Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2000:AA8013

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
17-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/371 P
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 oktober 2000

pachtkamer

rolnummer 99/371 P

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats appellant],

appellant in principaal beroep,

geïntimeerde in incidenteel beroep,

procureur: mr J.B.R. Daniëls,

tegen:

1. [principaal geïntimeerde sub 1],

wonende te [woonplaats principaal geïntimeerde sub 1],

2. [principaal geïntimeerde sub 2],

wonende te [woonplaats principaal geïntimeerde sub 2],

geïntimeerden in principaal beroep,

appellanten in incidenteel beroep,

procureur: mr ir. A.F. van Dam.

1 De procedure in eerste aanleg

De pachtkamer van het kantongerecht te Nijmegen heeft op 11 mei 1998 (in een incident), 8 februari 1999 en 12 april 1999 tussen appellant in principaal beroep, geïntimeerde in incidenteel beroep -verder te noemen: [principaal appellant]- als gedaagde enerzijds en geïntimeerden in principaal beroep, appellanten in incidenteel beroep -verder te noemen: [principaal geïntimeerden].- als eisers anderzijds vonnissen gewezen. In die vonnissen heeft de pachtkamer zich bevoegd verklaard van de zaak kennis te nemen, is aan [principaal geïntimeerden]. opgedragen een akte te nemen respectievelijk is [principaal appellant] veroordeeld om aan [principaal geïntimeerden]. te betalen een bedrag van ƒ 16.270,80 met rente en buitengerechtelijke kosten onder veroordeling van [principaal geïntimeerden] in de kosten van de procedure. Van de drie vonnissen is afschrift aan dit arrest gehecht. Daarnaar wordt verwezen voor de procesgang in eerste aanleg en de aan de beslissing ten grondslag gelegde motivering.

2 De procedure in hoger beroep

2.1 Bij exploot van 10 mei 1999 is [principaal appellant] in hoger beroep gekomen van de vonnissen van 8 februari 1999 en 12 april 1999 met dagvaarding van [principaal geïntimeerden]. voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [principaal appellant] acht grieven aangevoerd en toegelicht, producties overgelegd en geconcludeerd dat het hof de vonnissen zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, voor zover wettelijk geoorloofd uitvoerbaar bij voorraad, de door [principaal geïntimeerden]. ingestelde vorderingen alsnog zal afwijzen als zijnde ongegrond en onbewezen met veroordeling van [principaal geïntimeerden]. in de kosten van deze procedure in beide instanties.

2.3 [principaal geïntimeerden]. hebben bij memorie van antwoord verweer gevoerd, onder aanvoering van drie grieven tegen beide vonnissen incidenteel beroep ingesteld, hun eis gewijzigd, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof in het principaal beroep de vonnissen voor zover bestreden door de grieven in principaal beroep desnoods onder verbetering of aanvulling van gronden zal bekrachtigen, althans de grieven ongegrond zal verklaren en [principaal appellant] bij arrest uitvoerbaar bij voorraad zal veroordelen in de kosten van het principaal beroep en in het incidenteel beroep de vonnissen op de door de incidentele grieven bestreden onderdelen zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

-primair: [principaal appellant] zal veroordelen aan [principaal geïntimeerden]. te betalen een bedrag van ƒ 25.941,24 te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 11 juni 1997 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede [principaal appellant] zal veroordelen in de kosten van het geding;

-subsidiair: [principaal appellant] zal veroordelen aan [principaal geïntimeerden]. te betalen een bedrag van ƒ 20.165,97, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 11 juni 1997 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede [principaal appellant] zal veroordelen in de kosten van dit geding;

-meer subsidiair: [principaal appellant] zal veroordelen aan [principaal geïntimeerden]. te betalen een bedrag van ƒ 11.625,30, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 11 juni 1997 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede [principaal appellant] bij arrest uitvoerbaar bij voorraad zal veroordelen in de kosten van dit geding;

2.4 [principaal appellant] heeft bij memorie van antwoord in incidenteel beroep verweer gevoerd, bewijs aangeboden, een productie overgelegd en geconcludeerd dat het hof de door [principaal geïntimeerden]. aangevoerde incidentele grieven ongegrond zal verklaren en de door [principaal geïntimeerden]. zowel primair, subsidiair en meer subsidiair ingestelde vorderingen zal afwijzen als zijnde ongegrond en onbewezen met veroordeling van [principaal geïntimeerden]. in de kosten van beide instanties.

2.5 Hierna hebben partijen de stukken aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest.

3 De grieven

De grieven in principaal beroep luiden:

I In het vonnis van 8 februari 1999 heeft de pachtkamer van het kantongerecht ten onrechte overwogen: “Tijdens de comparitie van partijen van 14 december 1998 heeft gedaagde erkend in totaal 60.000 kg te hebben “volgemolken” te weten 30.000 kg gekocht bij pachtovereenkomst en 30.000 kg geleasd van voornoemde [namen verleasers].”

II In het vonnis van 8 februari 1999 wordt door de pachtkamer van het kantongerecht ten onrechte overwogen: “Uit een en ander blijkt duidelijk dat de stellingen van eisers juist zijn. Eisers konden de 30.000 kg die zijn verkocht bij de pachtovereenkomst in het jaar 1994/1995 niet leveren en hebben via [naam tussenpersoon] ervoor gezorgd dat vervangende 30.000 kg quotum voor gedaagde werd geleasd. Eisers hebben die 30.000 kg geleasde melk ook betaald.”

III Door de pachtkamer van het kantongerecht wordt in het vonnis van 8 februari 1999 ten onrechte overwogen: “Hoewel de administratieve fout is gemaakt is door de tussenpersoon [naam tussenpersoon] kan aan gedaagde worden verweten dat hij zoals eisers stellen toerekenbaar tekort is geschoten in zijn verplichtingen jegens eisers omdat volgens de nadere overeenkomst gedaagde wist, zoals hij heeft toegegeven ter zitting, dat hij maar recht had op in totaal 30.000 kg melkquotum, zodat hij terzake schadevergoeding verschuldigd is.”

IV In het vonnis van 8 februari 1999 heeft de pachtkamer van het kantongerecht ten onrechte overwogen: “Dat gedaagde, die wist, dat hij maar 30.000 kg mocht volmelken volgens de nadere afspraak, toch meer heeft volgemolken zonder dit aan eisers tijdig mee te delen, moet gedaagde worden aangerekend.”

V Ten onrechte heeft de pachtkamer van het kantongerecht in het vonnis van 8 februari overwogen: “Omdat hij dit niet tijdig aan eisers heeft medegedeeld heeft hij willens en wetens misbruik gemaakt van de administratieve fout van [naam tussenpersoon].”

VI Door de pachtkamer van het kantongerecht wordt in het vonnis van 8 februari 1999 ten onrechte overwogen: “Wel staat vast, dat gedaagde willens en wetens misbruik heeft gemaakt van de administratieve fout en dat hij geen recht had op het 30.000 kg geleasde melkquotum. Het bedrag dat eisers voor die lease-overeenkomsten hebben betaald is dan ook het bedrag, dat gedaagde moet vergoeden, dat wil zeggen een bedrag van ƒ 10.966,80 aan [naam verleaser] betaald en een nog niet bekend bedrag aan [naam verleaser].”

VII Ten onrechte heeft de pachtkamer van het kantongerecht [principaal appellant] bij vonnis van 12 april 1999 veroordeeld tot betaling van een bedrag aan buitengerechtelijke kosten ten bedrage van ƒ 2.264,32.

VIII Ten onrechte heeft de pachtkamer van het kantongerecht [principaal appellant] bij vonnis van 8 februari 1999 en 12 april 1999 veroordeeld tot betaling van een bedrag van ƒ 16.270,80.

De grieven in incidenteel beroep luiden:

A Ten onrechte overweegt de pachtkamer van het kantongerecht in het vonnis van 8 februari 1999: “Aan de andere kant hebben ook eisers schuld daaraan, omdat zij ook gelegenheid hadden gehad, dat tijdig te constateren aan de hand van in de eerste plaats hun cijferregistratie van het melkquotum en tevens van de tweewekelijkse melkafrekeningen met de actuele stand van zaken. Eisers, zelf medeschuldig door hun onoplettendheid aan de opgelegde superheffing kunnen derhalve niet volledige schadevergoeding daarvan verlangen.”

B Ten onrechte overweegt de pachtkamer van het kantongerecht in het vonnis van 8 februari 1999: “Wel staat vast, (…) dat hij (bedoeld wordt gedaagde, toevoeging RG), geen recht had op het 30.000 kg extra geleasde melkquotum. Het bedrag dat eisers voor die lease-overeenkomsten hebben betaald is dan ook het bedrag, dat gedaagde moet vergoeden, dat wil zeggen een bedrag van ƒ 10.966,80 aan [naam verleaser] betaald en een nog niet bekend bedrag betaald aan [naam verleaser].”

C Ten onrechte heeft de pachtkamer van het kantongerecht bij vonnis van 12 april 1999 [principaal appellant] veroordeeld aan [principaal geïntimeerden]. te betalen een bedrag van ƒ 16.270,80, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 oktober 1997, alsmede tot betaling van ƒ 2.264,32 terzake van buitengerechtelijke incassokosten.

4 De vaststaande feiten

4.1 Tussen partijen staat -voor zover voor dit hoger beroep van belang- als enerzijds erkend en anderzijds niet of onvoldoende betwist het navolgende vast.

4.2 Bij schriftelijke overeenkomst van 6 december 1994 hebben [principaal geïntimeerden]. met ingang van 1 november 1994 voor de duur van zes jaren (eindigende 1 november 2000) aan [principaal appellant] verpacht een perceel weiland aan de [adres weiland] te [plaats waar weiland is gelegen], uitmakende een ter plaatse afgebakend gedeelte ter grootte van 1.50 ha van het perceel Kadastraal bekend gemeente [plaats waar weiland is gelegen], sectie H, nummer 620. Deze overeenkomst is op 7 december 1994 bij de grondkamer voor Gelderland ingekomen en op 15 december 1994 door die grondkamer goedgekeurd.

4.3 Bij de onder 4.2 bedoelde pachtovereenkomst werd tevens door [principaal geïntimeerden]. aan [principaal appellant] met ingang van het melkprijsjaar 1995/1996 overgedragen een referentiehoeveelheid melk (melkquotum) van 30.000 kg met een vetgehalte van 4,04%. In die overeenkomst staat tevens vermeld dat dit melkquotum van 30.000 kg voor het lopende melkprijsjaar 1994/1995 zou worden geregistreerd ten name van de pachter, zulks met ingang van 6 december 1994.

4.4 Bij afzonderlijke overeenkomst van 6 december 1994 is bedoeld melkquotum door [principaal geïntimeerden]. aan [principaal appellant] verkocht met ingang van 1 november 1994 tegen een koopsom van ƒ 110.400,--.

4.5 Voordat de onder 4.3 en 4.4 bedoelde stukken werden opgemaakt was door [principaal geïntimeerden]. ontdekt dat zij het melkquotum in het lopende melkprijsjaar reeds hadden volgemolken. [principaal appellant] heeft er toen mee ingestemd dat het melkquotum eerst met ingang van het heffingsjaar 1995/1996 op zijn naam zou worden geregistreerd.

4.5 [principaal appellant] heeft door tussenkomst van [principaal geïntimeerden]. op 8 december 1994 van [naam verleaser] een melkquotum van 18.425 kg met vetgehalte 4,47% en op 21 december 1994 van [naam verleaser] een melkquotum van 11.575 met vetgehalte 3,82% (samen 30.000 kg) tijdelijk overgedragen gekregen (geleast).

4.6 [principaal geïntimeerden]. hebben voor het melkprijsjaar 1994/1995 een superheffing opgelegd gekregen van ¦ 23.478,--, hetgeen overeenstemt met 30.000 kg teveel geproduceerde melk.

4.7 [principaal appellant] heeft van de ontvangen 60.000 kg een hoeveelheid van 52.829 kg volgemolken. Partijen hebben tevergeefs gepoogd het door [principaal appellant] niet volgemolken gedeelte van 7.171 kg voor het melkprijsjaar 1994/1995 op naam van [principaal geïntimeerden]. geregistreerd te krijgen.

5 Beoordeling van het geschil in hoger beroep

5.1 [principaal geïntimeerden]. hebben in eerste aanleg aan hun vordering tot vergoeding van schade de stelling ten grondslag gelegd, dat [principaal appellant] toerekenbaar is tekort geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de melkoverdracht dan wel onrechtmatig heeft gehandeld door niet aan [principaal geïntimeerden]., de bemiddelaars dan wel het COS mee te delen dat het overgedragen melkquotum van 30.000 kg ten onrechte op zijn naam was geregistreerd en vervolgens zonder recht of titel 22.829 kg heeft volgemolken (inleidende dagvaarding onder 10). Naar het hof hen begrijpt, hebben zij daarbij de zaak betrekkelijk tot een pachtovereenkomst geacht omdat het melkquotum door middel van een pachtovereenkomst is geleverd (conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident onder 2). In hoger beroep hebben zij primair gesteld dat [principaal appellant] “toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de pachtovereenkomst” (memorie van antwoord in principaal beroep en van grieven in incidenteel beroep onder 35), maar daarbij blijkt niet dat zij aan hun vordering een andere grondslag hebben willen geven dan in eerste aanleg. Subsidiair hebben zij hun vordering gegrond op art. 6:78 (niet toerekenbaar tekortschieten) en meer subsidiair op de toezegging van [principaal appellant], dat hij een bedrag van ¦ 10.273,-- zou vergoeden.

5.2 De pachtrechter is een bijzondere rechter. Hij dient ambtshalve over zijn bevoegdheid te beslissen -ook al achten beide partijen de pachtrechter bevoegd- en moet zonodig in hoger beroep alsnog zijn onbevoegdheid uitspreken. Het hof wijst hierbij op art. 156 Rv alsmede op zijn uitspraken van 27 februari 1961, P 1961, 2233 en 8 februari 1965, P 1965, 2570. Weliswaar is het hof in het onderhavige geval gebonden aan de -door partijen in hoger beroep niet bestreden- beslissing omtrent de feitelijke grondslag van de eis door de pachtkamer van het kantongerecht (zie HR 24 april 1981, NJ 1981, 494), maar dit brengt nog niet mee, dat het hof tevens gebonden is aan de vaststelling van genoemde pachtkamer, dat ook het werkelijke onderwerp van geschil betrekkelijk tot een pachtovereenkomst is. Dit aspect -een kwestie van openbare orde- dient alsnog te worden beoordeeld.

5.3 Naar het oordeel van het hof kan het werkelijke onderwerp van geschil niet worden aangemerkt als betrekkelijk tot een pachtovereenkomst, noch als betrekkelijk tot een vordering als bedoeld in art. 129 Pw. Het geschil betreft immers de door [principaal geïntimeerden]. gestelde omstandigheid dat [principaal appellant] een hem (wat betreft het heffingjaar 1994/1995) abusievelijk -immers niet berustend op het door partijen (nader) overeengekomene- overgedragen melkquotum heeft volgemolken; dit geschil vindt, ook blijkens de stellingen van [principaal geïntimeerden]. zelf, zijn grondslag in de overdracht van het melkquotum tussen [principaal geïntimeerden]. als verkopers en [principaal appellant] als koper daarvan en niet in enige verplichting uit de tussen partijen gesloten pachtovereenkomst. De meer subsidiaire vordering vindt haar grondslag in een toezegging van [principaal appellant] een geldbedrag aan [principaal geïntimeerden]. te zullen betalen en kan evenmin in verband worden gebracht met enige verplichting uit de pachtovereenkomst.

5.4 Aan het boven gegeven oordeel doet niet af, dat de overdracht van het melkquotum is neergelegd in een pachtcontract, waarbij is vermeld dat de verpachter het melkquotum aan de pachter overdraagt. Uit die overeenkomst in samenhang met de onder 4.4 bedoelde koopovereenkomst -gelet ook op hetgeen partijen daaromtrent hebben aangevoerd- blijkt immers zonder meer, dat deze er feitelijk toe strekken het melkquotum (definitief) ter beschikking te stellen van [principaal appellant] in diens hoedanigheid van koper van dat quotum en niet in diens hoedanigheid van pachter. Hieruit volgt onder meer dat [principaal appellant] niet jegens [principaal geïntimeerden]. verplicht is de samenhang van het quotum met de gepachte grond in stand te houden. Dat de overdracht middels een pachtovereenkomst is gerealiseerd, lijkt -ook blijkens hetgeen partijen daaromtrent hebben gesteld- louter te zijn ingegeven door de voorschriften van de destijds geldende Beschikking Superheffing 1993 (van 23 maart 1993, gewijzigd door regeling van 19 januari 1994, Stcrt. 14), waaruit volgt dat quotum slechts kan worden overgedragen in samenhang met de overdracht -waaronder begrepen voldoende duurzame verpachting- van voor de melkproduktie gebruikte grond. Het hof wijst in dit verband nog op hetgeen in genoemde koopovereenkomst onder 5, 6 en 7 is bepaald, waaruit blijkt dat [principaal appellant] zich jegens [principaal geïntimeerden]. heeft verplicht de pacht uiterlijk per 15 december 1995 -dus ruim één jaar na aanvang, zulks geheel conform de minimumeisen die art. 15, lid 4 van de Beschikking Superheffing 1993 destijds stelde aan de verwerver voor de duur van diens gebruik van grond in samenhang waarmee quotum was overgedragen, ongeacht de titel voor dat gebruik- te beëindigen, zulks op straffe van verbeurte van een boete van ƒ 100.000,--. Voor de beoordeling van de vorderingen van [principaal geïntimeerden]. is dan ook in het geheel niet van betekenis of het melkquotum in samenhang met een pachtovereenkomst dan wel bijvoorbeeld in samenhang met een eigendomsoverdracht van grond op [principaal appellant] zou zijn overgegaan.

5.5 [principaal geïntimeerden]. hebben in eerste aanleg ter onderbouwing van de gestelde bevoegdheid van de pachtrechter in hun conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident nog gewezen op het arrest van dit hof van 4 september 1989, Agr R 1990, 4353. Het in dat arrest beoordeelde geschil betrof echter een rechtstreeks uit de pachtovereenkomst voortvloeiende verplichting, namelijk de verplichting van een pachter om aan het einde van de pachtovereenkomst de grond aan de verpachter op te leveren met het met die grond samenhangende melkquotum. Uit dat arrest blijkt dat die verplichting in verband staat met art. 25, lid 2 van de Pachtwet en met de uit de pachtovereenkomst voortvloeiende eisen van redelijkheid en billijkheid. In het onderhavige geval houdt, zoals eerder in dit arrest overwogen, het geschil geen verband met enige verplichting uit de pachtovereenkomst, doch is het geheel uitvloeisel van de tussen partijen gesloten koopovereenkomst.

5.6 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dienen [principaal geïntimeerden]. uit hoofde van het werkelijke onderwerp van geschil in hun vorderingen niet-ontvankelijk te worden verklaard. De vonnissen van 8 februari 1999 en 12 april 1999 zullen daartoe ambtshalve worden vernietigd. [principaal geïntimeerden]. zullen worden veroordeeld in de kosten van de eerste aanleg en in die van het principaal beroep. [principaal appellant] zal worden veroordeeld in de kosten van het incidenteel beroep, nu (ook) dat beroep, gelet op de beslissing van het hof, onnodig is ingesteld.

6 De beslissing

Het hof, rechtdoende in principaal en incidenteel beroep,

vernietigt de vonnissen van de pachtkamer van het kantongerecht te Nijmegen van 8 februari 1999 en 12 april 1999 en, opnieuw rechtdoende:

verklaart [principaal geïntimeerden]. niet-ontvankelijk in hun vorderingen;

veroordeelt [principaal geïntimeerden]. in de kosten van de eerste aanleg, aan de zijde van [principaal appellant] begroot op ƒ 1.500,-- wegens salaris gemachtigde alsmede in de kosten van het principaal beroep, aan de zijde van [principaal appellant] tot op heden begroot op ¦ 635,-- wegens griffierecht en ¦ 1.200,-- wegens salaris;

veroordeelt [principaal appellant] in de kosten van het incidenteel beroep, aan de zijde van [principaal geïntimeerden]. begroot op ¦ 600,-- wegens salaris.

Dit arrest is gewezen door mrs Heisterkamp, Runia en Valk en de raden De Weichs de Wenne en Wentink en uitgesproken in tegenwoor-digheid van de griffier ter openbare terechtzitting van 17 oktober 2000.