Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2000:AA6654

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
22-05-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/858
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000, 1143

Uitspraak

ak

Gerechtshof Arnhem

eerste meervoudige belastingkamer

nummer 98/858

U i t s p r a a k

op het beroep van X te Z, tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/ondernemingen P (thans eenheid Belastingdienst/Particulieren Q) op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Navorderingsaanslag en bezwaar

Aan belanghebbende is over het jaar 1993 (met het nummer 1.H.37) een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 169.488.

Deze navorderingsaanslag is, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar bij de bestreden uitspraak berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 169.488 met inachtneming van een aftrek ten bedrage van ƒ 15.807 wegens toepassing van de regeling ter voorkoming van dubbele belasting.

2. Geding voor het Hof

2.1 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

2.2. Een mondelinge behandeling van de zaak heeft plaats gevonden op 8 september 1999 ter zitting van de eerste meervoudige kamer van het Hof Aldaar zijn verschenen en gehoord: belanghebbende, diens gemachtigde alsmede de Inspecteur.

Ter genoemde zitting heeft de Inspecteur een pleitnota voorgedragen en afschriften daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota dient als hier ingelast te worden beschouwd.

1. De relatieve competentie

3.1 Wegens onduidelijkheid over het antwoord op de vraag door welke inspecteur uitspraak op het bezwaarschrift was gedaan, en de daaruit voortvloeiende onzekerheid over de bevoegdheid van het Hof om van deze zaak kennis te kunnen nemen, heeft de griffier bij schrijven van 13 september 1999 de Inspecteur verzocht daaromtrent nadere inlichtingen te verstrekken.

3.2 Bij schrijven van 16 september 1999 heeft de Inspecteur medegedeeld dat bedoelde uitspraak is gedaan door de inspecteur van de eenheid P Ondernemingen doch dat de competentie sindsdien is gewijzigd. Toen belanghebbende niet langer als ondernemer werd aangemerkt, is de competentie aanvankelijk overgegaan op de eenheid Belastingdienst Particulieren R en vervolgens - na de interne reorganisatie van de Belastingdienst - op de eenheid Belastingdienst Particulieren Q.

Belanghebbende heeft hierop gereageerd bij schrijven van 21 oktober 1999 en daarbij aangegeven geen prijs te stellen op een verdere mondelinge behandeling. De Inspecteur heeft vervolgens bij schrijven van 5 november 1999 doen weten eveneens van een verdere mondelinge behandeling af te zien.

3.3. Voor het antwoord op de vraag welk Hof bevoegd is met betrekking tot uitspraken waartegen vóór 1 september 1999 beroep is ingesteld, blijft - na de aanpassing van het fiscaal procesrecht aan de Algemene Wet Bestuursrecht per die datum - ingevolge artikel 26, eerste lid, (oud) van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepalend de standplaats van de inspecteur die de uitspraak heeft gedaan.

Belanghebbendes gemachtigde heeft in voornoemd schrijven gesteld dat

"… er ondanks herhaald verzoek geen uitspraak op het bezwaarschrift tegen de onderhavige navorderingsaanslag is gedaan door de belastingdienst P ". In het beroepschrift van 5 januari 1998 schrijft belanghebbendes gemachtigde echter "… Op verzoek van en namens onze cliënt……… komen wij in beroep tegen de uitspraak d.d. 12 december 1997 op ons bezwaarschrift d.d. 31 oktober 1996 tegen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1993 aanslag nummer 1.H37".

Het Hof acht het op grond van het voorgaande aannemelijk dat de tot de gedingstukken behorende op 12 december 1997 gedagtekende "Kennisgeving 1993" gelet op haar inhoud moet worden beschouwd als de uitspraak op het door belanghebbende ingediende bezwaar tegen de meergenoemde navorderingsaanslag en dat de betreffende Inspecteur ressorteerde onder de eenheid P Ondernemingen. Alsdan is het Gerechtshof te Arnhem, zijnde het hof waaronder deze inspectie ressorteert, bevoegd.

4. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

4.1. Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

4.2. Belanghebbende heeft vanaf 1989 tot en met 1993 werkzaamheden verricht voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid A BV terzake waarvan hij in 1993 een bedrag aan provisie heeft ontvangen van ƒ 92.712.

4.3. De provisie is niet per jaar betaald doch in 1993 in zijn geheel aan belanghebbende uitgekeerd. Terzake is door A BV geen loonheffing ingehouden.

4.4. Belanghebbende heeft voornoemd bedrag niet in zijn aangifte inkomstenbelasting 1993 noch deels in de aangiften inkomstenbelasting 1989 tot en met 1992 opgenomen.

4.5. Naar aanleiding van een ingestelde controle heeft de Inspecteur voornoemd bedrag nagevorderd en het bij de primitieve aanslag vastgestelde belastbare inkomen verhoogd als volgt:

Primitieve aanslag ƒ 75.952

bij: provisie ƒ 92.712

minder giftenaftrek ƒ 824

belastbaar inkomen bij navordering ƒ 169.488.

4.6. De Inspecteur heeft bij het opleggen van de navorderingsaanslag ter zake van de bijgetelde provisie geen bedrag aan loonheffing als voorheffing verrekend.

5. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

5.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de in 1993 ontvangen netto-provisie-inkomsten zijn aan te merken als brutoloon ter zake waarvan A BV loonheffing had moeten inhouden en afdragen dan wel als andere inkomsten uit arbeid in de zin van artikel 22, lid 1, onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting (hierna: de Wet I.B '64) alsmede op de vraag of de Inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslag een bedrag aan loonheffing had moeten verrekenen.

5.2 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken

5.3 Partijen hebben daaraan ter zitting van 8 september 1999 nog het volgende toegevoegd:

5.3.1. Namens belanghebbende:

Aanvankelijk werd de provisie in depot gehouden teneinde belastingheffing te voorkomen. Toen die constructie niet meer mogelijk bleek, is het geld in 1993 niet aan mij uitbetaald doch direct overgemaakt naar de Stichting. Ik wist niet dat A BV geen loonbelasting had ingehouden.

5.3.2. Namens de Inspecteur:

Belanghebbende was er zich van bewust dat geen loonbelasting werd ingehouden. Het geld is niet rechtstreeks overgemaakt naar de Stichting doch werd aan belanghebbende uitbetaald.

5.4. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag met de ter zake van de provisie bij A BV na te heffen loonbelasting en premieheffing.

5.5. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Belanghebbende heeft het standpunt ingenomen dat voor de jaren 1989 tot en met 1993 moet worden uitgegaan van een tussen hem en A BV bestaande dienstbetrekking nu in het deelonderzoek-rapport van 31 juli 1996 van de Belastingdienst wordt gesteld dat hij vanaf 1 januari 1996 in zodanige betrekking staat tot A BV. Dit standpunt kan niet worden gevolgd aangezien het al dan niet bestaan van een dienstbetrekking per jaar moet worden beoordeeld naar de in het betreffende jaar geldende verhoudingen en omstandigheden en elk jaar en elke aanslag op zijn eigen merites wordt bezien.

6.2. Het ligt op de weg van belanghebbende het bestaan van deze dienstbetrekking gedurende de jaren 1989 tot en met 1993 aannemelijk te maken. Belanghebbende heeft - met uitzondering van zijn onder 6.1 genoemde stelling - geen feiten of omstandigheden aangevoerd ter onderbouwing van zijn standpunt dat ook reeds in bedoelde periode sprake was van een dienstbetrekking tussen hem en A BV. Ook anderszins is een dergelijk dienstverband niet aannemelijk geworden. Integendeel duiden de omstandigheden zoals het feit dat belanghebbende voor 1994 als zelfstandig ondernemer in de inkomstenbelasting werd betrokken, het feit dat de provisie in depot werd gehouden en het feit dat belanghebbende de in 1993 uitbetaalde provisie niet als inkomen heeft opgegeven, eerder op het tegendeel.

6.3. Een en ander brengt mee dat de in 1993 ontvangen netto-provisie-inkomsten niet zijn aan te merken als brutoloon ter zake waarvan A BV verplicht was loonheffing in te houden en af te dragen maar als andere inkomsten uit arbeid in de zin van artikel 22 van de Wet I.B '64.

6.4. Voorts kan op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, ervan worden uitgegaan dat ter zake van de in 1993 door belanghebbenden ontvangen en niet in de aangifte inkomstenbelasting 1993 begrepen provisie over de jaren 1989 tot en met 1993 geen loonbelasting en premieheffing is ingehouden door A BV. Belanghebbende kan alsdan slechts een beroep doen op verrekening van loonbelasting indien tussen belanghebbende en A BV in die jaren een - al dan niet fictieve - dienstbetrekking heeft bestaan op grond waarvan A BV als werkgever tot zodanige inhouding verplicht was en belanghebbende op dat punt te goeder trouw was, dat wil zeggen meende en ook bij inachtneming van de door hem, gelet op de omstandigheden te betrachten zorgvuldigheid, redelijkerwijs mocht menen dat A BV aan haar verplichting tot inhouding zou voldoen. (H.R. 22 juli 1981, BNB 1981/305,306).

6.5. Gelet op het onder punt 6.2 overwogene heeft belanghebbende naar het oordeel van het Hof niet redelijkerwijs kunnen menen dat op A BV een verplichting tot inhouding zou rusten onderscheidenlijk dat zij aan die niet bestaande verplichting zou voldoen. De Inspecteur heeft derhalve bij het opleggen van de navorderingsaanslag terecht geen loonbelasting verrekend.

6.6. Het beroep van belanghebbende is niet gegrond.

7. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken (oud).

8. Beslissing

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus gedaan te Arnhem op 22 mei 2000 door mr Lamens, voorzitter, mr drs F.J.P.M. Haas en mr De Kroon, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr Egberts als griffier.

(J.L.M. Egberts) (J. Lamens)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 22 mei 2000

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt, is een griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.