Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2000:AA5994

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
24-02-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98-02127
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000, 855

Uitspraak

he

Gerechtshof Arnhem

Eerste enkelvoudige belastingkamer

nr. 98/2127

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

te : Z

ambtenaar : Heffingsambtenaar van de gemeente Diepenheim

aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar tegen de beschikking waardevaststelling ingevolge de Wet waardering onroerende zaken

belanghebbende : X

beschikkingsnummer : 1

tijdvak : 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000

mondelinge behandeling : op 10 februari 2000 te Arnhem door mr De Kroon, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr Egberts als griffier

waarbij verschenen : de Ambtenaar

waarbij niet verschenen : belanghebbende hoewel opgeroepen bij aangetekende brief van 4 januari 2000 verzonden aan het adres a-weg 1, 0000 aa Z

Gronden:

1. Belanghebbende is op 1 januari 1995 eigenaar van de tot recreatiewoning dienende onroerende zaak, plaatselijk bekend als a-weg 1 te Z, welke woning is gelegen op erfpachtsgrond.

2. De woning maakt deel uit van het recreatiepark A te Z. Vanaf 1984 worden de in dat park gelegen woningen, die ingevolge de gebruiksbepalingen van de ter plaatse geldende bestemmingsplannen slechts voor recreatieve doeleinden mogen worden gebruikt ook permanent bewoond. Belanghebbende heeft - door de gemeente niet weersproken - gesteld dat in 1995 22 van de 28 recreatiewoningen permanent werden bewoond en dat dit door de gemeente over de jaren heen zonder uitzondering werd gedoogd. Aldus was permanente bewoning eerder regel dan uitzondering. De permanente bewoners van de woningen hebben zich in het bevolkingsregister van de gemeente Diepenheim laten inschrijven.

3. Ingevolge artikel 17, lid 2, van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet) wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald op de waarde die daaraan dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij geldt als waardepeildatum de datum die ligt twee jaren voor het begin van het tijdvak waarvoor de waarde wordt vastgesteld, in dit geval 1 januari 1995 (artikel 18, lid 2, van de Wet).

4. Bij de voor het voormelde tijdvak gegeven beschikking is de onder 3. bedoelde waarde van de onroerende zaak a-weg 1 vastgesteld op ¦ 179.000,-.

5. Bij brief van 31 augustus 1995 heeft de gemeente de bewoners van het recreatiepark bericht "met ingang van heden de recreatieve bestemming van de recreatiebungalows strikt te handhaven". Daarbij werd de toezegging gedaan dat strikte handhaving met betrekking tot de tot dat moment permanent bewoonde woningen pas ná beëindiging van die permanente bewoning zal worden toegepast.

6. Belanghebbende stelt, naar het Hof verstaat, dat de onder 5. vermelde beleidswijziging moet worden aangemerkt als een andere, specifiek voor de onroerende zaak geldende bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 19, lid 1, onderdeel c, van de Wet, als gevolg waarvan de onroerende zaak een verandering van waarde ondergaat.

7. De ambtenaar brengt ter ondersteuning van zijn standpunt dat door de beleidswijziging geen waardedaling in de zin van voormeld artikellid is opgetreden verkoopprijzen van vergelijkbare woningen in het geding. Deze verkoopprijzen betreffen echter alle transacties die vóór dan wel zo lang ná de bekendmaking van het nieuwe beleid van de gemeente op 31 augustus 1995 tot stand zijn gekomen dat zij in dit verband niet bruikbaar zijn.

8. Het Hof is met belanghebbende van oordeel dat het een feit van algemene bekendheid is dat een woning die permanent mag worden bewoond, aanmerkelijk meer waard is dan een woning waarin slechts recreatief mag worden gewoond. Gelet op de duur van het gemeentelijk gedoogbeleid, de omvang van de onderhavige permanente bewoning, de overige onder 2. gegeven omstandigheden alsmede de door belanghebbende onweersproken aangevoerde stelling dat bij de verkoop van a-weg 2 op 13 december 1996 bij een positief antwoord op de vraag of permanente bewoning toch zou worden toegestaan ¦ 40.000,- meer betaald zou worden, acht het Hof een aanmerkelijke waardedaling ten gevolge van de beleidswijziging door de gemeente aannemelijk.

9. Bij gebrek aan eenduidige gegevens met betrekking tot de omvang van de onderhavige waardedaling van belanghebbendes onroerende zaak, schat het Hof de waardedaling in goede justitie op 20 percent, in het onderhavige geval neerkomend op ¦ 35.800,-. Dit houdt in dat artikel 19, lid 1, onderdeel c van de Wet van toepassing is.

10. Toepassing van artikel 19, lid 1, onderdeel c, en slot van de Wet leidt in dit geval tot een waarde van belanghebbendes onroerende zaak a-weg 1 te Z per de peildatum 1 januari 1995, bepaald naar de staat van die zaak per 1 januari 1996, van ¦ 143.200,-.

Proceskosten:

Belanghebbendes proceskosten zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten fiscale procedures te berekenen op ¦ 20,- (reiskosten).

Beslissing:

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de Ambtenaar;

- vermindert de voor de onroerende zaak a-weg 1 te Z vastgestelde waarde voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000 tot ¦ 143.200,-;

- veroordeelt de Ambtenaar in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van ¦ 20,-, te vergoeden door de gemeente Diepenheim;

- gelast de Ambtenaar aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht van ¦ 80,-te vergoeden.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2000 te Arnhem door mr De Kroon, raadsheer, lid van de eerste enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr Egberts als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(J.L.M. Egberts) M.C.M. de Kroon)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 8 maart 2000

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht ¦ 150,-. verschuldigd.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.