de kosten in verband met de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, voortvloeiende uit de realisatie van het Bestemmingsplan zoveel mogelijk naar evenredigheid van verkregen profijt omgeslagen over de onroerende zaken die als gevolg van deze voorzieningen gebaat zijn.

Omdat de gemeente West Maas en Waal met betrekking tot het verhaal van de voormelde kosten er niet in slaagde met belanghebbende als eigenaar van het terrein een exploitatieovereenkomst te sluiten, is zij ter zake van 2.04.62 ha grond in eigendom van belanghebbende overgegaan tot de heffing van een baatbelasting, vastgelegd in de Belastingverordening.

4.4. Artikel 2 van de Belastingverordening luidt:

"1. Onder de naam 'baatbelasting terrein Q' wordt in de vorm van een heffing ineens een directe belasting geheven ter zake van de onroerende zaken gelegen in de gemeente binnen de rode omlijning op de bij deze verordening behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart, die op 1 juli 1997 zijn gebaat door de in het tweede lid genoemde voorzieningen die tot stand zijn of worden gebracht door of met medewerking van het gemeente-bestuur.

2. De in het eerste lid bedoelde voorzieningen omvatten:

a. Sloop, opruimingswerkzaamheden en bemalingen

b. Grondwerken en riolering;

c. Aanleg ontsluitingsweg en groenvoorzieningen

d. anleg van nutsvoorzieningen

e. Aanleg kunstwerken"

4.5. Op 1 juli 1997 was een groot deel van deze voorzieningen gerealiseerd, maar voor zover de ontsluitingsweg en de groenvoorzieningen moesten worden aangelegd op percelen die (nog) in handen waren van belanghebbende was dat vooralsnog niet mogelijk.

5. Het geschil en de standpunten van de partijen

5.1.1. Belanghebbende stelt primair dat de Belastingverordening onverbindend is omdat de in artikel 2, tweede lid, genoemde voorzieningen (zie onder 4.4) één jaar na 1 juli 1997 nog niet waren voltooid.

Daarmee is zijns inziens niet voldaan aan de in artikel 222, derde lid, van de Gemeentewet gestelde eis dat het gebaat zijn van een onroerende zaak wordt beoordeeld naar de toestand op een in de belastingverordening te bepalen tijdstip, dat is gelegen uiterlijk een jaar nadat de voorzieningen geheel zijn voltooid.

5.1.2. Voorts wijst hij op het vierde lid van artikel 222 van de Gemeentewet:

"Tot invoering van de belasting wordt besloten uiterlijk twee jaren nadat de voorzieningen geheel zijn voltooid".

Hij meent dat pas na voltooiing van de voorzieningen de belastingheffing kan plaatsvinden.

5.2. Subsidiair verdedigt de belanghebbende het standpunt dat het terrein door de in artikel 2, tweede lid, van de Belastingverordening genoemde voorzieningen niet is gebaat omdat het (geheel op zijn kosten) reeds op alle (nuts) voorzieningen, waaronder de uitweg, is aangesloten.

Dat het perceel waarop de uitweg is gelegen inmiddels werd onteigend, met als gevolg dat in de toekomst gebruik zal moeten worden gemaakt van de nog te voltooien nieuwe ontsluitingsweg, kan naar zijn mening in redelijkheid niet tot gevolg hebben dat het terrein binnen bereik van de onderhavige baatbelasting wordt gebracht.

5.3. Meer subsidiair maakt de belanghebbende bezwaar tegen het belastingtarief van ¦ 24,10 voor elke vierkante meter van de heffingsmaatstaf nu door de gemeente met betrekking tot zijn terrein in het geheel geen kosten van bouwrijpmaken zijn gemaakt.

5.4. De ambtenaar verdedigt het standpunt

- dat hetgeen daartoe namens de belanghebbende is aangevoerd geen grond oplevert voor onverbindendverklaring van de Belastingverordening,

- dat belanghebbendes terrein niet alleen gebaat is door de aanleg van een nieuwe ontsluitingsweg maar ook door nutsvoorzieningen als het elektrificatie-plan, het verbeteren van de waterbeheersing, de aanleg van een verbeterd gescheiden rioolstelsel, een passende openbare verlichting en de gerealiseerde bewegwijzering, en

- dat de tariefstelling voor de baatbelasting niet strijdig is met artikel 222 van de Gemeentewet.

5.5.1. Voor een uitvoeriger weergave van de gronden waarop de wederzijdse standpunten steunen zij verwezen naar de van de partijen afkomstige stukken.

5.5.2. Namens de belanghebbende is daaraan ter zitting nog toegevoegd

- bij de aankoop van het terrein, begin 1994, wist hij weliswaar van het nieuwe bestemmingsplan maar hij mocht, naar hij had begrepen, de bestaande uitweg houden;

- de toegevoegde waarde van de getroffen voorzieningen is nihil;

- het op het terrein gevestigde bedrijf zal voor het gebruik van de nieuwe uitweg een halve slag moeten draaien; dat kost zo'n ¦ 1.000.000,-;

- uit de bij het vertoogschrift overgelegde stukken betreffende de door de E BV verrichte werkzaamheden blijkt niet dat de kosten van het bouwrijp maken van het industrieterrein Q (zoals vermeld in de berekening van het belastingtarief) tot en met 1996 ¦ 1.153.490,- hebben bedragen en dat de daarvoor nog te maken kosten op ¦ 327.060,- zijn geraamd.

5.5.3. Door en namens de ambtenaar:

- in het oude bestemmingsplan had het terrein een agrarische bestemming; de onderwerpelijke uitweg was een landbouwweg;

- de nieuwe ontsluitingsweg is beter en breder, en afgestemd op al het verkeer van het industrieterrein Q;

- ten behoeve van dit industrieterrein zijn bovendien kabels en leidingen gelegd;

- de bij het vertoogschrift overgelegde stukken inzake het bouwrijp maken van het industrieterrein Q betreffen niet alle daartoe verrichte werkzaamheden maar dienen slechts ter illustratie van het betoog over de voortschrijding van de aanleg der voorzieningen; tegen de berekening van het belastingtarief zijn daaraan geen argumenten te ontlenen.

6. De beoordeling van het geschil

6.1. Belanghebbendes betoog over onverbindendheid van de Belastingverordening berust op onjuiste lezing van artikel 222, leden 3 en 4, van de Gemeentewet.

De uiterste tijdstippen waarop volgens deze bepalingen het gebaat zijn van een onroerende zaak wordt beoordeeld en waarop tot invoering van de belasting wordt besloten zijn gelegen respectievelijk één jaar en twee jaren nadat de voorzieningen geheel zijn voltooid.

In de zienswijze van de belanghebbende zouden deze twee tijdstippen ook niet meer dan één jaar, respectievelijk twee jaren - of zelfs in het geheel niet - vóór de voltooiing van de voorzieningen mogen liggen.

Daarvoor is in de Gemeentewet echter geen grond te vinden zodat het Hof dit betoog verwerpt. Het Hof ziet ook overigens geen reden voor onverbindend-verklaring van de Belastingverordening.

6.2. In het onteigeningsvonnis wordt (onder 5) over de oude uitweg onder meer overwogen:

"Gedurende de loop van de procedure is duidelijk geworden - X heeft dat tijdens het pleidooi in wezen ook erkend - dat het gebruik van perceel H 03 als toegang tot het industrieel-afval-verwerkingsbedrijf van X niet binnen de termen valt van zowel het oude als het nieuwe bestemmingsplan.

En: Voorts moet met de deskundigen worden aangenomen dat X onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is geweest van stilzwijgend gedogen vanwege de gemeente en nog minder dat de gemeente haar recht heeft verwerkt om bezwaar te maken tegen verkeer over de weg ten behoeve van opslag en verwerking van bedrijfsafval."

Het Hof gaat uit van de juistheid van deze ter zitting door de raadsman van de ambtenaar geciteerde en namens de belanghebbende niet aangevochten overwegingen.

6.3. Het vorenoverwogene brengt mee dat de onderwerpelijke onroerende zaak, beoordeeld naar de toestand op 1 juli 1997, is gebaat door de in artikel 2, tweede lid, van de Belastingverordening genoemde voorzieningen, omdat zij zonder deze in het geheel niet over een vrij en onbelemmerd toegankelijke uitweg met de bijbehorende faciliteiten zou beschikken.

Dat het thans op het terrein gevestigde bedrijf kosten moet maken om de nieuwe voorzieningen te kunnen gebruiken doet aan hun nut voor dit terrein niets af.

Zonder onteigening zou de situatie niet anders zijn geweest, zodat deze latere gebeurtenis aan 's Hofs verwerping van belanghebbendes standpunt niet in de weg staat.

6.4. De maatstaf van heffing (artikel 4 van de Belastingverordening) is in dit geval het aantal volle vierkante meters oppervlakte van de onroerende zaak vermenigvuldigd met de liggingsfactor bedoeld in het tweede lid van dat artikel.

Van de 2.39.10 ha terrein die in 1994 door de belanghebbende zijn gekocht is 00.26.45 ha onteigend in het jaar 2000 zodat bij hem 2.12.65 ha = 21.265 vierkante meters in eigendom zijn gebleven.

De bestreden aanslag berust op een heffingsmaatstaf van 20.462 m2 en is dus op dit punt niet te hoog.

6.5. Ingevolge artikel 5 van de Belastingverordening bedraagt de belasting voor elke vierkante meter van de heffingsmaatstaf ¦ 24,10.

6.6. In het Bekostigingsbesluit is vastgelegd dat de kosten in verband met de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, voortvloeiende uit de realisatie van het Bestemmingsplan voor 100% en zoveel mogelijk naar evenredigheid van verkregen profijt dienen te worden omgeslagen over die onroerende zaken die als gevolg van deze voorzieningen gebaat zijn.

6.7. In een bij het Bekostigingsbesluit gevoegde begroting komt het totaal van de kosten van het bouwrijp maken van het industrieterrein Q, op ¦ 1.713.625,-.

In de Belastingverordening wordt uitgegaan van ¦ 2.055.809,- aan kosten van getroffen en nog te treffen voorzieningen.

Het laatstgenoemde bedrag komt het Hof, gelet op de verstrekte specificaties en de tussen beide opstellingen verstreken jaren, geloofwaardig en niet te hoog voor.

Dat daarin ook de gemaakte en nog te maken plankosten (zijnde - naar de ambtenaar onweersproken heeft gesteld - de loonkosten van de afdeling die de voorbereiding van en het toezicht op de openbare werken voor haar rekening heeft genomen, en de kosten van het architectenbureau dat voor een gedeelte van de openbare werken de voorbereiding en het toezicht heeft verzorgd) zijn opgenomen acht het Hof juist en niet in strijd met artikel 222 van de Gemeentewet.

6.8. Ook de toegepaste differentiatie naar gelang van het verkregen profijt is in overeenstemming met artikel 222 van de Gemeentewet.

Noch uit hetgeen namens de belanghebbende is aangevoerd noch uit de overige beschikbare gegevens kan het Hof opmaken dat de uitkomst van ¦ 24,10 per m2 onevenwichtig is en dat de onderwerpelijke onroerende zaak daarmee onevenredig zwaar wordt belast.

7. De slotsom

7.1. De Belastingverordening is niet onverbindend.

7.2. Belanghebbendes onroerende zaak is op 1 juli 1997 gebaat door de in de Belastingverordening genoemde voorzieningen van openbaar nut, voortvloeiende uit de realisatie van het Bestemmingsplan.

7.3. De aanslag van 20.462 (m2) × ¦ 24,10 = ¦ 493.134,- is willekeurig noch onredelijk, en ook anderszins niet in strijd met enig rechtsbeginsel.

7.4. Het beroep is ongegrond.

8. De proceskosten

Voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken acht het Hof geen termen aanwezig.

9. De beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak waarvan beroep.

Aldus gedaan te Arnhem op 18 december 2000 door mrs Röben, voorzitter, De Kroon en Wolt, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr Egberts als griffier.

(J.L.M. Egberts) (J.B.H. Röben)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 18 december 2000

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.