Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2000:AA6385

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
1999/306
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2001, 124

Uitspraak

20 juni 2000

derde civiele kamer

rolnummer 1999/306

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant] ,

wonende te Raalte,

appellant,

procureur: mr B.J. Driessen,

tegen:

[geïntimeerde sub 1] ,

en

[geïntimeerde sub 2] ,

beiden wonende te Nijverdal,

geïntimeerden,

procureur: mr J.M. Bosnak.

1 Het geding in eerste aanleg

De arrondissementsrechtbank te Zwolle heeft op 29 april 1998 en op 6 januari 1999 vonnis gewezen in het geschil tussen appellant (hierna te noemen [appellant] ) als gedaagde en geïntimeerden (hierna te noemen [geïntimeerde sub 1] respectievelijk [geïntimeerde sub 2]) als eisers. Het laatstgenoemde vonnis, naar de inhoud waarvan wordt verwezen, is in fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 6 april 1999 [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] aangezegd van het eindvonnis van 6 januari 1999 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] vijf grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, en heeft hij geconcludeerd dat het hof dat vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vordering van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] zal afwijzen, dan wel zal beperken in de zin van wat het hof in goede justitie zal vermenen te behoren, een en ander met veroordeling van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] in de kosten van beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord hebben [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] de grieven bestreden en geconcludeerd dat het hof het vonnis van de rechtbank te Zwolle dd. 6 januari 1999 zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in appèl.

2.4 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De vaststaande feiten

Op grond van de in zoverre niet bestreden vaststelling van de rechtbank en op grond van hetgeen verder is gesteld en niet of onvoldoende is weersproken dan wel blijkt uit de onbetwiste inhoud van de overgelegde bescheiden staat in hoger beroep het volgende vast.

3.1 Op 1 april 1997 reden [geïntimeerde sub 1] als bestuurder en [geïntimeerde sub 2] als passagier in hun personenauto over de Nijverdalsestraat richting Wierden. Op een gegeven moment werden zij ingehaald door een personenauto bestuurd door [appellant]. De wijze van rijden door [appellant] gaf [geïntimeerde sub 1] aanleiding te claxonneren en lichtsignalen te geven, waarop [appellant] de middelvinger opstak en ook de inzittenden van de door [appellant] bestuurde auto naar [geïntimeerde sub 1] gebaarden. [appellant] is vervolgens naast [geïntimeerde sub 1] komen rijden en heeft tevergeefs getracht de auto van [geïntimeerde sub 1] in de wegberm te drukken. Toen even daarna beide auto’s stonden te wachten voor een rood verkeerslicht, is [appellant] uit de door hem bestuurde auto gestapt en heeft hij, na een trap te hebben gegeven tegen het portier van de door [geïntimeerde sub 1] bestuurde auto, [geïntimeerde sub 1] ten minste één klap gegeven en is hij met hem een handgemeen aangegaan. Ten minste twee inzittenden, [medepassagier 1] en [medepassagier 2], zijn uit de auto van [appellant] gestapt en hebben zich in de schermutseling gemengd. Tijdens de schermutseling is [geïntimeerde sub 1] op de grond gevallen en daarna is hij nog getrapt en/of geslagen. [geïntimeerde sub 1] is even buiten kennis geraakt en naar het ziekenhuis vervoerd, waar een lichte hersenschudding en diverse kneuzingen werden geconstateerd. Deze mishandeling heeft zich afgespeeld voor de ogen van zijn echtgenote [geïntimeerde sub 2].

3.2 Onder meer wegens mishandeling van [geïntimeerde sub 1] en vernieling aan diens auto, is [appellant] bij vonnis van de Politierechter te Almelo van 29 mei 1997 bij verstek veroordeeld tot onder andere een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken waarvan 3 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Dit vonnis is onherroepelijk geworden.

3.3 Bij beschikking van 15 april 1998 heeft het gerechtshof ingevolge een door [geïntimeerde sub 1] ingediend beklag ex artikel 12 Sv bevolen dat de officier van justitie te Almelo een strafvervolging zal instellen tegen [medepassagier 1] en [medepassagier 2] ter zake van verdenking van het misdrijf, omschreven in artikel 141 Sr.

3.4 [geïntimeerde sub 1] heeft als gevolg van deze gebeurtenissen kwetsuren opgelopen en traumatische ervaringen opgedaan. Hij is ten gevolge van de voorgaande gebeurtenissen arbeidsongeschikt geweest van 1 april 1997 tot 1 juli 1997, waardoor hij inkomsten heeft gemist. [geïntimeerde sub 2] heeft eveneens ten gevolge van deze gebeurtenissen traumatische ervaringen opgedaan. Zij is daardoor eveneens arbeidsongeschikt geweest van 1 april 1997 tot 1 juli 1997. Hierdoor is zij haar seizoenbaan - voor de periode van 1 april tot 1 november 1997 - bij het [werkgever van geïntimeerde sub 2] kwijtgeraakt.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 In eerste aanleg hebben [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2], naast vergoeding van buitengerechtelijke kosten, vergoeding van de hierna vermelde schadeposten gevorderd en heeft de rechtbank na te melden bedragen toegewezen:

schadeposten gevorderd toegewezen

- inkomstenderving [geïntimeerde sub 1]: f 1.982,96 f 1.982,96

- immateriële schade [geïntimeerde sub 1]: f 5.000,00 f 3.500,00

- schade auto [geïntimeerde sub 1]: f 896,88 f 896,88

- inkomstenderving [geïntimeerde sub 2]: f 4.886,47 f 2.100,00

- immateriële schade [geïntimeerde sub 2]: f 3.000,00 f 2.000,00.

4.2 De grieven hebben kennelijk de strekking te betogen dat er van de zijde van [appellant] geen sprake is geweest van letsel veroorzakende mishandeling van [geïntimeerde sub 1], dat hij in zoverre niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] en dat hij niet aansprakelijk is ter zake van de door [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] geleden materiële en immateriële schade.

Grieven I, II en III

4.3 De grieven I en II komen op tegen rechtoverweging 4.1 van het bestreden eindvonnis, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat de gedragingen van [appellant] als onrechtmatig moeten worden aangemerkt. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat, indien er al vanuit gegaan zou moeten worden dat het niet [appellant] is geweest die aan [geïntimeerde sub 1] de letsel veroorzakende klappen heeft toegediend, hij voor de gevolgen van de mishandeling in ieder geval (hoofdelijk) aansprakelijk is op grond van onrechtmatig gedrag in groepsverband. Grief III komt op tegen de aanname van de rechtbank dat gelet op de toedracht voldoende aannemelijk is gemaakt dat de schade aan de bumper het gevolg is geweest van de gebeurtenissen.

4.4 Bij de beoordeling van de grieven I en II moet ervan worden uitgegaan dat de in rov. 3.1 weergegeven gebeurtenissen tot het lichamelijk letsel van [geïntimeerde sub 1] hebben geleid. Vast staat dat [appellant] met [geïntimeerde sub 1] een handgemeen is aangegaan en dat [appellant] deze ten minste éénmaal heeft geslagen. Vast staat voorts dat [medepassagier 1] en [medepassagier 2] zich hebben gemengd in deze door [appellant] gepleegde handelingen door onder andere om [geïntimeerde sub 1] heen te staan en hem aldus in te sluiten.

Uit de in het geding gebrachte bescheiden, waaronder de tegenover de politie afgelegde verklaring van [geïntimeerde sub 1] dd. 1 april 1997 en de inhoud van zijn brief dd. 3 april 1997 (producties 2A en 2B bij conclusie van antwoord) alsmede de beschikking van dit hof van 15 april 1998 op het beklag van [geïntimeerde sub 1] ex artikel 12 Sv en het schriftelijk verslag van de procureur-generaal dd. 7 januari 1998 met betrekking tot dat beklag (producties 1 en 2 bij conclusie van repliek), komt het beeld naar voren dat [medepassagier 1] en/of [medepassagier 2] het schadeveroorzakende letsel hebben toegebracht, terwijl [geïntimeerde sub 1] nog in de schermutseling met [appellant] verwikkeld was.

Deze uit die bescheiden af te leiden toedracht heeft [appellant] niet concreet en inhoudelijk met een eigen lezing omtrent de gang van zaken en daarom niet gemotiveerd bestreden, zodat van die lezing moet worden uitgegaan.

4.5 Dit betekent dat [medepassagier 1] en/of [medepassagier 2] onrechtmatig de letselschade hebben toegebracht terwijl [appellant], die samen met [medepassagier 1] en [medepassagier 2] een groep van personen vormde, wist althans behoorde te begrijpen dat hun gedragingen in groepsverband het gevaar in het leven riepen voor het ontstaan van letselschade als de onderhavige. Vast staat immers dat [appellant] na diens agressieve rijgedrag en beledigende gebaren jegens [geïntimeerde sub 1] deze heeft aangevallen en geslagen en met hem op de grond is geraakt, in welke positie [geïntimeerde sub 1] kennelijk door [medepassagier 1] en/of [medepassagier 2] is geslagen of getrapt, dit alles in een sfeer waarin ook [medepassagier 1] en [medepassagier 2] kennelijk waren 'opgefokt' daar zij [appellant] aanstonds vergezelden en [geïntimeerde sub 1] insloten. [appellant] had zich in die omstandigheden bewust moeten zijn van de kans op het aldus door [medepassagier 1] en/of [medepassagier 2] toebrengen van letselschade als de onderhavige, hetgeen hem had moeten weerhouden van zijn gedragingen in groepsverband. Die jegens [geïntimeerde sub 1] onrechtmatige gedragingen kunnen hem worden toegerekend. [appellant] is dan ook uit hoofde van artikel 6:166 BW hoofdelijk aansprakelijk voor die letselschade van [geïntimeerde sub 1].

4.6 Voor zover al aangenomen zou moeten worden dat het letsel niet door toedoen van [medepassagier 1] en/of [medepassagier 2] is toegebracht, heeft te gelden dat de gedragingen zijdens [appellant] tot het letsel hebben geleid zodat [appellant] op grond van artikel 6:162 BW jegens [geïntimeerde sub 1] aansprakelijk is.

4.7 Hieruit volgt dat de vorderingen van [geïntimeerde sub 1] tot het vergoeden van diens als gevolg van het toegebracht letsel geleden inkomensschade en immateriële schade voor toewijzing vatbaar zijn, nu (de omvang van) deze vorderingen overigens (in hoger beroep) niet zijn bestreden.

4.8 Uit de stukken van geding blijkt niet dat de schade aan de (achter-)bumper, waarvan thans vergoeding wordt gevorderd, is ontstaan tijdens het handgemeen tussen [geïntimeerde sub 1] enerzijds en [appellant] c.s. anderzijds. In zijn verklaring tegenover de politie maakt [geïntimeerde sub 1] alleen melding van schade aan het portier van zijn auto (één van de aanvallers zou tegen dat portier hebben getrapt). Ook de telastelegging maakt uitsluitend melding van beschadiging van het portier en niet van de bumper. In zijn aanvullende verklaring van 3 april 1997 rept [geïntimeerde sub 1] van enkele krassporen aan de zijkant van de bumper, maar zegt niet te weten of de daders een voorwerp hebben gehanteerd om hem buiten westen te slaan en of hierdoor deze schade is ontstaan. Ook de stukken betreffende het beklag ex artikel 12 Sv reppen alleen van trappen tegen het portier. In zoverre moet de vordering worden afgewezen en slaagt grief III op dit onderdeel.

4.9 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat grieven I, II en III tevergeefs zijn voorgesteld, behoudens voor zover het betreft de schade aan de bumper. Die vordering is niet toewijsbaar en het vonnis wordt in zoverre vernietigd.

Grieven IV en V

4.10 Grieven IV en V zullen gezamenlijk worden behandeld. In grief IV voert [appellant] aan dat de rechtbank hem ten onrechte aansprakelijk heeft gehouden voor de schade in de vorm van inkomensderving en immateriële schade aan de zijde van [geïntimeerde sub 2]. In grief V klaagt [appellant] dat de rechtbank hem ten onrechte verantwoordelijk heeft gehouden voor de schade die [geïntimeerde sub 2] heeft gevorderd met betrekking tot de voortijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst, althans de omstandigheid dat [geïntimeerde sub 2] de schade heeft niet beperkt door protest in de dienen tegen het ontslag, niet geheel voor eigen rekening van [geïntimeerde sub 2] heeft laten komen.

4.11 De stelling dat er geen sprake zou zijn van onrechtmatig handelen jegens [geïntimeerde sub 2] gaat niet op. Duidelijk is dat zich over een ruime afstand een verkeersconflict heeft voorgedaan tussen [appellant] en [geïntimeerde sub 1]. Daarbij heeft [appellant] een aantal keren getracht de auto van [geïntimeerde sub 1], waarin [geïntimeerde sub 2] meereed, te snijden en van de weg te drukken, hetgeen voor hen beiden gevaar van dood of ernstig letsel opleverde. Die voor beiden bedreigende situatie ging over in geweld, toen [appellant] tegen hun portier trapte en [appellant] en/of (één van) zijn uitgestapte inzittende(n) [geïntimeerde sub 1] voor de ogen van [geïntimeerde sub 2] grof heeft/hebben mishandeld en hem bloedend en bewusteloos op straat heeft/hebben laten liggen. Er bestaat geen twijfel over dat deze openlijke en opzettelijke geweldpleging jegens [geïntimeerde sub 1], naar [appellant] c.s. moest begrijpen en kennelijk aanvaardde, ook jegens de rechtsvoor inzittende echtgenote [geïntimeerde sub 2], waarvan aangenomen moet worden dat [appellant] c.s. deze tijdens de rit of bij het te voet naderen van [geïntimeerde sub 1]'s auto heeft opgemerkt of heeft kunnen opmerken, bijzonder dreigend en psychisch traumatiserend zou -kunnen- uitpakken. Aldus hebben [appellant] en [medepassagier 1] en/of [medepassagier 2] ook jegens haar onrechtmatig gehandeld en is [appellant] hetzij als dader, hetzij als deelnemer uit hoofde van artikel 6:166 BW jegens [geïntimeerde sub 2] aansprakelijk voor de daardoor aan haar berokkende schade. Grief IV faalt in zoverre.

4.12 Het staat vast dat [geïntimeerde sub 2] tengevolge van het traumatische effect dat de gebeurtenissen op haar hebben gehad volledig arbeidsongeschikt is geweest van 1 april 1997 tot en met 15 juni 1997 en 50% arbeidsongeschikt is geweest van 16 juni 1997 tot 1 juli 1997. Uit de brief van 22 mei 1997 van [werkgever van geïntimeerde sub 2] (productie 6 bij conclusie van eis) blijkt dat zij haar werkzaamheden ten gevolge van de gebeurtenissen op 1 april 1997 emotioneel niet aankon en dat om die reden de arbeidsovereenkomst na twee weken door de werkgever is verbroken, waardoor zij een bedrag van f 4.886,47 netto aan inkomsten heeft gederfd. [geïntimeerde sub 2] heeft verklaard dat zij geen inkomensvervangende uitkering heeft ontvangen en dat zij, nadat zij weer arbeidsgeschikt was verklaard, geen vervangend werk heeft gezocht. Vast staat dat zij zich niet heeft verzet tegen de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, ondanks dat deze plaatsvond tijdens haar arbeidsongeschiktheid en derhalve artikel 7:670 lid 3 BW in beginsel aan opzegging door [werkgever van geïntimeerde sub 2] van de arbeidsovereenkomst in de weg stond.

4.13 In beginsel is een benadeelde gehouden binnen redelijke grenzen maatregelen ter voorkoming of beperking van schade te nemen. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat de billijkheid met zich brengt dat de vergoedingsplicht van [appellant] gedeeltelijk in stand moet blijven, omdat het ontstaan van de situatie van arbeidsongeschiktheid aan het gedrag van [appellant] is te wijten en omdat de geestelijke gesteld-heid van [geïntimeerde sub 2], die daarvan het gevolg was, van invloed is geweest op haar keuze zich niet te verzetten tegen haar ontslag. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat [appellant] onder deze omstandigheden is gehouden tot vergoeding van de vermogensschade tot een bedrag dat overeenkomt met het bedrag dat [geïntimeerde sub 2] anders zou hebben ontvangen tijdens de duur van de arbeidsongeschiktheidsperiode.

4.14 De rechtbank heeft terecht de vergoedingsplicht van [appellant] gedeeltelijk in stand gelaten, mede gelet op het feit dat [geïntimeerde sub 2] is getraumatiseerd door de confrontatie met de gedragingen van [appellant] c.s. en het door [geïntimeerde sub 1] daardoor opgelopen letsel alsmede het feit dat haar geestelijke gesteldheid als gevolg daarvan ertoe heeft geleid dat zij zich niet heeft verzet tegen haar ontslag. In deze omstandigdheden brengt naar het oordeel van het hof de redelijkheid mee dat de omstandigdheid dat [geïntimeerde sub 2] haar schade niet heeft beperkt, niet geheel voor haar rekening moet komen, maar dat [appellant] gehouden is tot het vergoeden van de schade die [geïntimeerde sub 2] heeft geleden in de periode dat zij arbeidsongeschikt is geweest. Vanaf het moment dat zij weer arbeidsgeschikt is verklaard (1 juli 1997), moet zij redelijkerwijs geacht worden ander werk te hebben kunnen zoeken. De rechtbank heeft derhalve terecht de schade bepaald op een bedrag van (afgerond) f 2.100,-. Blijkens voormelde brief van [werkgever van geïntimeerde sub 2] zou zij in de periode van 1 april tot 1 november (7 maanden) een bedrag van f 4.886,47 netto hebben verdiend. In de periode van 1 april tot 1 juli had zij derhalve een bedrag van afgerond f 2.100,- kunnen verdienen. Uit het voorgaande volgt dat grief V faalt.

4.15 De rechtbank heeft ten aanzien van de vergoedingsplicht ter zake van de immateriële schade overwogen dat het genoegzaam vaststaat dat de gebeurtenissen op [geïntimeerde sub 2] een traumatiserend effect hebben gehad en dat zij last heeft gehad van angstige herbelevingen van de gebeurtenissen. Artikel 6:106 lid 1 sub b BW geeft een recht op vergoeding van immateriële schade indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Onder “aantasting in de persoon” moet ook worden begrepen geestelijk letsel.

4.16 Over de aard van de psychische gevolgen voor [geïntimeerde sub 2] wordt het volgende overwogen. Blijkens de verklaring van haar huisarts D. S. van 16 september 1997 (productie 5 bij conclusie van eis) heeft [geïntimeerde sub 2] op 4 en 16 april en 16 en 27 juni 1997 in verband met gezondheidsklachten geraadpleegd. Aanvankelijk kon/durfde zij niet meer te slapen na de mishandeling van haar man, had zij angstige herbelevingen van het gebeuren en was zij zeer emotioneel en gespannen. Zij kreeg Oxazepam. Ook op 16 april was zij nog erg gespannen. Tot 16 juni was zij voor 100% arbeidsongeschikt en sedertdien tot 1 juli voor 50%. Op 27 juni 1997 werd haar nog Diazepam voorgeschreven. Zij is heel erg angstig geweest, kon wegens haar stress-situatie niet meer werken en was tijdens de comparitie van partijen op 6 augustus 1998 nog steeds angstig bij het autorijden.

Aldus heeft zij als gevolg van deze, ook tegen haar gerichte openlijke geweldpleging, waarvan het opzettelijke karakter een ruime toerekening rechtvaardigt, een zodanig psychisch trauma opgelopen dat zij daardoor gedurende drie maanden door haar huisarts medisch en medicinaal behandeld is. Dat levert psychische schade op, die ingevolge artikel 6:106 lid 1, aanhef en sub b BW naar hedendaagse maatschappelijke opvattingen voor vergoeding vatbaar moet zijn. Grief IV wordt daarom verworpen.

Slotsom

De grieven I, II en IV worden verworpen, grief III slaagt voor zover deze ziet op de vordering ter zake van de schade aan de bumper. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd voor zover die vordering is toegewezen. Voor het overige wordt het bekrachtigd.

Als de overwegende in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] in de kosten van het hoger beroep worden verwezen.

De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank te Zwolle van 6 januari 1999 voor zover [appellant] daarbij onder 1. is veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde sub 1] van een bedrag van f 6.379,84 en in zoverre opnieuw rechtdoende,

veroordeelt [appellant] ter zake van de in dat vonnis (pag. 1) onder a vermelde vordering tot betaling aan [geïntimeerde sub 1] van een bedrag van f 5.482,96, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 april 1997 tot aan de dag van betaling;

wijst die vordering voor het overige af;

bekrachtigt het vonnis voor het overige;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde sub 1] begroot op f 1.200,- voor salaris van de procureur en op f 635,- voor griffierecht.

Dit arrest is gewezen door mrs Makkink, Steeg en Wesseling-Lubberink en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 juni 2000.