Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2000:AA8853

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
14-11-2000
Datum publicatie
06-12-2000
Zaaknummer
1999/831 KG
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 november 2000

eerste civiele kamer

rolnummer 1999/831 KG

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[naam appellante],

handelende onder de naam [bedrijfsnaam appellante],

wonende te [woonplaats appellante],

appellante,

procureur: mr ir A.F. van Dam,

tegen:

De Dienst voor het kadaster en de openbare registers,

kantoor houdende te Apeldoorn,

geïntimeerde,

procureur: mr J.C.N.B. Kaal.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van de president van de arrondissementsrechtbank te Zutphen van 5 oktober 1999, in kort geding gewezen tussen appellante (hierna te noemen:[naam appellante]) als eiseres en geïntimeerde (hierna te noemen: de Dienst) als gedaagde. Een fotokopie van dat vonnis is gehecht aan dit arrest.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij exploot van 18 oktober 1999 heeft [naam appellante] hoger beroep ingesteld tegen het voornoemde vonnis van 5 oktober 1999, met dagvaarding van de Dienst om voor dit hof te verschijnen.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [naam appellante] vijf grieven geformuleerd en toegelicht, producties in het geding gebracht en geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw recht doende, de Dienst alsnog zal veroordelen om tegen bewijs van kwijting aan [naam appellante] te betalen ten titel van voorschot de somma van f. 21.435,09, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten conform het NOVA-tarief, zijnde f. 2.299,--, tevens te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van de dagvaarding tot die van de voldoening, met veroordeling van de Dienst in de kosten van de beide instanties.

2.3 De Dienst heeft bij memorie van antwoord verweer gevoerd, producties overgelegd en bewijs aangeboden. De conclusie van de Dienst is dat het hof

[naam appellante] in haar vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren, althans haar vorderingen zal afwijzen, met veroordeling van [naam appellante], uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van dit geding.

2.4 Vervolgens hebben de partijen hun zaak ter zitting van 12 oktober 2000 doen bepleiten, [naam appellante] door mr D.W.J. Leijs, advocaat te Hilversum, en de Dienst door mr B.G. Jansen, advocaat te Arnhem, beiden mede aan de hand van pleitnotities.

Bij die gelegenheid is aan [naam appellante] akte verleend van het in het geding brengen van een tweetal producties.

2.5 In aansluiting op het pleidooi hebben de partijen de procesdossiers overgelegd voor het wijzen van arrest.

3 De grieven

[naam appellante] heeft de volgende grieven geformuleerd.

Grief I

Ten onrechte heeft de president onder 3.1 overwogen:

'Tussen partijen is in confesso dat [naam appellante] binnen 14 dagen nadat door haar (op 10 februari 1995) beslag was gelegd op het ten processe bedoelde perceel een eis in de hoofdzaak diende in te stellen. Het Kadaster heeft aangevoerd dat [naam appellante] eerst op 12 april 1995 de eis in de hoofdzaak heeft ingesteld, zodat het beslag van rechtswege is vervallen. [naam appellante] heeft weliswaar aangevoerd dat zij tijdig de eis in de hoofdzaak heeft aangebracht, doch de gedingstukken bieden geen aanknopingspunt voor de juistheid van die stelling, terwijl de stelling van het Kadaster lijkt te worden ondersteund door de inhoud van de door [naam appellante] als productie 3 overgelegde brief van haar raadsman aan

mr. Righarts, de raadsman van [naam persoon ten laste van wie conservatoir beslag is gelegd], d.d. 31 maart 1995, inzake [bedrijfsnaam appellante]/[naam persoon ten laste van wie conservatoir beslag is gelegd]. Een en ander leidt voorshands tot de conclusie dat het beslag - op grond van het bepaalde aan het slot van artikel 700 lid 3 Rv - al van rechtswege was vervallen, voordat het Kadaster bedoelde misslag beging.'

Grief II

Ten onrechte heeft de president onder 3.1 voorts overwogen:

'Weliswaar heeft [naam appellante] nog verwezen naar de in evengemelde brief neergelegde afspraak dat "deze beslagen blijven rusten als waren de onderscheiden zaken tijdig aangebracht", doch zij gaat er daarbij aan voorbij dat partijen een vervallen beslag niet door een latere onderlinge afspraak terzake kunnen doen herleven. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het causaal verband tussen de fout van het Kadaster en de door [naam appellante] deswege gestelde schade in de lucht hangt.'

Grief III

Ten onrechte heeft de president onder 3.2 overwogen:

'Daar komt nog bij dat er serieuze twijfel bestaat of de door de raadsman van [naam appellante] aan laatstgenoemde in rekening gebrachte verrichtingen daadwerkelijk alle op de onderhavige kwestie betrekking hebben.

Vast staat immers dat een aantal van bedoelde, thans aan [naam appellante] gerichte, facturen aanvankelijk ten name van [naam vennootschap vader appellante]., een vennootschap van de vader van [naam appellante] welke op hetzelfde adres is gevestigd (geweest) als de door [naam appellante] gedreven onderneming, waren gesteld onder vermelding van "inzake: [bedrijfsnaam appellante]./[naam persoon ten laste van wie conservatoir beslag is gelegd]".'

Grief IV

Ten onrechte heeft de president onder 3.2 overwogen:

'Ten slotte dient - met het Kadaster - het door [naam appellante] gestelde spoedeisend belang met de nodige reserve te worden beschouwd. Het ligt immers niet zonder meer voor de hand dat de raadsman van [naam appellante] terzake van diens onbetaald gebleven nota's de zaak "op scherp" zal zetten, voor welke houding in deze - gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van het beslag - vooralsnog te minder aanleiding lijkt te bestaan.'

Grief V

Ten onrechte heeft de president onder 3.3 overwogen:

'Op grond van het hierboven onder 3.2 overwogene wordt voorshands geoordeeld, dat niet is voldaan aan de eisen die gelden voor toewijsbaarheid van een geldvordering in kort geding, zodat de gevorderde voorziening ook om die reden geweigerd dient te worden.'

4 De vaststaande feiten

Tegen de vaststelling van de in het vonnis waarvan beroep onder 1.

opgenomen feiten zijn geen grieven of bezwaren gericht. Ook het hof gaat daarom van die feiten uit.

5 De beoordeling van het geschil in hoger beroep

5.1 De grieven I en II leggen aan het hof de vraag voor of het door

[naam appellante] op 10 februari 1995 ten laste van [naam persoon ten laste van wie conservatoir beslag is gelegd] gelegde conservatoir beslag op de helft van een dubbel woonhuis c.a., staande en gelegen aan de [straatnaam en plaats waar huis is gelegen], op enig moment vóór het vonnis in kort geding van de president van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 10 juni 1999 - in welk vonnis dit beslag op vordering van derden (kopers) werd opgeheven - al van rechtswege is vervallen.

5.2 Naar het voorlopig oordeel van het hof moet voornoemde vraag

ontkennend worden beantwoord.

Het hof stelt voorop dat bij het presidiaal verlof is vermeld dat [naam appellante] de eis in de hoofdzaak binnen veertien dagen na beslaglegging diende in te stellen. Hieraan is voldaan doordat [naam appellante] bij exploot van 14 februari 1995 [naam persoon ten laste van wie conservatoir beslag is gelegd] voornoemd heeft gedagvaard voor de arrondissementsrechtbank te Amsterdam tegen 5 april 1995.

Voorts staat vast dat de dagvaarding in die zaak niet op die datum of op enige latere datum is aangebracht.

[naam appellante] voert in dat kader onweersproken aan dat op dat moment drie procedures tussen haar en [naam persoon ten laste van wie conservatoir beslag is gelegd] werden gevoerd en dat de beide raadslieden uit proceseconomische overwegingen hebben afgesproken (vastgelegd bij de in het geding gebrachte brieven van respectievelijk 31 maart 1995 en 3 april 1995) om deze drie procedures terug te brengen tot één procedure: de procedure voor de arrondissementsrechtbank te Amsterdam, aangebracht door [naam persoon ten laste van wie conservatoir beslag is gelegd] op 12 april 1995 nadat op 10 februari 1995 het desbetreffende exploot van dagvaarding aan [naam appellante] was uitgebracht. In die procedure heeft [naam appellante] op 5 juli 1995 een eis in reconventie ingesteld, betrekking hebbende op de reeds in voornoemde dagvaarding van 14 februari 1995 opgenomen vordering van [naam appellante] op [naam persoon ten laste van wie conservatoir beslag is gelegd] en de kosten van het conservatoir beslag.

Het hof is voorshands van oordeel dat in dit geval moet worden

aangenomen dat is voldaan aan het verlangen van de wetgever dat de

pretentie van de beslaglegger zo spoedig mogelijk 'in de hoofdzaak' wordt getoetst.

Daarvoor is van belang dat [naam appellante] [naam persoon ten laste van wie conservatoir beslag is gelegd] binnen de daartoe gestelde termijn heeft gedagvaard. Voorts acht het hof van belang dat de in die

dagvaarding opgenomen vordering, waarvoor [naam appellante] een titel hoopte te verkrijgen en op de executie waarvan zij vooruitliep door het leggen van conservatoir beslag, alsnog aan een rechter is voorgelegd nu [naam appellante] binnen een redelijke termijn (drie maanden na de oorspronkelijk dag waartegen de zaak zou worden aangebracht) in een andere procedure een desbetreffende eis in reconventie heeft ingesteld.

Deze laatste mogelijkheid is ook voorzien in de Parlementaire Geschiedenis, Wijziging Rv., pagina 311, terwijl het instellen van een eis in reconventie als regel meer tijd vergt dan de gebruikelijke door de presidenten gestelde termijnen. De (tijdige) afwikkeling van de eis in de hoofdzaak staat ter dispositie van partijen zelf. Wie bij raadpleging van de kadastrale registratie en vervolgens de openbare registers voor registergoederen op de inschrijving van het beslag stuit, zal als regel zo niet bij de beslaglegger dan toch bij de beslagene informeren naar het voortbestaan en de omvang van het beslag alsmede de afwikkeling van de eis in de hoofdzaak.

Daarom komt aan een derde en ook aan de Dienst zelf geen beroep toe op de in artikel 700, derde lid, Wetboek van burgerlijke Rechtsvordering (Rv)

neergelegde sanctie van verval van het beslag wegens overschrijding van de termijn, terwijl evenmin het in artikel 3, eerste lid, Kadasterwet neergelegde belang van de rechtszekerheid bij de openbare registers over de rechtstoestand van registergoederen die sanctie eist. Daaraan doet artikel 727 Rv niet af omdat tussen de partijen anders is en mocht worden overeengekomen, terwijl het artikel in ieder geval niet (mede) in het belang van de Dienst is geschreven.

Naar het voorlopig oordeel van het hof heeft het niet aanbrengen van de binnen de opgelegde termijn uitgebrachte dagvaarding derhalve niet het verval van het beslag tot gevolg.

5.3 De grieven I en II zijn derhalve terecht opgeworpen.

5.4 Het hof komt thans toe aan het door de Dienst gevoerde verweer met betrekking tot het verval van het beslag als gevolg van het hiervoor onder 5.1 genoemde vonnis in kort geding van de president van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 10 juni 1999.

Naar tussen de partijen vast staat, heeft de Dienst het kadastraal perceel [plaats waar huis is gelegen] Q 532 gesplitst en hernummerd en het conservatoir beslag bij vergissing op het verkeerde kadastrale perceel overgeschreven. Volgens artikel 48 Kadasterwet wordt de kadastrale registratie op een zodanige wijze (bij-)gehouden, dat zij tenminste door middel van de naam van de eigenaar alsmede door middel van de kadastrale aanduiding van de onroerende zaak steeds de raadpleegbaarheid mogelijk doet zijn van de openbare registers, waaronder die voor registergoederen. Zoals de Dienst zelf terecht aanvoert, vormt de kadastrale registratie de toegangssleutel tot die registers. Naar de eis van artikel 48, tweede lid, aanhef en onder c, Kadasterwet bevat de kadastrale registratie de wettelijke benaming van de beslagen die op onroerende zaken zijn gelegd. De vergissing van de Dienst heeft het onterechte gevolg gehad dat de kadastrale registratie (de Inquiry Hypotheken Amsterdam) het beslag niet vermeldde. De president van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij zijn vonnis van 10 juni 1999 geoordeeld dat het beslag niet aan de

opvolgende verkrijgers kon worden tegengeworpen en het opgeheven. Dat leidt ingevolge artikel 117, derde lid, Kadasterwet tot aansprakelijkheid van de Dienst jegens de beslaglegger [naam appellante], die aldus immers haar beslag heeft verloren.

De Dienst verdedigt dat tal van andere betrokkenen fouten hebben gemaakt. Zo zou [naam persoon ten laste van wie conservatoir beslag is gelegd] tegen beter weten in een met beslag bezwaard perceel toch als onbezwaard hebben geleverd, zouden de kopers bekend zijn met het volgens hen inmiddels opgeheven beslag en niet te goeder trouw zijn geweest, zou de transporterende notaris onvoldoende in de openbare registers

gerechercheerd hebben, zou de notaris een beroepsfout hebben gemaakt en zou [naam appellante] tegen de opheffing van het beslag hebben moeten appelleren.

Deze verweren zien er echter aan voorbij dat de schade van het verlies van het conservatoir beslag in een zodanig verband staat met de vergissing van de Dienst, dat zij aan deze, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze vergissing kan worden toegerekend. Dat de kopers en de transporterende notaris mogelijk fouten hebben gemaakt (het hof spreekt daarover geen oordeel uit), waarvan [naam persoon ten laste van wie conservatoir beslag is gelegd] mogelijk zou hebben geprofiteerd, neemt de fout van de Dienst niet weg en zou ingevolge artikel 6:102 van het Burgerlijk Wetboek hooguit tot gevolg hebben dat één of meer van hen naast de Dienst hoofdelijk tot vergoeding van dezelfde schade jegens [naam appellante] verbonden zijn. Aan [naam appellante] kan in redelijkheid niet mede worden toegerekend dat zij niet van het vonnis van 10 juni 1999 heeft geappelleerd nu zij, bij pleidooien in hoger beroep onweersproken, de Dienst tijdig vóór de behandeling van het kort geding in eerste instantie en vervolgens van het vonnis op de hoogte heeft gebracht met het verzoek om haar (financieel) te vrijwaren, hetgeen de Dienst heeft geweigerd.

De Dienst heeft nog aangevoerd dat nog uiterst onzeker is of [naam appellante] wel nadeel ondervindt als gevolg van het verval van haar beslag omdat [naam persoon ten laste van wie conservatoir beslag is gelegd] mede naar aanleiding van het deskundigenrapport in de hoofdzaak in conventie op winst (van 3 à 4 ton) zou staan. Dit verweer stuit echter af op het feit dat [naam appellante] thans geen vergoeding vordert van het verlies van haar verhaalsmogelijkheid maar van de kosten tot handhaving van haar beslag.

Dit leidt tot de conclusie dat de Dienst gehouden is tot vergoeding van de door [naam appellante] daardoor geleden schade.

Het door [naam appellante] in dit kort geding gevorderde voorschot op die schade heeft betrekking op de (gerechtelijke) stappen die [naam appellante] tot behoud van haar beslag diende te nemen, te weten proceskosten en werkzaamheden van haar advocaat.

5.5 De Dienst heeft bestreden dat [naam appellante] voornoemde schade daadwerkelijk heeft geleden.

Het hof passeert het verweer van de Dienst ten aanzien van de

aanvankelijke tenaamstelling van de door haar advocaat aan [naam appellante] gezonden declaraties: [naam vennootschap vader appellante]in plaats van [naam appellante]. [naam appellante] - en niet [naam vennootschap vader appellante] - is in alle voornoemde procedures procespartij. Voldoende aannemelijk is dat de kosten uiteindelijk voor rekening van [naam appellante] zullen moeten komen. Daarmee slaagt ook grief III.

Ook verwerpt het hof het verweer van de Dienst met betrekking tot de hoogte van het voorschot, gelijk aan de declaraties van de advocaat van [naam appellante] en de veroordeling in de proceskosten bij het vonnis in kort geding van 10 juni 1999. De bedragen van de declaraties zijn niet bovenmatig en de door [naam appellante] verstrekte specificatie is voldoende aannemelijk, zeker in het licht van het bij de pleidooien in hoger beroep gebleken feit dat de hoofdzaak in ieder geval in de periode van februari tot en met juni 1999 in feite geheel stil lag.

Aangenomen moet daarom ook worden dat ten onrechte op de betwiste declaraties is vermeld dat deze betrekking hebben op werkzaamheden waarbij [naam persoon ten laste van wie conservatoir beslag is gelegd] tegenpartij was. Het daartegen door de Dienst gevoerde verweer is onvoldoende gemotiveerd.

Het hof acht derhalve in hoge mate waarschijnlijk dat ook de bodemrechter de Dienst zal veroordelen tot betaling van de in dit kort geding door [naam appellante] gevorderde vergoeding van door haar geleden schade.

Gezien de hoogte van het gevorderde bedrag is aannemelijk dat [naam appellante] een spoedeisend belang heeft bij haar vordering. Zij heeft ook in hoger beroep nog dit spoedeisend belang. Dat in hoger beroep niet voortvarend is geprocedeerd, had te maken met een kwestie tussen de raadslieden van [naam appellante] en [naam persoon ten laste van wie conservatoir beslag is gelegd], en doet niet af aan het spoedeisend belang van [naam appellante]. Bij de afweging van de belangen van de partijen speelt een zwaarwegende rol dat de bodemrechter met een hoge mate van waarschijnlijkheid het gevorderde zal toewijzen, terwijl het restitutierisico niet enkel wordt bepaald door het beslag op haar woning. Zonder nadere, door de Dienst niet gestelde, omstandigheden valt niet in te zien waarom [naam appellante] een terugbetaling van dit bedrag niet zou kunnen opbrengen of financieren.

De grieven IV en V treffen doel.

5.6 De door [naam appellante] gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen worden afgewezen nu zij niet heeft aangetoond, ook niet na de gemotiveerde betwisting daarvan door de Dienst, dat deze kosten ook werkelijk door haar zijn gemaakt.

6 Slotsom

Het vonnis waarvan beroep moet worden vernietigd en het door [naam appellante] gevorderde voorschot zal alsnog worden toegewezen. De Dienst zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van de beide instanties. Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding,

vernietigt het vonnis waarvan beroep,

en, opnieuw recht doende,

veroordeelt de Dienst om tegen bewijs van kwijting aan [naam appellante]te betalen ten titel van voorschot op geleden schade de somma van f. 21.435,09, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag

vanaf 1 september 1999 tot de dag van de voldoening,

veroordeelt de Dienst in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de kant van [naam appellante] in eerste aanleg bepaald op f. 479,79 aan verschotten en op f. 1.550,-- voor salaris procureur, en in hoger beroep bepaald op f. 685,15 aan verschotten en op f. 3.600,-- voor salaris procureur,

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs Steeg, Smeeïng-Van Hees en Groen,

en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 november 2000.