Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2000:AA5849

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
16-05-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/495
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16 mei 2000

tweede civiele kamer

rolnummer 99/495

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

X,

wonende te Z.,

appellant,

procureur: mr J.C.N.B. Kaal,

tegen:

de vereniging

Vereniging tegen piramidespelen,

gevestigd te Enschede,

geïntimeerde,

procureur: mr P.C. Plochg.

1 Het geding in eerste aanleg

De arrondissementsrechtbank te Almelo heeft op 12 augustus 1998 en 3 maart 1999 tussen appellant (verder te noemen: X) als gedaagde en geïntimeerde (verder te noemen: de vereniging) als eiseres vonnissen gewezen. Deze vonnissen zijn in afschrift aan dit arrest gehecht. Voor de rechtsgang in eerste aanleg, de beslissingen en de motivering van die beslissingen wordt daarnaar verwezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij exploot van 1 juni 1999 is X in hoger beroep gekomen van beide vonnissen met dagvaarding van de vereniging voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft X vier grieven aangevoerd en toegelicht, op een specifiek punt bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof genoemde vonnissen zal vernietigen, zal bepalen dat de vereniging in haar vordering niet-ontvankelijk is te achten, althans de vordering van de vereniging zal afwijzen met veroordeling van de vereniging in de kosten van de procedure in beide instanties.

2.3 De vereniging heeft bij memorie van antwoord verweer gevoerd en geconcludeerd dat het hof de vonnissen, zonodig met aanvulling en wijziging van gronden, zal bekrachtigen met veroordeling van X in de kosten van de procedure in appèl.

2.4 Hierna hebben partijen de stukken aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest.

3 De grieven

De grieven van X zijn gericht tegen:

I de vaststelling van de rechtbank in haar vonnis van 3 maart 1999 dat blijkt van een daadwerkelijk aansturen door X van de organisatoren van de bijeenkomsten en van een daadwerkelijke leiding van X over de wijze waarop tijdens de bijeenkomsten geworven diende te worden naar deelnemers aan het piramidespel;

II de overweging in het vonnis van 3 maart 1999 dat op zijn minst sprake is van welbewuste beïnvloeding van de Teamdirectors en -managers;

III het in het vonnis van 3 maart 1999 uitgesproken oordeel dat X bewust geprofiteerd (heeft) van het handelen van de directors en managers in strijd met de wet, door zich daarvoor te laten belonen;

IV de vaststelling door de rechtbank in haar vonnis van 12 augustus 1998 dat de organisatoren van het piramidespel in strijd met de Colportagewet hebben gehandeld, waarbij met name is verworpen het verweer van X dat het piramidespel als een kansspelovereenkomst moet worden gezien.

4 De vaststaande feiten

Tegen hetgeen de rechtbank dienaangaande in haar vonnis van 12 augustus 1998 onder 1a-1e heeft overwogen zijn geen grieven gericht of bezwaren geuit. Gelet hierop zal ook het hof van de door de rechtbank vastgestelde feiten uitgaan.

5 Beoordeling van het geschil in hoger beroep

5.1 Grief IV strekt ten betoge, dat de Colportagewet niet op de organisatie van een piramidespel van toepassing is. X voert in hoger beroep in het bijzonder aan, dat (a) de deelnemers geen “goed” in de zin van die wet ontvangen, doch slechts een kans kopen en (b) de overeenkomst niet het onmiddellijk gevolg van de colportage is, maar de aspirant-deelnemers eerst enige dagen na de wervingsbijeenkomst toetreden.

5.2 Art. 1, lid 1 onder “b” van de Colportagewet omschrijft “goed” als: “een roerende zaak of een vermogensrecht dat geen registergoed is”. De deelnemers aan het piramidespel ontvangen naar het oordeel van het hof een vermogensrecht in de zin van deze wet. Het hof wijst op de (niet uitputtende) omschrijving van het begrip “vermogensrecht” in art. 3:6 van het Burgerlijk Wetboek; naar zijn oordeel is hetgeen een deelnemer aan het spel ontvangt te beschouwen als een recht dat ertoe strekt die deelnemer (mogelijk) stoffelijk voordeel te verschaffen. Dit komt in praktische zin tot uiting als het recht tot toetreding tot een zeker samenwerkingsverband waarbinnen nieuwe deelnemers worden gerecruteerd alsmede kan worden deelgenomen aan speciaal op die recrutering afgestemde trainingen, alles gericht op het verkrijgen van een deel van de door nieuwe deelnemers betaalde bijdragen aan het zogenaamde “winstsysteem”. Aan het oordeel van het hof dat hier sprake is van een vermogensrecht doet niet af dat van de gerechtigde een zekere inspanning wordt vereist, evenmin als het in het piramidespel besloten kanselement (hetgeen het hof overigens niet overheersend acht). Overigens zou hier ook kunnen worden gesproken van het “verlenen van een dienst” in de zin van art. 1 lid 1 onder “c” van de Colportagewet.

5.3 Anders dan X kennelijk betoogt, staat het feit dat de wetgever bij Wet van 14 mei 1998, Stb. 1998, 298 de piramidespelen onder de Wet op de kansspelen heeft gebracht niet in de weg aan het oordeel dat de Colportagewet -al was het maar alleen in de voorheen bestaande situatie- van toepassing is. Het hof wijst er in de eerste plaats op dat het piramidespel door wetsduiding als een kansspel is aangemerkt, hetgeen nog niet zonder meer meebrengt dat voordien “de deelname aan het piramidespel juridisch is te beschouwen als het toetreden tot een kansspelovereenkomst”. In de tweede plaats valt afgezien van het zojuist overwogene niet in te zien waarom de aanmerking van het piramidespel als een kansspel zou betekenen dat de Colportagewet niet (meer) van toepassing is. Indien X zijn standpunt grondt op de opvatting dat het verkrijgen van een kans op stoffelijk voordeel niet als het verkrijgen van een vermogensrecht kan worden beschouwd, is zijn standpunt in ieder geval onjuist. Het hof wijst erop, dat in de Memorie van Antwoord aan de Tweede Kamer ter zake van het wetsvoorstel tot verbieden van de piramidespelen het inroepen van de Colportagewet wordt genoemd als een van de “andere” juridische middelen die gebruikt kunnen worden in de strijd tegen piramidespelen (Zitting 1997-1998, nr. 5, blz. 6). In de derde plaats overweegt het hof, dat met de Wet van 14 mei 1998 is beoogd het verbodsregime van de Wet op de kansspelen op de piramidespelen van toepassing te doen zijn teneinde die spelen tot een algeheel einde te brengen (Kamerstukken 1996/1997, wetsontwerp 25 523, Memorie van toelichting, blz. 4). Achtergrond van dit algehele verbod is, dat de aard van het spel meebrengt dat de winstkansen dalen naarmate het aantal deelnemers stijgt en het onontkoombaar is, dat het merendeel van de deelnemers het spel met een negatief resultaat zal beëindigen (genoemd kamerstuk, blz. 2-4). Met deze wet en haar maatschappelijke achtergrond zou niet te rijmen zijn, dat men zich in de situatie vóór inwerkingtreding van die wet bij een incidenteel ingrijpen op grond van algemene wetten meer beperkingen zou opleggen dan strikt noodzakelijk.

5.4 Het in 5.1 als (a) aangeduide verweer wordt dus verworpen. Wat betreft het als (b) weergegeven verweer overweegt het hof, dat de Colportagewet zich richt tegen een bepaalde wijze van beïnvloeding van de wederpartij bij het tot stand komen van overeenkomsten en slechts het vereiste stelt dat de overeenkomst feitelijk “het onmiddellijk gevolg is van de werkzaamheden van een colporteur” (art. 24 Colportagewet). Niet is vereist dat de overeenkomst tijdens c.q. direct na het bezoek van of de bijeenkomst met de colporteur tot stand komt. Daar komt bij, dat X weliswaar heeft gesteld dat aspirant-deelnemers doorgaans enige dagen bedenktijd namen alvorens toe te treden, maar niet heeft gesteld dat zij hiertoe werden verplicht of zelfs aangemoedigd. Ook het verweer (b) wordt mitsdien verworpen. Voor het overige onderschrijft het hof hetgeen de rechtbank in haar vonnis van 12 augustus 1998 heeft overwogen omtrent de toepasselijkheid van de Colportagewet (zijnde: dat geen sprake was van overeenkomsten die slechts tussen de zittende en nieuwe deelnemers werden gesloten; dat uit het bestaan van een gedrukt aanvrageformulier, de wijze waarop wervingsbijeenkomsten en traniningscursussen werden georganiseerd alsmede de wijze waarop aanvragen werden afgehandeld en gelden werden uitbetaald volgt dat een en ander plaatsvond in het kader van een beroep of bedrijf; dat op het aanmeldingsformulier geen melding is gemaakt van de mogelijkheid de overeenkomst te ontbinden). Ook het hof is derhalve van oordeel dat bij het piramidespel in strijd met de wet is gehandeld. Grief IV faalt.

5.5 De rechtbank heeft in haar vonnis van 12 augustus 1998 de vereniging toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat X onrechtmatig heeft gehandeld jegens degenen die naar aanleiding van de colportage op de wervingsbijeenkomsten overeenkomsten hebben gesloten en uit hoofde van die overeenkomsten hun inleg hebben betaald voor het piramidespel Team. In haar eindvonnis van 3 maart 1999 heeft zij de vereniging geslaagd geacht in de levering van het bewijs. Tegen dit laatste oordeel zijn de grieven I, II en III gericht. De grieven hebben voornamelijk tot strekking dat X niet betrokken is geweest bij of zich bewust is geweest van handelingen in strijd met de Colportagewet.

5.6 Het hof stelt bij de waardering van het bewijs voorop de overweging van de rechtbank (eindvonnis onder 5 slot), dat X wist of kon weten dat de activiteiten van de directors en managers van het Teamspel ten koste konden gaan van deelnemers aan het piramidespel en dat van te voren vaststond dat “een groot aantal deelnemers, namelijk die, die zich op het laatste of voorlaatste niveau van de piramide zouden bevinden, verlies zouden lijden.” X heeft deze overweging in hoger beroep niet aangevochten. Voorts constateert het hof, dat X zelf heeft gesteld dat hij voor (niet een algemeen publiek, maar juist) Teamdirectors en Teammanagers trainingen in “motivatie- en verkooptechnieken” (dupliek nr. 5) verzorgde, in welke trainingen de nadruk lag op “overtuigingskracht, derhalve psychologische strategieën en technieken” (nr. 15). Het hof wijst erop, dat dergelijke trainingen tot uiteindelijk resultaat zullen hebben, dat juist gemakkelijk beïnvloedbare mensen -de groep die de Colportagewet beoogt te beschermen- tot deelname aan het piramidespel worden aangezet. X moet hebben geweten dat zijn trainingen hebben bevorderd dat veel deelnemers en meer in het bijzonder juist minder weerbare deelnemers -die zelf niet alleen niet het wervingspotentieel, maar ook niet de overtuigingskracht zouden hebben van degenen die hen als deelnemer hadden aangebracht- geld zouden verliezen. Het hof benadrukt daarbij, dat de essentie van het piramidespel is dat men zoveel mogelijk anderen weet te bewegen tot deelname en dan vooral tot de inleg van een geldbedrag.

5.7 X suggereert in onder andere de toelichting op zijn eerste en tweede grieven dat hij geen richtinggevende functie zou hebben vervuld binnen het “Team”-verband. Het hof is van oordeel, dat uit de getuigenverklaringen het tegendeel blijkt. Getuige 1 heeft verklaard dat X regionaal teamdirector (RTD) was, die de teamdirectors (TD’s), onder wie getuige 1 zelf, begeleidde en stuurde, welke teamdirectors op hun beurt de teammanagers (TM’s) instrueerden. Getuige 1 heeft ook verklaard dat men zich aan de regels van Team moest houden, welke meebrachten dat de RTD boven de TD stond en dat X ook daadwerkelijk regels stelde, zoals de regel dat men bij het niet of te laat komen op een bijeenkomst een bedrag van ¦ 500,-- aan X moest betalen. Dit laatste is ook door de rechtbank vastgesteld zonder dat X daartegen in hoger beroep is opgekomen. Getuige 2 -die volgens haar verklaring TM is geweest onder TD getuige 1- heeft verklaard dat X de RTD werd genoemd, dat werd gezegd dat hij het hoofd van de TD’s was, dat de TD’s alles met X bespraken, dat de TD zich had te houden aan wat X zei en dat zij zelf zich had te houden aan wat de TD zei en dat X er wel eens bij was als de TD les gaf om te kijken “hoe de TD dat deed en hoe ermee omgegaan werd.” Dat de andere gehoorde getuigen zich niet zozeer over de concrete rol van X hebben kunnen uitlaten kan worden verklaard door hun plaats in de organisatie. Getuige 3 heeft nog wel verklaard dat de TD’s aan het hoofd stonden van een eigen organisatie en dat de TM’s bij hen in dienst waren. Dit stemt in zoverre overeen met hetgeen de andere getuigen hebben verklaard omtrent de positie van de TD’s en TM’s.

Uit de verklaring van X zelf blijkt in ieder geval dat hij vanaf het begin bij Team betrokken is geweest en voordien was aangesloten bij de organisatie van een soortgelijk spel in Duitsland (Jump). X heeft verklaard dat hij zijn “kennis van het spel” aan de Nederlandse initiatiefnemers van Team heeft verkocht. Verder heeft hij weliswaar verklaard dat de TD’s zelfstandig waren en niet in enige gezagsverhouding ten opzichte van hem stonden, maar hij heeft omtrent zijn vermelding als RTD -die een overkoepelende functie suggereert- geen bevredigende verklaring gegeven. Voorts heeft hij omtrent de door hem ontvangen provisie per deelnemer aan het spel verklaard dat daaromtrent tevoren afspraken waren gemaakt “met de mensen die ik genoemd heb en nog met meer personen”. Naar het oordeel van het hof laat de hoogte van die provisie (10% en, blijkens de overgelegde stukken en de getuigenverklaring van getuige 4, waarschijnlijk uiteindelijk zelfs een fors hoger percentage van de ingebrachte bedragen) zich echter niet verklaren door alleen een rol van X als vrijblijvend adviseur. Die provisie is meer in overeenstemming met een rol van X als die welke doorklinkt in de getuigenverklaring van getuige 1. Daarbij acht het hof in ieder geval voldoende aannemelijk geworden dat X de grondlegger en verspreider was van de psychologische wervingsmethodes die door Team werden toegepast. Dit klinkt ook door in zijn eigen getuigenverklaring.

Uit de overeengekomen provisiebetalingen volgt tevens, dat X zich heeft laten belonen voor zijn activiteiten ten behoeve van het piramidespel.

5.8 De vraag is vervolgens of voor het aannemen van onrechtmatigheid een vereiste is, dat X zich ervan bewust was, dat door het piramidespel de Colportagewet werd overtreden. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend. Daartoe is redengevend, dat X bewust en op systematische wijze een overtuigingstaktiek heeft verspreid teneinde -zeker ook ten eigen behoeve- inleg van geldbedragen te verkrijgen terwijl hij besefte, althans had moeten beseffen, dat -zoals reeds eerder in dit arrest is overwogen- een grote groep deelnemers (waaronder die deelnemers die enerzijds zelf beïnvloedbaar zijn en anderzijds naar anderen toe de vereiste overtuigingskracht missen) daardoor forse geldbedragen zouden verliezen. Het hof acht deze handelwijze in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer jegens de genoemde groep deelnemers in acht moet worden genomen, ook indien ervan zou worden uitgegaan dat X de Colportagewet niet kende en dus niet besefte dat de personen die de feitelijke wervingsactiviteiten verrichtten handelden in strijd met die wet. Niet is gesteld of gebleken dat X bij zijn wervingstrainingen enige aandacht heeft besteed aan de vraag, of en hoe potentiële gegadigden voor de nadelen van deelname konden worden gewaarschuwd. Zijn technieken lijken er integendeel op gericht juist zoveel mogelijk mensen -en zeker ook de beïnvloedbare en impulsieve mensen- door het in het vooruitzicht stellen van groot geldelijk gewin snel tot deelname over te halen. In zoverre hebben zijn activiteiten zeker bevorderd, dat in strijd met de Colportagewet is gehandeld en X had kunnen beseffen dat er wellicht een wet(telijke bepaling) was die tegen het overredingselement in het piramidespel kon worden ingeroepen. Het hof neemt bij zijn oordeel mede in aanmerking dat, blijkens de stukken, X zijn activiteiten heeft voortgezet ook toen hem duidelijk had moeten zijn dat het piramidespel in Nederland juist in verband met de verliezen die een grote groep deelnemers leden ter discussie stond. Derhalve is voor de uitkomst van deze procedure niet van belang of X op de hoogte was van de precieze bepalingen van de Colportagewet en wordt zijn daarop betrekking hebbend bewijsaanbod gepasseerd. Een en ander brengt mee, dat de grieven I, II en III, zoals toegelicht, X niet kunnen baten.

5.9 Geen der aangevoerde grieven treft doel. X heeft geen zelfstandige grieven gericht tegen hetgeen de rechtbank in haar eindvonnis onder 6 en 7 heeft overwogen (betreffende het niet zijn betwist van de lijst van deelnemers met hun inbreng en het terugverdiende bedrag respectievelijk de gestelde schade van in totaal ƒ 5.596.240,--). Dit betekent, dat beide vonnissen dienen te worden bekrachtigd.

5.10 X zal, als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze instantie.

6 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep,

bekrachtigt de door de arrondissementsrechtbank te Almelo gewezen vonnissen van 12 augustus 1998 en 3 maart 1999;

veroordeelt X in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de vereniging tot op heden begroot op ¦ 9.350,-- wegens verschotten en ¦ 8.700,-- wegens salaris.

Dit arrest is gewezen door mrs Van der Poel, Heisterkamp en Valk en uitgesproken in tegenwoor-digheid van de griffier ter openbare terechtzitting van 16 mei 2000.