Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2000:AA5993

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
24-02-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98-03812
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000, 796
V-N 2000/36.1.2

Uitspraak

HR

Gerechtshof Arnhem

Tweede meervoudige belastingkamer

nummer 98/3812

U i t s p r a a k

op het beroep van de vennootschap onder firma V.o.f. X te Z (hierna te noemen: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen P op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar over het tijdvak 1 januari 1992 tot en met 31 december 1993 opgelegde naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen, na verwijzing van het geding naar dit Hof door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 21 oktober 1998, nr. 33.716 (gepubliceerd in BNB 1999/7).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De naheffingsaanslag, genummerd 1 en gedagtekend 30 maart 1994, is vastgesteld op een bedrag van ƒ 26.187,- aan enkelvoudige loonbelasting/premie volksverzekeringen en ƒ 372,- aan heffingsrente.

1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3. Op het beroep van belanghebbende heeft het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch bij uitspraak van 7 april 1997, nummer 94/3389, de uitspraak van de Inspecteur bevestigd.

1.4. Op het beroep in cassatie van belanghebbende heeft de Hoge Raad bij het hiervoor genoemde arrest van 21 oktober 1998 de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van het arrest verwezen naar dit Hof.

2. Geding voor het Hof

2.1. Na het arrest van de Hoge Raad hebben belanghebbende en de Inspecteur op respectievelijk 17 december 1998 en 14 januari 1999 elk een conclusie ingediend.

2.2. Tot de stukken van het geding behoren voorts voormelde uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch en het dossier zoals dat ter beoordeling aan de Hoge Raad is voorgelegd.

2.3. Bij de mondelinge behandeling op 3 februari 2000 te Arnhem zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

2.4. De notities van het pleidooi dat de gemachtigde van belanghebbende heeft gehouden, worden als hier herhaald en ingelast beschouwd.

3. De vaststaande feiten

3.1. Het Hof neemt als tussen partijen vaststaand over hetgeen door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch in onderdeel 2 van zijn uitspraak onder de feiten is opgenomen.

3.2. In voormeld arrest heeft de Hoge Raad overwogen:

"3. 1. Het Hof heeft geoordeeld: dat belanghebbende ter zake van het door haar in het tijdvak van naheffing betaalde loon geen aangifte heeft gedaan; dat zij dan ook niet de vereiste aangifte heeft gedaan, hetgeen inhoudt dat het beroep moet worden afgewezen tenzij gebleken is, dat wil zeggen, tenzij belanghebbende overtuigend heeft aangetoond, dat en in hoeverre de uitspraak onjuist is; dat deze bewijslast ook geldt voor de door de Inspecteur toegepaste brutering; dat belanghebbende het van haar verlangde bewijs niet heeft geleverd.

3.2. Nu de Inspecteur in zijn vertoogschrift heeft vermeld, dat belanghebbende ter zake van het naheffingstijdvak geen aangiftebiljet is uitgereikt, is 's Hofs oordeel dat belanghebbende de vereiste aangifte, als bedoeld in artikel 29, lid 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen niet heeft gedaan, niet begrijpelijk. 's Hofs uitspraak kan derhalve niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

Het middel behoeft geen behandeling."

4. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

4.1. Partijen houdt verdeeld of de Inspecteur de bestreden naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag heeft vastgesteld, welke vragen belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

4.2. Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd hetgeen is vermeld in de van hen afkomstige stukken.

4.3. Daaraan is mondeling, afgezien van hetgeen reeds hiervoor onder de vaststaande feiten is opgenomen, toegevoegd - zakelijk weergegeven -

Namens belanghebbende:

Zij blijft erbij dat het te ver gaat om aan gegevens uit 1992 zonder nader bewijs betekenis toe te kennen voor 1993;

- In 1993 heeft belanghebbende wel winst gemaakt, echter tot een aanmerkelijk geringer bedrag dan in 1992;

- Na 1994 waren A en B geen firmanten meer van belanghebbende;

- Zij is van oordeel dat de Inspecteur het zorgvuldigheidsvoorschrift van de Algemene wet bestuursrecht heeft geschonden.

Door de Inspecteur:

- Over 1993 heeft hij om redenen van bewijstechnische aard de omzetcorrectie teruggenomen. Dat wil niet zeggen dat belanghebbende over 1993 geen omzet heeft gemaakt en dat zij niet op dezelfde voet als in 1992 is doorgegaan;

- Ook na 1993 heeft belanghebbende aanmerkelijke omzetten gerealiseerd. Deze omzetten waren zelfs zodanig, dat deze het kader van het zogenaamde gedoogbeleid verre overschreden, zodat de gemeente Z tot maatregelen overging;

- De naheffingsaanslag is gebaseerd op het naar zijn mening aan C uitbetaalde loon. Hij handhaaft overigens zijn stelling dat in 1992 en 1993 ook aan anderen - de werkster en overige werknemers - loon is uitbetaald.

4.4. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak.

4.5. De Inspecteur daarentegen concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Het Hof verenigt zich met de oordelen van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch zoals die zijn weergegeven in voornoemde uitspraak van dat hof in de rechtsoverwegingen 4.1. tot en met 4.11. Die rechtsoverwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

Het Hof voegt aan die overwegingen het volgende toe.

5.2. In het vertoogschrift, blz. 5 onderaan, voor het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft de Inspecteur gesteld dat in de periode waarop de onderhavige naheffingsaanslag ziet, de jaren 1991 tot en met 1993, in de bedrijfsvoering van belanghebbende geen wijziging heeft plaatsgevonden. Ter zitting van het Hof heeft de Inspecteur daaraan toegevoegd, dat hij de omzetcorrectie over 1993 om bewijstechnische redenen heeft laten vallen en dat belanghebbende na 1993 evenzeer aanmerkelijke omzetten heeft gerealiseerd.

5.3. Belanghebbendes stelling dat in 1993 en volgende jaren een aanzienlijke vermindering van activiteiten heeft plaatsgehad is niet te rijmen met het door haar niet bestreden betoog van de Inspecteur ter zitting dat de omzetten van belanghebbende zodanig omvangrijk waren, dat deze het kader van het gedoogbeleid verre overschreden waardoor door de gemeente Z maatregelen zijn getroffen. Belanghebbende heeft, hoewel zij daartoe het best in staat moet worden geacht, geen gegevens geproduceerd waaruit zou kunnen volgen dat sprake is van een afname in 1993 van haar bedrijfsactiviteiten. Het Hof aanvaardt daarom de visie van de Inspecteur dat de bedrijfsvoering gedurende het tijdvak van naheffing geen wijziging onderging.

Belanghebbendes betoog, dat A en B na 1994 niet meer haar firmanten waren, mist voor het jaar 1993 betekenis mede in verband met de niet door belanghebbende bestreden stelling van de Inspecteur dat de vennootschap onder firma door anderen is voortgezet.

In dit licht bezien acht het Hof door de Inspecteur voldoende aannemelijk gemaakt, dat belanghebbende ook in 1993 aan de werkster en aan andere werknemers loon heeft uitbetaald. De Inspecteur noemt in dit verband de volgende, door belanghebbende overigens niet bestreden, bedragen van ƒ 5.175,- respectievelijk ƒ 4.000,-.

Het Hof is gelet hierop van oordeel, dat de Inspecteur - gelijk geldt voor 1992 - het voor 1993 in aanmerking genomen bedrag van ƒ 7.950,- eerder te laag dan te hoog heeft vastgesteld.

5.4. Het voorgaande leidt het Hof tot de conclusie, dat belanghebbende in 1992 en 1993 bedragen ter zake van werkzaamheden heeft betaald aan C en andere personen over wie zij tijdens de uitoefening van die werkzaamheden gezag uitoefende. Derhalve is sprake van loonbetalingen in het kader van dienstbetrekkingen.

5.5. Nu belanghebbende steeds het bestaan van enige dienstbetrekking heeft bestreden en van de hiervoor bedoelde betalingen geen aantekeningen heeft gehouden in haar loonadministratie, kan redelijkerwijs in dezen geen andere conclusie worden getrokken dan dat het zwart uitbetaalde lonen betrof die door de ontvangers van die betalingen werden gezien als nettoloon en dat het ervoor moet worden gehouden dat belanghebbende ervoor heeft gekozen de ter zake verschuldigde loonbelasting/premie volksverzekeringen voor haar eigen rekening te nemen. Hiervan uitgaande heeft de Inspecteur zich terecht op het standpunt gesteld, dat ten aanzien van de onderhavige zwarte lonen plaats is voor brutering op basis van het zogenaamde anoniementarief.

6. Slotsom

Het beroep van belanghebbende is niet gegrond.

7. Proceskosten

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken vindt het Hof geen termen aanwezig.

8. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus gedaan en in openbaar uitgesproken op 24 februari 2000 door mr Van Schie, vice-president, mrs Röben en De kroon, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr den Ouden als fiscaal-jurist en mw mr Van Hoorn als griffier.

De griffier, De voorzitter,

(E. van Hoorn) (P.M. van Schie)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 24 februari 2000

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien u na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.