Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2000:AA7357

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
13-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99-01188
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2002/234
V-N 2001/20.2.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

jl

Gerechtshof Arnhem

Zesde enkelvoudige belastingkamer

nummer 99/1188

U i t s p r a a k

op het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente Brummen (hierna: de ambtenaar) op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden beschikking.

1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

1.1. Bij beschikking van 15 februari 1997, nummer 1, is de waarde van de onroerende zaak a-weg 1, RECR te Q op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet) vastgesteld op ¦ 10.030.000,--. Op 23 november 1998 is op grond van artikel 27 van de Wet voor de onroerende zaak een herzieningsbeschikking onder nummer 2 gegeven. De waarde is in die beschikking nader vastgesteld op ¦ 17.250.000,--

1.2. Belanghebbende heeft tegen de herzieningsbeschikking bezwaar gemaakt. De ambtenaar heeft de beschikking bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. De ambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 31 augustus 2000 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.4. Partijen hebben ter zitting ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota’s moet als hier ingelast worden aangemerkt. Zonder bezwaar van de wederpartij heeft belanghebbende bij zijn pleitnota twee (2) bijlagen overgelegd.

2. Feiten

Het Hof stelt, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende is eigenaar van de camping aan de a-weg 1 te Q. De waarde van de camping is naar de peildatum 1 januari 1990 bepaald op ¦ 19.000.000,--. Na deze datum heeft belanghebbende aanzienlijke investeringen gedaan (in 1991 de bouw van 90 recreatiewoningen; in 1993 de bouw van 67 recreatiewoningen en 7 bungalows; in 1994 het uitbreiden van het restaurant en de sauna). Het totale bedrag aan bouwkosten voor deze nieuwe of vernieuwde voorzieningen bedroeg ¦ 10.330.000,--

2.2. Zij heeft na ontvangst van de beschikking van 15 februari 1997 tegen die beschikking bezwaar gemaakt en op grond van artikel 40 van de Wet verzocht om toezending van de taxatiegegevens van de drie in de beschikking genoemde objecten:

-a-weg 1 ¦ 283.000,--

-a-weg 1, RECR ¦ 10.030.000,--

-a-weg 1, REST ¦ 987.000,--

2.3. Belanghebbende heeft in maart 1997 taxatieverslagen ontvangen, waarin uitsluitend de waarde en de perceelsoppervlakte is vermeld. Op 26 mei 1997 heeft belanghebbende opnieuw verzocht om nadere gegevens van de objecten. Op 13 januari 1998 heeft belanghebbende nadere informatie toegezonden gekregen. Een herzieningsbeschikking voor a-weg 1 RECR zou zijn bijgesloten, maar is door belanghebbende niet aangetroffen. De ambtenaar deelde nog mee dat bij het opstellen van het taxatieverslag was gebleken dat abusievelijk een administratieve fout was gemaakt door de waarde voor dit laatstgenoemde object in plaats van op ¦ 17.250.000,-- vast te stellen op ¦ 10.030.000,--. In een ook op voormelde datum toegezonden taxatierapport is de volgens de ambtenaar juiste waarde van ¦ 17.250.000,-- onderbouwd.

2.4. Met betrekking tot de waarde van ¦ 10.030.000,-- bestaat geen enkel onderbouwend administratief gegeven. Dit bedrag is volstrekt willekeurig en heeft geen enkele binding met bij de ambtenaar berustende gegevens over het betrokken object. Bij het invoeren van gegevens door het taxatiebureau is de waarde verkeerd overgenomen en terecht gekomen in het geautomatiseerde systeem. Daardoor is die - onjuiste - waarde gehanteerd bij het vervaardigen van de beschikking en het taxatieverslag.

2.5. Na een verzoek daartoe van belanghebbende, gedaan op 26 februari 1998, is de herzieningsbeschikking op 23 november 1998 vastgesteld. De waarde is vastgesteld op ¦ 17.250.000,-- naar het waardepeil op 1 januari 1995 en de toestandsdatum 1 januari 1997.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of voor belanghebbende kenbaar was of moet zijn geweest dat de vaststelling van de waarde op ¦ 10.030.000,-- onjuist was.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting geen nieuwe argumenten of verweren toegevoegd. Partijen hebben ter zitting bevestigd dat indien in deze kwestie het gelijk aan de ambtenaar is, tussen partijen de vastgestelde waarde van ¦ 17.250.000,-- niet in geschil is.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en - kennelijk - tot vernietiging van de bestreden beschikking. De ambtenaar concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Artikel 27 van de Wet, voor zover hier van belang, bepaalt dat indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat de waarde te laag is vastgesteld, de ambtenaar de in artikel 22, eerste lid, van de Wet bedoelde beschikking kan herzien bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Een feit dat de ambtenaar bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor herziening opleveren. Deze uitzondering is bedoeld voor - en moet mitsdien, gelet op de hoofdregel, geacht worden te zijn beperkt tot - die gevallen, waarin een beschikking bij de geadresseerde de indruk kan wekken te berusten op een - zij het mogelijk onjuiste - vaststelling van de waarde door de ambtenaar. Tot die gevallen behoort niet de situatie waarin bij het opmaken van de beschikking de waarde te laag is vastgesteld als gevolg van een schrijf- of typefout of daarmee gelijk te stellen vergissing die niet voortvloeit uit een onjuist inzicht in de op de waardevaststelling betrekking hebbende feiten en die voor belanghebbende kenbaar is of redelijkerwijs kenbaar moet zijn.

4.2. De ambtenaar stelt dat belanghebbende de fout had kunnen herkennen, aangezien de getaxeerde waarde van het object a-weg 1 per 1 januari 1990 reeds op ¦ 19.025.000,-- was vastgesteld en het nu gaat om een waardering vijf jaren later. De ambtenaar voegt daar nog aan toe dat tussen 1994 en 1997 diverse bouwactiviteiten met een waardeverhogende invloed hebben plaatsgevonden.

4.3. Belanghebbende stelt dat haar, hoewel zij daarom gevraagd heeft, in strijd met artikel 40 van de Wet, niet de gegevens zijn verstrekt die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde en dat zij daarom, zo begrijpt het Hof, de juistheid van de in de beschikking genoemde waarde niet heeft kunnen beoordelen. Belanghebbende stelt voorts dat haar die waarde, ook zonder te beschikken over die gegevens, niet te laag voorkwam omdat de bedrijfsresultaten landelijk gezien sterk onder druk staan vanwege een hevige concurrentiestrijd.

4.4. Het Hof is door belanghebbendes betoog niet overtuigd. De onder 2.1. genoemde feiten en de onder 4.2. genoemde omstandigheden moeten belanghebbende, ook zonder nader inzicht in de aan de waardevaststelling ten grondslag liggende -overigens niet bestaande- berekeningen, aanstonds hebben doen twijfelen aan de juistheid van de in de beschikking genoemde waarde. Mocht belanghebbende met zijn betoog bedoelen te stellen dat de herziening van de waarde berust op een verandering van inzicht bij de ambtenaar dan zal het Hof belanghebbende daarin niet kunnen volgen. Het Hof is er niet van overtuigd en acht bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zulks het geval is geweest.

4.5. De omstandigheid dat in de loop van de tijd door of vanwege de ambtenaar aan belanghebbende uiteenlopende waarden zijn meegedeeld doet daaraan niet af, aangezien die waarden (¦ 25.133.000,-- en ¦ 17.250.000,--) alle hoger zijn en genoemd zijn na de dagtekening van de beschikking. Voor de beoordeling van de onder 4.1. hiervoor genoemde kwestie komt het er echter op aan wat voor belanghebbende kenbaar was ten tijde van het kennisnemen van de beschikking.

4.6. Belanghebbende beroept zich voorts op een taxatierapport gemaakt in opdracht van de ambtenaar. Het Hof beschikt niet over dit rapport. Het Hof is daardoor niet in staat om het, op zichzelf onvoldoende feitelijk onderbouwde, beroep op dit rapport te beoordelen. Met name is onduidelijk hoe door middel van de gehanteerde taxatiemethoden uiteindelijk tot de waarde van ¦ 17.250.000,-- is gekomen. Er kan daarom niet worden vastgesteld of en in hoeverre in dit rapport steun is te vinden voor belanghebbendes stelling dat de fout voor haar niet kenbaar was.

4.7. Anders dan belanghebbende kennelijk meent kan niet aan het enkele feit dat tegen de primaire beschikking bezwaar is aangetekend de conclusie worden verbonden dat voor belanghebbende kenbaar was of moest zijn dat sprake was van een administratieve fout.

4.8. Belanghebbende heeft voor het eerst in haar pleitnota melding gemaakt van een door haar op basis van de inkomensmethode gemaakte berekening van de waarde. Deze waarde komt volgens haar uit op ¦ 11.500.000,--. Het Hof beschikt niet over deze berekening. Die berekening is kennelijk wel, de dag voor de zitting in de namiddag, aan de ambtenaar overhandigd. De ambtenaar heeft ter zitting bezwaar gemaakt tegen het behandelen van deze nadere stelling omdat het hem in die korte periode niet mogelijk is gebleken de juistheid van die gepresenteerde waarde te beoordelen. Het Hof heeft om die reden deze stelling ter zitting gepasseerd. Belanghebbende heeft niet verzocht om aanhouding van de zaak.

4.9. De overige klachten behoeven geen behandeling.

4.10. Het beroep is ongegrond; de uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus gedaan te Arnhem op 13 september 2000 door mr. Lamens, raadsheer, lid van de zesde enkelvoudige kamer in tegenwoordigheid van mw. mr. Van Hoorn, als griffier.

Mw. Van Hoorn is door vakantie verhinderd om te tekenen

(J. Lamens)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 19 september 2000

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt, is een griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten