Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2000:AA6653

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
18-05-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98-00017
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000, 1133
V-N 2000/40.4

Uitspraak

ak

Gerechtshof Arnhem

eerste meervoudige belastingkamer

nummer 98/17

U i t s p r a a k

op het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X b.v. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Grote ondernemingen P op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen een beschikking inzake de verrekening van een in het boekjaar 1993/1994 geleden verlies met de belastbare winst van het boekjaar 1990/1991.

1. Beschikking en bezwaar

1.1. De beschikking genummerd 1 en gedagtekend 15 april 1997, vermeldt een belastbaar bedrag van ƒ 1.496.257.

1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak van 13 november 1997 de beschikking gehandhaafd.

2. Geding voor het Hof

2.1. Het beroepschrift is ter griffie ontvangen op 22 december 1997 en aangevuld op 18 maart 1998, waarbij 3 bijlagen zijn overgelegd.

2.2. Tot de stukken van het geding behoren het vertoogschrift en de daarin genoemde bijlagen.

2.3. Bij de mondelinge behandeling op 11 november 1999 te Arnhem zijn gehoord de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur voornoemd.

2.4. De notities van het pleidooi dat de gemachtigde van belanghebbende bij de mondelinge behandeling heeft gehouden worden als hier herhaald en ingelast beschouwd.

3. Conclusies van partijen

3.1. Belanghebbende verzoekt in beroep vermindering van het voor het jaar 1990/1991 vastgestelde belastbaar bedrag met ƒ 1.000.000 tot ƒ 496.257.

De Inspecteur concludeert primair tot bevestiging van zijn uitspraak en subsidiair tot vermindering van het voor het jaar 1990/1991 vastgestelde belastbaar bedrag met ƒ 100.000 tot ƒ 1.396.257.

4. De vaststaande feiten

4.1. Belanghebbende exploiteert een houtverduurzamings- en houtverwerkingsbedrijf. Haar boekjaar loopt van 1 oktober tot en met 30 september. Zij is eigenaar van percelen grond aan de a-straat te Q en aan de b-straat 1 te R. Deze grond werd gebruikt door A BV en B BV, een tweetal dochtervennootschappen die tot en met het boekjaar 1994/1995 deel uitmaakten van een fiscale eenheid met belanghebbende als moedervennootschap.

4.2. In 1991 is in opdracht van belanghebbende door C B.V. een milieu-onderzoek gedaan op de locaties a-straat en b-weg, waarbij naar voren is gekomen dat er sprake was van vervuiling van de grond (bijlage 4 bij het beroepschrift van belanghebbende).

4.3. Uit een brief met dagtekening van 19 januari 1993 van de provincie Overijssel (bijlage 5 van het beroepschrift van belanghebbende) blijkt dat er op 17 september 1992 gesproken is tussen de directie van belanghebbende en de provincie en dat er voor de locatie b-weg te R een globaal saneringsonderzoek is uitgevoerd. Voor de locatie a-straat te Q is een beveiligingsbeheersmaatregel uitgewerkt. Ook blijkt dat, ongeacht de gekozen saneringsvariant, gelijktijdige aanpak op onoverkomelijke financiële bezwaren stuitte. Volgens de brief zou worden getracht door een verdere uitwerking van gefaseerde saneringsvarianten een doelmatige sanering te bewerkstellligen binnen de mogelijkheden van het bedrijf.

4.4. Begin 1994 heeft belanghebbende offerte's aangevraagd bij D B.V. te S voor bodemsanering op de locaties b-weg te R en a-straat te Q (bijlagen 6 en 7 bij het beroepschrift van belanghebbende).

4.5. Op 30 augustus 1994 is er overleg geweest tussen de gemachtigde van belanghebbende en de Belastingdienst /Grote ondernemingen P over de mogelijkheid tot vorming van een kostenegalisatiereserve (KER) voor het boekjaar 1993/1994.

De uitkomst van de bespreking was dat de gemachtigde van belanghebbende antwoord zou geven op de navolgende vragen van de Belastingdienst:

Wanneer is het moment van aanvang van de sanering?

Welke uitvoeringsvariant wordt gekozen (voor welke prijs, is dit de prijs van de offertes?)

Welke wijze van uitvoering wordt gekozen, volgordelijk en in de tijd?

Wat is het tijdstip en de omvang van de uitgaven?

Daarbij heeft de Inspecteur aangegeven dat in beginsel (afhankelijk van de antwoorden op de bovengenoemde vragen) sprake kan zijn van de vorming van een KER in het boekjaar 1993/1994.

De gemachtigde zegde in dit gesprek toe op korte termijn de antwoorden te zullen verstrekken.

Ook deelde hij bij die gelegenheid mee dat er in september 1994 nog overleg met de provincie zou plaatsvinden.

De vragen zijn evenwel niet beantwoord door de gemachtigde van belanghebbende.

4.6. In november 1995 verkeren de dochtermaatschappijen A BV en B BV in staat van faillissement.

4.7. In de bezwaarfase heeft de Inspecteur bij brief van 29 augustus 1997 nogmaals gevraagd de eerder gestelde vragen te beantwoorden (bijlage 2 bij het vertoogschrift).

De vragen zijn echter ook in de brief van 6 november 1997 niet beantwoord.

4.8. Tot op heden heeft er geen bodemsanering plaatsgevonden en zijn de plannen tot sanering niet verder uitgewerkt.

4.9. Belanghebbende heeft voor het boekjaar 1 oktober 1993 tot en met 30 september 1994 aangifte gedaan naar een belastbare winst van negatief ƒ 1.319.260. Bij aanslagregeling is dit gecorrigeerd met een correctie inzake de KER van ƒ 1.000.000 en een correctie inzake reorganisatiekosten van ƒ 319.260 en is de belastbare winst vastgesteld op nihil. Later heeft de Inspecteur de correctie inzake de reorganisatiekosten teruggenomen en is de belastbare winst nader vastgesteld op negatief ƒ 319.260. Dit verlies is door middel van een carryback-beschikking teruggewenteld naar het belastingjaar 1990/1991. Het oorspronkelijk voor het jaar 1990/1991 vastgestelde belastbaar bedrag van ƒ 1.815.517 is verminderd met het vastgestelde verlies over 1993/1994 en vastgesteld op ƒ 1.496.257.

5. Het geschil en de standpunten van partijen

5.1. Partijen houdt verdeeld, of en, zo ja, in hoeverre het belanghebbende is toegestaan per 30 september 1994 een kostenegalisatiereserve te vormen wegens te verwachten milieukosten.

5.2. Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken.

5.3. Daaraan is mondeling, behalve de inhoud van de voormelde pleitnotities, toegevoegd - zakelijk weergegeven -:

5.3.1. namens belanghebbende:

5.3.1.1. Al in 1981 was sprake van vervuiling. Er is bij belanghebbende sterk aangedrongen op de sanering. Er was een serieus voornemen maatregelen te treffen.

5.3.2. en door de Inspecteur:

5.3.2.1. Gezien belanghebbendes financiële positie behoorde op de balansdatum 30 september 1994 het treffen van maatregelen overeenkomstig de uitgebrachte offertes niet tot de mogelijkheden. Dat kwam ook reeds naar voren tijdens de bespreking met de Belastingdienst op 30 augustus 1994. Belanghebbende heeft niet duidelijk kunnen maken welke concrete saneringsplannen op de balansdatum bestonden.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Belanghebbende maakt niet aannemelijk dat in de periode tot en met 30 september 1994, ondanks de financiële problemen waarmee zij kampte, de saneringsplannen met betrekking tot de onderhavige vervuilde grond zodanige concrete vormen hebben aangenomen dat van een stellig voornemen tot sanering kon worden gesproken.

6.2. De resolutie van de staatssecretaris van Financiën van 12 september 1991, nr. DB 91/2300, V-N 26 september 1991, blz. 2635, en het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 22 mei 1995, nr. DB95/1952M, V-N 1995, blz. 2070, bieden in de onderhavige situatie geen basis voor de vorming van een kostenegalisatiereserve per 30 september 1994. De aanwezigheid van een "serieus plan" tot bodemsanering is in de loop van dit geding immers niet aannemelijk geworden, laat staan dat duidelijk was binnen welke periode en tegen welke kosten een dergelijk plan zou worden uitgevoerd.

6.3. Voor zover belanghebbende bedoelt te betogen dat namens de Belastingdienst/Grote ondernemingen P bij haar een rechtens bescherming verdienend vertrouwen is opgewedt dat per 30 september 1994 door haar een kostenegalisatiereserve zou kunnen worden gevormd, maakt zij haar stellingen niet aannemelijk. Voor de vraag of in concreto een zodanige reserve kon worden gevormd, diende belanghebbende immers aan de Inspecteur, door deze bij onderhoud op 30 augustus 1994 gevraagde, gegevens te verstrekken, waartoe belanghebbende niet is overgegaan.

6.4. bij haar een rechtens bescherming verdienend vertrouwen is opgewekt dat per 30 september 1994 door haar een kostenegalisatiereserve zou kunnen worden gevormd, maakt zij haar stellingen niet aannemelijk. Voor de vraag of in concreto een zodanige reserve kon worden gevormd, diende belanghebbende immers aan de Inspecteur, door deze bij onderhoud op 30 augustus 1994 gevraagde, gegevens te verstrekken, waartoe belanghebbende niet is overgegaan.

6.5. Het primaire standpunt van de Inspecteur is juist zodat diens subsidiaire standpunt geen behandeling behoeft.

7. Slotsom

Het beroep is ongegrond.

8. Proceskosten

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken vindt het Hof geen termen aanwezig.

9. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Inspecteur.

Aldus gedaan te Arnhem op 18 mei 2000 door mr N.E. Haas, vice-president, voorzitter, mr Matthijssen en mr drs F.J.P.M. Haas, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr Snoijink als griffier.

De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.

(N.E. Haas)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 18 mei 2000

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt, is een griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.