Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2000:AA7883

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
25-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
21-001631-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-001631-00

Uitspraak dd: 25 oktober 2000

TEGENSPRAAK

GERECHTSHOF TE ARNHEM

militaire kamer

ARREST

Gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de militaire kamer van de arrondissementsrechtbank te Arnhem van 6 juli 2000 in de strafzaak tegen

[verdachte],

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis, waarbij de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijn vervolging van verdachte is verklaard, hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest Is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 11 oktober 2000 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Het hof is van oordeel dat het voortzetten van de strafvervolging tegen verdachte niet in strijd is met de toepasselijke beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging.

Daartoe overweegt het hof:

1. Door of vanwege de officier van justitie zijn aan verdachte geen toezeggingen gedaan waaraan deze in redelijkheid de gerechtvaardigde verwachting mocht ontlenen dat hij niet verder zou worden vervolgd.

2. Niet kan worden gezegd dat op grond van het zich thans in het dossier bevindende materiaal, een veroordeling zo onwaarschijnlijk is, dat voortzetting van de strafvervolging onbehoorlijk zou zijn.

3 De officier van justitie heeft zijn beslissing tot verdere vervolging mede genomen op grond van de hem daartoe, op grond van het toen vigerende artikel 8 van het Wetboek van Strafvordering, gegeven opdracht. Dat deze opdracht, zoals zijdens verdachte is gesteld, in overleg binnen het College van procureurs-generaal tot stand zou zijn gekomen, staat aan de rechtmatigheid daarvan niet in de weg.

4. Naar het oordeel van het hof is de door de officier van justitie gemaakte afweging van de belangen van de maatschappij, die van de slachtoffers en hun nabestaanden daaronder begrepen, bij (verdere) vervolging tegen die van verdachte bij het achterwege blijven daarvan, niet onjuist.

Voor zover nodig overweegt het hof nader dat de opportuniteit van de vervolging van anderen (burgers dan wel militairen) thans niet ter beoordeling staat van het hof, hetgeen niet afdoet aan het hiervoor overwogene ten aanzien van de vervolging van verdachte.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht:

Verklaart de officier van justitie ontvankelijk in zijn strafvervolging en wijst de zaak terug naar de militaire kamer van de arrondissementsrechtbank te Arnhem, teneinde de zaak, met inachtneming van dit arrest, opnieuw te berechten.

Aldus gewezen door mr. Lion, voorzitter, mrs. Van den Heuvel, lid, en commandeur Gillissen, militair lid, in tegenwoordigheid van mr. Mientjes, griffier, en op 25 oktober 2000 ter openbare terechtzitting uitgesproken.