Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2000:AA7210

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
07-08-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99-00160
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2001/343
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

Tweede meervoudige belastingkamer

nummer 99/00160

Uitspraak

op het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de directeur dienst Burger en Bestuur van de gemeente Almelo (hierna: de Ambtenaar) op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden naheffingsaanslag parkeerbelasting.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

1.1. De naheffingsaanslag is, met dagtekening 19 oktober 1998 en onder nummer 1, vastgesteld op een bedrag van ƒ 66,50 te weten ƒ 1,50 aan parkeerbelasting en ƒ 65,- aan kosten. De naheffing is gebaseerd op de Verordening parkeerbelastingen 1998 (hierna: de Verordening).

1.2. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag op 10 november 1998 bezwaar gemaakt. De Ambtenaar heeft de naheffingsaanslag bij de bestreden uitspraak van 21 december 1998 gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak op 14 januari 1999 in beroep gekomen bij het Hof en heeft bij haar beroepschrift drie bijlagen overgelegd. De Ambtenaar heeft een vertoogschrift met negen bijlagen ingediend.

1.4. De eerste mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van de achtste enkelvoudige belastingkamer van het Hof van 4 april 2000 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord A namens belanghebbende, alsmede de Ambtenaar. Tijdens deze zitting zijn, zonder bezwaar van de tegenpartij, door de Ambtenaar zes stukken overgelegd waaronder een kopie van een gedeelte van een besluitenlijst van de vergadering van Burgemeester en Wethouders van Almelo op 19 december 1995, en een ambtelijke nota "Belanghebbenden parkeren in Almelo" van de Dienst Milieu- en Stadsbeheer, Afdeling Civiele Techniek van de gemeente Almelo, gedateerd december 1995.

1.5. Het lid van de achtste enkelvoudige belastingkamer heeft, met toepassing van artikel 4, lid 5, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken het geding verwezen naar een meervoudige belastingkamer van het Hof, ter verdere behandeling.

1.6. De mondelinge behandeling van de zaak voor de tweede meervoudige belastingkamer heeft plaatsgehad ter zitting van van 29 juni 2000 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord A namens belanghebbende, alsmede de Ambtenaar.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende heeft op 19 oktober 1998 de personenauto van het merk Hyundai met kenteken aa-bb-11 geparkeerd op een parkeerplaats aan de a-straat te Almelo. Ter plaatse in aangegeven dat voor het parkeren een parkeerbelasting moet worden voldaan.

2.2. Bij controle om 15:45 uur door een parkeercontroleur van de gemeente Almelo is gebleken dat op dat moment de toegestane parkeertijd was verstreken. Door de parkeercontroleur is de onder 1.1. bedoelde naheffingsaanslag opgemaakt, en het biljet is door hem, overeenkomstig artikel 234, lid 8, van de Gemeentewet, aan het voertuig aangebracht.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

3.2. Belanghebbende is van mening dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd. Zij erkent dat op het moment van controle de verschuldigde parkeerbelasting niet was voldaan, maar zij beroept zich op overmacht. Na brand op de voorgaande dag in een kantoor van een cliënt, diende door één van de werknemers van belanghebbende het automatiseringssysteem met spoed weer hersteld te worden. Die werknemer heeft, nadat bij de aanvang van het parkeren wel parkeerbelasting was voldaan, door die spoedwerkzaamheden verzuimd tijdig wederom parkeerbelasting te voldoen. De Ambtenaar verdedigt dat de gestelde overmacht geen reden is om van het opleggen van een naheffingsaanslag af te zien. In de nabije omgeving had voor ƒ 3,- een hele dag geparkeerd kunnen worden.

3.3. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Daaraan is ter zitting nog het volgende toegevoegd.

3.3.1. Door belanghebbende

Tijdens de zitting op 4 april 2000:

De betreffende werknemer moest wel voor de deur parkeren omdat zware goederen moesten worden uitgeladen. Door de drukke werkzaamheden is die werknemer vergeten weer geld in de automaat te werpen. Het is kwalijk dat niet goed naar haar argumenten is geluisterd. Zij is in de bezwaarfase niet gehoord.

Tijdens de zitting op 29 juni 2000:

Zij ziet af van een vergoeding van proceskosten.

3.3.2. Namens de Ambtenaar:

Tijdens de zitting op 4 april 2000:

Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. De thans overgelegde nota en het besluit in de vergadering van Burgemeester en Wethouders vormen het aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 8 van de Verordening.

Tijdens de zitting op 29 juni 2000:

De van toepassing zijnde verordening is de Verordening parkeerbelastingen 1998. Deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel (hierna: de Tarieventabel) zijn door de gemeenteraad aangenomen op 6 november 1997. De a-straat ligt in het in de Tarieventabel genoemde centrumgebied (blauw gekleurd). Er is geen besluit van 6 november 1997 of van een latere datum van burgemeester en wethouders met betrekking tot de aanwijzing van parkeerplaatsen. Er is wel een besluit genomen in 1999 met betrekking tot een verdere uitbreiding van het gebied waar alleen tegen betaling mag worden geparkeerd. Er is steeds aangenomen dat de tijdens de eerste zitting overgelegde nota en besluitenlijst van burgemeester en wethouders als aanwijzingsbesluit kunnen worden aangemerkt. Met de overgelegde advertentie uit 1996 wordt het nieuwe parkeersysteem bekendgemaakt. In die advertentie is geen besluit genoemd omdat dat niet is vereist. Er is in 1997 geen nieuw bestuit genomen omdat er ten opzichte van de situatie onder de oude verordening niets wijzigde.

3.4. Belanghebbende concludeert, naar het Hof verstaat, tot vernietiging van de bestreden uitspraak en van de naheffingsaanslag. De Ambtenaar concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

Overwegingen vooreerst ambtshalve

4.1. Artikel 225, lid 1, aanhef en onderdeel a, van de Gemeentewet geeft de gemeenteraad de bevoegdheid om in het kader van de parkeerregulering een belasting te heffen ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij de belastingverordening dan wel krachtens de belastingverordening in de daarin aangewezen gevallen door burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze.

4.2. De Verordening parkeerbelastingen 1998 van de gemeente Almelo is vastgesteld op 6 november 1997 en gewijzigd bij Verzamelbesluit tot wijziging van de belastingverordeningen van 26 maart 1998. In de Verordening, zoals deze voor het onderhavige jaar luidt, zijn, voor zover voor het onderhavige geding van belang, de volgende bepalingen opgenomen:

"Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam "parkeerbelastingen" worden de volgende belastingen geheven:

a. een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze;

b. (…)

Artikel 4 Maatstaf van heffing, belastingtarief en belastingtijdvak

De maatstaf van heffing, het belastingtarief en het belastingtijdvak zijn vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel en gewaarmerkte kaart.

Artikel 5 Ontstaan van de belastingschuld

1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren.

2. (…)

Artikel 8 Bevoegdheid tot aanwijzing parkeerplaatsen.

De aanwijzing van de plaats waar, het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, mag worden geparkeerd geschiedt in alle gevallen door het college van burgemeester en wethouders bij openbaar te maken besluit.

Artikel 9 Kosten.

De kosten van de naheffingsaanslag terzake van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, bedragen ƒ 65,--.

(…)

Artikel 14 Inwerkingtreding en citeertitel

1. De "Verordening Parkeerbelastingen" van 7 maart 1996, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 30 mei 1996, goedgekeurd bij besluit van 13 juni 1996, nr. 96/4/U12, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van bekendmaking.

3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 1998.

(…)"

4.3. In de Tarieventabel behorende bij de Verordening parkeerbelastingen 1998 van de gemeente Almelo, zoals deze voor het onderhavige jaar luidt, zijn, voor zover voor het onderhavige geding van belang, de volgende bepalingen opgenomen:

"1. Het tarief voor het parkeren bij parkeerapparatuur als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, bedraagt:

gebied bedrag per tijdseenheid van

Centrumgebied (blauw gekleurd) ƒ 0,25 10 minuten of gedeelte daarvan

Bewonersgebied (geel gekleurd) - 5,00 60 minuten of gedeelte daarvan

Parkeerplaatsen voor langparkeren - 3,00 etmaal (van 0.00 uur tot 24.00 uur)

(paars gekleurd) of gedeelte daarvan

(…)"

4.4. De bekendmaking van de Verordening en de daarbij behorende Tarieventabel heeft naar het oordeel van het Hof op de wettelijk voorgeschreven wijze plaatsgevonden. Daarbij is vermeld dat en waar de Verordening voor een ieder ter inzage ligt.

4.5. Ingevolge artikel 20, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen die op de onderhavige heffing van overeenkomstige toepassing is verklaard kan de Ambtenaar, indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is betaald, de te weinig geheven belasting naheffen. De Ambtenaar verdedigt dat de onderhavige naheffingsaanslag terecht is opgelegd omdat vaststaat dat de verschuldigde parkeerbelasting niet is voldaan.

4.6. Op grond van het bepaalde in artikel 2, aanhef en onderdeel a, en artikel 8 van de Verordening is voor het ontstaan van het belastbare feit ter zake waarvan een parkeerbelasting wordt geheven, in alle gevallen een openbaar te maken besluit van burgemeester en wethouders noodzakelijk dat de aanwijzing inhoudt van de plaats waar, het tijdstip waarop en de wijze waarop tegen betaling van de belasting mag worden geparkeerd.

4.7. Een besluit als bedoeld in 4.6. kan door de Ambtenaar niet worden overgelegd omdat het, naar hij ook ter zitting van 29 juni 2000 heeft verklaard, als zodanig niet is genomen. Naar het oordeel van het Hof kunnen voorts, anders dan de Ambtenaar verdedigt, als zodanig besluit niet gelden het geheel of delen van de door de Ambtenaar tijdens de eerste zitting overgelegde stukken. Die stukken betreffen slechts een ambtelijke nota van december 1995 met betrekking tot de invoering van een (nieuw) systeem van belanghebbendenparkeren waarin tevens is opgenomen de voortzetting van het reeds bestaande systeem van betaald parkeren in de gemeente Almelo, en een besluit van burgemeester en wethouders van 19 december 1995 met deze nota in te stemmen en -onder meer- de raad voor te stellen kredieten voor de uitvoering ter beschikking te stellen, en een parkeerverordening 1996 vast te stellen. Als de ambtelijke nota of het besluit daarmee in te stemmen al als een aanwijzingsbesluit zou kunnen worden aangemerkt (hetgeen naar het oordeel van het Hof niet het geval is) kan dit slechts gelden voor de parkeerverordening 1996 die in samenhang met die nota tot stand is gekomen. Dat besluit is echter niet op de voorgeschreven wijze openbaar gemaakt, waaronder, naar het oordeel van het Hof, is te verstaan een bekendmaking op dezelfde wijze als voorgeschreven voor de parkeerverordening waarop het besluit is gebaseerd. De door de Ambtenaar overgelegde advertentie van 28 september 1996 bevat geen enkele verwijzing naar een besluit, laat staan naar datum en nummer daarvan.

4.8. Behalve op de hiervoor vermelde gronden is het betoog van de Ambtenaar ter zitting dat het door hem veronderstelde aanwijzingsbesluit voor de verordening parkeerbelastingen 1996 ook moet worden aangemerkt als het in de Verordening bedoelde besluit vergeefs voorgedragen in verband met het volgende. Met de intrekking van de oude parkeerverordening 1996 is aan het (vermeende) daarop gebaseerde aanwijzingsbesluit de rechtsgrond komen te ontvallen. De veronderstelling van de Ambtenaar dat een aanwijzingsbesluit, dat is gebaseerd op een ingetrokken verordening, zijn rechtskracht behoudt is naar het oordeel van het Hof in strijd met het legaliteitsbeginsel. Een besluit dat inhoudt dat het oude aanwijzingsbesluit dat op grond van de ingetrokken verordening is genomen onder de nieuwe Verordening Parkeerbelastingen 1998 zijn gelding blijft behouden, is evenmin genomen en kan dan ook door de Ambtenaar niet worden overgelegd.

4.9. Het Hof is voorts van oordeel dat de Tarieventabel evenmin kan gelden als het in 4.6. bedoelde besluit. De Tarieventabel behoort weliswaar bij de Verordening en is als zodanig door de gemeenteraad vastgesteld. De bevoegdheid tot aanwijzing als bedoeld in artikel 8 van de Verordening berust echter "in alle gevallen" bij het college van burgemeester en wethouders en de raad kan daarom die bevoegdheid, zonder voorafgaand daarop gericht besluit, niet meer uitoefenen. Bovendien is het Hof van oordeel dat de Tarieventabel onvoldoende gegevens bevat om als aanwijzingsbesluit in de hiervoor bedoelde zin aangemerkt te kunnen worden. Zowel de exacte plaatsbepaling (de Tarieventabel noemt slechts in het algemeen drie te onderscheiden gebieden), als het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van belasting mag worden geparkeerd, ontbreken in de Tarieventabel.

4.10. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat een besluit als bedoeld in 4.6. niet is genomen. Dat brengt het Hof tot het oordeel dat de onderhavige naheffingsaanslag niet berust op een daarvoor toereikende wettelijke grondslag.

4.11. De door belanghebbende in het beroepschrift naar voren gebrachte klacht kan, gelet op het vorenstaande, buiten behandeling blijven.

5. Conclusie

Uit het bovenstaande volgt dat het beroep gegrond is, en dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd.

6. Proceskosten

Belanghebbende heeft ter zitting nadrukkelijk afgezien van een vergoeding van proceskosten.

7. Beslissing

Het Gerechtshof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar waarvan beroep;

- vernietigt de naheffingsaanslag;

- gelast dat de Ambtenaar aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht van ƒ 45,-

Aldus gedaan te Arnhem op 7 augustus 2000 door mr. P.M. van Schie, vice-president en voorzitter, mr. J.P.M. Kooijmans, en mr. H.E. Koning, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. R. den Ouden als griffier.

(R. den Ouden) (P.M. van Schie)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 9 augustus 2000

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien u na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.