Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2000:AA5471

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
01-02-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/03449
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000, 584
V-N 2000/33.8

Uitspraak

WS

Gerechtshof Arnhem

belastingkamer

president

nummer 99/03449

Uitspraak voorlopige voorziening

op het verzoek van X b.v. te Z (hierna te noemen: belanghebbende) om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) betreffende de haar opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting, aanslagnummer F01.

1. Naheffingsaanslag en bezwaar

1.1. De naheffingsaanslag met dagtekening 11 november 1999 opgelegd door de inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen P, betreft het tijdvak van 1 september 1997 tot en met 30 september 1998, bedraagt ƒ 29 766 652 aan belasting en ƒ 7 441 663 aan boete. Aan heffingsrente is ƒ 228 079 berekend. De naheffingsaanslag is dadelijk en ineens invorderbaar op grond van artikel 10, lid 1, onderdeel b, juncto artikel 15, van de Invorderingswet 1990.

1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de inspecteur de naheffingsaanslag en de boete gehandhaafd bij uitspraak van 25 november 1999, waartegen op 26 november 1999 beroep is ingesteld dat bij het hof is ingeschreven onder nummer 99/03450.

2. Behandeling van het verzoek

2.1. Het verzoekschrift is ter griffie ontvangen op 26 november 1999.

2.2. Tot de stukken van het geding behoren het verweerschrift en de daarin genoemde bijlagen.

2.3. Het verzoek is gelijktijdig met het voormelde beroep mondeling behandeld op 12 januari 2000 te Arnhem, waarbij zijn gehoord de gemachtigde van belanghebbende alsmede de inspecteur.

3. Het verzoek en het daartegen gevoerde verweer

3.1. Belanghebbende verzoekt, na wijziging van haar standpunt ter zitting, primair met toepassing van artikel 8:86 Awb zo spoedig mogelijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, subsidiair de naheffingsaanslag voorlopig te verminderen tot nihil althans een voorshands aanvaardbaar te achten bedrag en te bepalen dat deze vermindering geldt totdat in de bodemprocedure over de naheffingsaanslag is beslist alsmede dat de bodemprocedure in aanmerking komt voor een versnelde behandeling op grond van artikel 8:52 Awb.

3.2. De inspecteur heeft zich tegen het subsidiaire verzoek verweerd.

3.3. Elk van de partijen heeft voor haar standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van haar afkomstige stukken.

3.4. Daaraan is mondeling, behalve de inhoud van de voormelde pleitnotities, toegevoegd - zakelijk weergegeven -

3.4.1. namens belanghebbende:

3.4.1.1. Zij schrapt haar verzoek om de inspecteur op verbeurte van een dwangsom te verbieden nadere naheffingsaanslagen op te leggen die dezelfde rechtsvraag betreffen.

3.4.1.2. Zij trekt haar subsidiaire verzoek alleen in als de inspecteur thans namens de ontvanger kan beloven niet verder in te vorderen.

4. Beoordeling van het verzoek

4.1. Het primaire verzoek is door het hof in zoverre ingewilligd dat de hoofdzaak gelijktijdig is behandeld als voormeld. Aan het einde van de mondelinge behandeling is in de hoofdzaak overeenkomstig artikel 8:66 Awb schriftelijk uitspraak binnen zes weken aangezegd. Het primaire verzoek is geen verzoek om een voorlopige voorziening. Het behoeft hier dan ook geen verdere behandeling.

4.2. Het subsidiaire verzoek om voorlopige vermindering strekt, mede gezien het onder 3.4.1.2. weergegevene, er kennelijk slechts toe de invorderbaarheid van (een gedeelte van) de naheffingsaanslag te schorsen. Het verzoek raakt in zoverre niet de in de naheffingsaanslag belichaamde formalisering van de in de hoofdzaak betwiste materiële omzetbelastingschuld, doch enkel het mede op het aanslagbiljet weergegeven besluit van de ontvanger om de naheffingsaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar te verklaren. Hiertoe is krachtens artikel 10 voormeld uitsluitend de ontvanger bevoegd en niet de inspecteur, die met betrekking tot de vaststelling van naheffingsaanslagen, voor zover hier van belang, de bevoegdheden heeft als bedoeld in de artikelen 5 en 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). De ontvanger is evenwel noch in de hoofdzaak noch bij dit verzoek om een voorlopige voorziening partij. Hij kan dit ook niet zijn, want een besluit tot het terstond en tot het volle bedrag invorderbaar verklaren van belastingaanslagen is geen voor bezwaar vatbare beschikking. De Invorderingswet 1990 verklaart daarop, anders dan artikel 30, lid 2, met betrekking tot de invorderingsrente en artikel 7 van de Kostenwet invordering rijksbelastingen met betrekking tot in rekening gebrachte kosten van vervolging, hoofdstuk V en hoofdstuk VIII, afdeling 4, van de AWR niet van overeenkomstige toepassing. Dit laat onverlet dat belanghebbende zich desgeraden op de voet van artikel 17 van de Invorderingswet 1990 verzet tegen de (verdere) dwanginvordering van de naheffingsaanslag.

4.3. Het subsidiaire verzoek is dus niet voor inwilliging vatbaar.

5. Slotsom

Voor het treffen van een voorlopige voorziening zijn geen termen aanwezig.

6. Proceskosten

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 in verbinding met 8:84, lid 4, van de Awb vindt de president geen termen aanwezig.

7. Beslissing

De president wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan te Arnhem op 1 februari 2000.door mr N.E. Haas, vice-president, in tegenwoordigheid van mr Snoijink, gerechtsauditeur, en N.Th. Wagener als griffier.

(N.Th. Wagener) (N.E. Haas)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 1 februari 2000