Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2000:AA6651

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
18-05-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/0141
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000, 1170
V-N 2000/41.20

Uitspraak

ak

Gerechtshof Arnhem

eerste meervoudige belastingkamer

nummer 98/0141

U i t s p r a a k

op het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/P op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar over het tijdvak van 1 januari 1995 tot en met 30 september 1996 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1. Naheffingsaanslag en bezwaar

1.1. De naheffingsaanslag over het tijdvak van 1 januari 1995 tot en met 30 september 1996 is genummerd 1 en gedagtekend 20 juni 1997, bedraagt ¦ 66.150 aan belasting zonder verhoging, vermeldt aan heffingsrente ¦ 1.986 en een te betalen bedrag van ¦ 68.136.

1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak van 28 november 1997 de naheffingsaanslag verminderd tot ƒ 48.379 aan belasting en de heffingsrente tot ƒ 1.354.

2. Geding voor het Hof

2.1. Het beroepschrift is ter griffie ontvangen op 31 december 1997 en aangevuld op 29 mei 1998.

2.2. Tot de stukken van het geding behoren het vertoogschrift en de daarin genoemde bijlagen.

2.3. Bij de mondelinge behandeling op 12 augustus 1999 te Arnhem zijn gehoord de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur voornoemd.

3. Conclusies van partijen

3.1. Belanghebbende verzoekt vernietiging van de naheffingsaanslag.

3.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. De vaststaande feiten

4.1. Belanghebbende is opgericht op 14 december 1994, met als doelstelling "het beleggen van vermogen en het verrichten van management- of adviesactiviteiten ten behoeve van derden". Enig aandeelhouder en directeur van belanghebbende was A.

4.2. A was van 1 januari 1994 tot en met 30 juni 1994 in loondienst werkzaam bij de eenmanszaak B Assurantiën, tegen een salaris op jaarbasis van circa ƒ 40.000. De eigenaar van de eenmanszaak, de heer B, bracht zijn activiteiten vervolgens onder in een tweetal besloten vennootschappen: B Beheer B.V. en de door deze vennootschap opgerichte werkmaatschappij B Assurantiën B.V. A trad aanvankelijk in loondienst bij B Assurantiën B.V.

4.3. Op 24 augustus 1995 kocht belanghebbende van B Beheer B.V. 50% van de aandelen in B Assurantiën B.V. A trad in loondienst bij belanghebbende. Deze keerde aan A over 1995 een salaris uit van ƒ 110.000.

4.4. Over het gehele jaar 1995 claimde en ontving belanghebbende vervolgens onder de naam "managementfee" een vergoeding voor verrichte werkzaamheden van B Assurantiën B.V. De fee over 1995 beliep ƒ 225.000 en over de periode 1 januari 1996 tot en met 30 september 1996 ƒ 153.000.

4.5. Op 11 oktober 1996 heeft belanghebbende haar belang in B Assurantiën B.V. terugverkocht aan B Beheer B.V.

4.6. Een beschikking als bedoeld in artikel 7, lid 4 van de Wet op de omzetbelasting 1968, is door de fiscus in dan wel over het onderhavige jaar niet ten aanzien van belanghebbende en/of B Assurantiën B.V. en B Beheer B.V. afgegeven.

5. Het geschil en de standpunten van partijen

5.1. Partijen houdt verdeeld, of belanghebbende over de door haar in rekening gebrachte "managementfee" omzetbelasting is verschuldigd.

5.2. Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken.

5.3. Daaraan is mondeling toegevoegd - zakelijk weergegeven -

5.3.1. namens belanghebbende:

5.3.1.1. Belanghebbende nam deel aan een besloten kring als bedoeld in de resolutie van 18 februari 1991, nr. VB 91/347, en de brief van de Eenheid Ondernemingen Q van 28 juni 1990, V-N 1990, blz. 2730. Een en ander is niet los te zien van de poolgedachte B Assurantiën B.V. was de winstgenererende vennootschap. Belanghebbende en B Assurantiën B.V. waren in dezelfde branche werkzaam.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. De Inspecteur maakt aannemelijk dat belanghebbende in de periode van 1 januari 1995 tot en met 30 september 1996 als een zelfstandige ondernemer in het economische verkeer, ter wille van de daarmee gemoeide economische belangen diensten, in de vorm van het ter beschikking stellen van een manager, heeft verricht aan B Assurantiën B.V. en dat de gehele door haar ontvangen vergoeding op die diensten betrekking had.

6.2. Belanghebbende maakt geen feiten en omstandigheden aannemelijk die de conclusie rechtvaardigen dat zij in de genoemde periode tot "de eigen kring" van B Assurantiën B.V. heeft behoord dan wel dat zij anderszins niet als een zelfstandige ondernemer optrad. De Inspecteur wijst er terecht op dat belanghebbende en B Beheer B.V., destijds de andere aandeelhouder in B Assurantiën B.V., verschillende aandeelhouders hadden.

6.3. Belanghebbende maakt voorts tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk dat de vergoeding geheel of gedeeltelijk de verrekening heeft gevormd van door belanghebbende voor gemene rekening van belanghebbende en B Assurantiën B.V. gedane uitgaven.

6.4. Op grond van het vorenstaande is het Hof van oordeel dat de onderhavige vergoedingen voor het volle bedrag in rekening zijn gebracht voor diensten welke ingevolge artikel 4, in samenhang met artikel 1, van de Wet op de omzetbelasting 1968 aan omzetbelasting zijn onderworpen.

7. Slotsom

Het beroep is ongegrond.

8. Proceskosten

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken vindt het Hof geen termen aanwezig.

9. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Inspecteur.

Aldus gedaan te Arnhem op 18 mei 2000 door mr N.E. Haas, vice-president, voorzitter, mr Matthijssen en mr drs F.J.P.M. Haas, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr Snoijink als griffier.

De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.

(N.E. Haas)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 18 mei 2000.

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt, is een griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.