Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2000:AA5245

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
19-01-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98-01101
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2000/819
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ak

Gerechtshof Arnhem

Tweede enkelvoudige belastingkamer

nummer 98/01101

U i t s p r a a k

op het beroep van *X te * Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem (hierna: het college) op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen na te melden beschikkingen ingevolge de wet Waardering Onroerende Zaken.

1. Beschikkingen en bezwaar

1.1. Op 16 september 1997 is onder kennisgevingsnummer *k-1 een beschikking ter uitvoering van de wet Waardering Onroerende Zaken (hierna wet WOZ) toegezonden aan V.O.F *X-a, *a-weg *1, *1111 aa Z, vermeldend als nummer beschikking *b-1, als adres onroerende zaak *a-weg *1 *Z, als waarde ¦ 217.000,- ter zake van het gebruik van die zaak.

1.2. Eveneens op 16 september 1997 is onder kennisgevingsnummer *k-2 een beschikking ter uitvoering van de wet WOZ toegezonden aan X op het hiervoor vermelde adres, vermeldend als nummer beschikking *b-2 ter zake van de eigendom en nummer *b-3 ter zake van het gebruik van de zaak *a-weg *1 A *Z met als waarde telkens ¦ 130.000,- en voorts met beschikkingsnummer *b-4 ter zake van de eigendom van *a-weg *1 te *Z met als waarde ¦ 217.000,-.

1.3. Bij zowel de in 1.1. als de in 1.2. bedoelde beschikking is vermeld: "(Hierbij komen kennisgevingsummers *k-3 en *k-4 te vervallen)".

Deze kennisgevingsnummers komen hierna bij 3.3. en 3.4. aan de orde.

1.4. Onder verwijzing naar kennisgevingsnummers *k-1 en *k-2 maakte belanghebbende op 17 september 1997 als eigenaar van de zaak *a-weg *1 A en als vennoot van genoemde V.O.F. als gebruiker van *a-weg *1 bezwaar tegen de onder de genoemde kennisgevingsnummers afgegeven beschikkingen.

1.5. Na afzonderlijke ontvangstbevestigingen van de bezwaarschriften met betrekking tot de kennisgevingsnummers *k-1 en *k-2, heeft het college op 29 januari 1998 - verzonden 4 februari 1998 - in één uitspraak nummer 97.13793 belanghebbendes bezwaren tegen de beschikkingen *b-2 en *b-1 verworpen en de waarde gehandhaafd.

Belanghebbende heeft tegen die uitspraak beroep ingesteld.

2. Geding voor het Hof

2.1. Het beroepschrift is ter griffie ontvangen op 10 maart 1998 en aangevuld op 3 juni 1998, waarbij 50 bijlagen 1 tot en met 50 zijn overgelegd.

2.2. Tot de stukken van het geding behoren het vertoogschrift en de daarin genoemde bijlagen, alsmede de conclusies van re- en dupliek met de daarin genoemde bijlagen.

2.3. Bij de mondelinge behandeling op 8 juli 1999 te Arnhem zijn verschenen en gehoord belanghebbende, bijgestaan door zijn echtgenote, alsmede *woordvoerders van de gemeente.

2.4. De notities van de pleidooien die belanghebbende alsmede de gemachtigde van het college bij de mondelinge behandeling hebben gehouden worden, met bijlagen, als hier herhaald en ingelast beschouwd.

3. De vaststaande feiten

3.1. Een door belanghebbende overgelegd uittreksel van de Kadastrale Registratie naar de toestand per 6 april 1998 vermeldt belanghebbende - in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met zijn hiervoor genoemde echtgenote - als gerechtigde tot de volle eigendom van het object met de kadastrale aanduiding *C-1, zijnde een Winkelhuis Woonhuis Kantoor Opslagruimte Magazijnruimte op het adres *a-weg *1 en *1 A te *Z.

3.2. Een eveneens door belanghebbende overgelegd uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Midden-Gelderland vermeldt de inschrijving van een vennootschap onder firma onder de naam V.O.F. *X-a - opgericht 1 januari 1991 - op het adres *a-weg *1, *Z met als datum van vestiging 1 april 1992 en als vennoten belanghebbende en zijn echtgenote.

3.3. Op 5 juni 1997 is onder kennisgevingsnummer *k-3 een beschikking ter uitvoering van de wet WOZ aan belanghebbende toegezonden, vermeldend als beschikkingnummer *b-5, als adres onroerende zaak *a-weg *1 *Z, als waarde ¦ 217.000,- ter zake van de eigendom en onder nummer *b-6 ter zake van het gebruik daarvan.

3.4. Belanghebbende heeft aangevoerd dat hem in augustus 1997 onder kennisgevingsnummer *k-4 een WOZ-beschikking is toegezonden voor de onroerende zaak *a-weg *1 met een waarde van ¦ 130.000,- als eigenaar en gebruiker.

3.5. Bij brief van 8 april 1998, verzonden 9 april 1998, heeft het college aan belanghebbende bericht - zulks "Als aanvulling op onze brief van 29 januari 1998 ..." de waarde van het bedrijfsgedeelte nader te stellen op ¦ 202.000,- en de waarde van de woning op ¦ 145.000,- waarbij het totaal op ¦ 347.000,- blijft gesteld.

3.6. Het pand *a-weg *1/1 A is een woon-winkelpand. De winkel met magazijn, opslag en garage is gevestigd op de begane grond. De bovenwoning op de tweede en derde verdieping heeft een eigen opgang en is, evenals het winkeldeel afzonderlijk afsluitbaar. In het winkeldeel is geen toilet of kookgelegenheid aanwezig. Het verwarmingssysteem voor het gehele pand bevindt zich in de garage. De kelder en de meterkast zijn vanuit de woning slechts bereikbaar via de winkel.

3.7. Bij een op 12 november 1997, nr. 97.13727, met als onderwerp "huisnummering" verzonden schrijven heeft het college de bewoners en gebruikers van *a-weg *1 te *Z in kennis gesteld van het ingaande 1 januari 1998 toekennen van afzonderlijke huisnummers voor de bedrijfsruimte (nummer *1) en de bovenwoning (nummer *1 A).

Belanghebbende heeft tegen deze kennisgeving en tegen de zijns inziens daaruit blijkende splitsing van het pand in nummer *1 en *1 A bezwaar aangetekend.

4. Het geschil, de standpunten en de conclusies van partijen

4.1. Partijen houdt verdeeld:

-a- of de in 1.1. en 1.2. bedoelde beschikkingen rechtsgeldig zijn, gelet op de eerdere beschikkingen als bedoeld in 3.3. en 3.4., welke vraag belanghebbende ontkennend en het college bevestigend beantwoordt, en, zo ja,

-b- of het college terecht de bovenwoning en de bedrijfsruimten aanmerkt als afzonderlijke onroerende zaken in de zin van artikel 16 van de wet WOZ, welke vraag belanghebbende ontkennend en het college bevestigend beantwoordt, en, zo ja,

-c- of de door het college voorgestane dan wel de door belanghebbende verdedigde waarden aan die zaken moeten worden toegekend.

4.2. Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken.

4.3. Daaraan is mondeling, behalve de inhoud van de voormelde pleitnotities, toegevoegd - zakelijk weergegeven -

4.3.1. door belanghebbende:

4.3.1.1. Zijn belang bij het geding ligt met name bij het inkomstenbelastingaspect bij eventuele staking van zijn onderneming en de stille reserve in het zakelijk deel.

4.3.1.2. De tekeningen die namens het college worden overgelegd betreffen een niet meer bestaande oude toestand.

4.3.1.3. Hij schat zijn verletkosten voor de zitting op drie uur van ¦ 80,- per uur.

4.3.2. en namens het college:

4.3.2.1. Belanghebbendes belang schuilt in het 20% hogere OZB-tarief dat geldt voor niet-woningen. Zou sprake zijn van één object dan geldt dat tarief voor het geheel.

4.3.2.2. Erkend wordt dat het van de griffie van de belastingkamer als bijlage bij het beroepschrift ontvangen taxatierapport een kennelijk onvolledig gekopieerde versie is. Ter zitting is van het origineel voldoende kennis genomen.

4.3.2.3. De in 3.5. bedoelde wijzigingen van de waarde zijn de gemachtigde of de taxateur niet bekend. In het vertoogschrift komen zij evenmin voor.

4.3.2.4. Aan de deskundigheid van de door belanghebbende geraadpleegde taxateur wordt niet getwijfeld. Het verzoek deze als getuige te horen kan als vervallen worden aangemerkt.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Het stelsel van de wet WOZ zoals vervat in Hoofdstuk IV van die wet gaat uit van één (voor bezwaar vatbare) beschikking per onroerende zaak.

Het college heeft daarom ten onrechte belanghebbende niet in de gelegenheid gesteld zijn bezwaarschrift - dat gericht was tegen meerdere WOZ-beschikkingen die niet in één geschrift (kennisgeving) waren opgenomen - te splitsen.

5.2. Nu het college in één uitspraak op belanghebbendes bezwaren uitspraak heeft gedaan en belanghebbende daartegen in één beroepschrift in beroep is gekomen, is het niet in belanghebbendes belang op grond van het in 5.1. bedoelde verzuim van het college de uitspraak te vernietigen en het college te gelasten belanghebbende alsnog de gelegenheid tot splitsen te bieden.

5.3. De wet WOZ kent, naast de in artikel 25 en artikel 26 genoemde wijzigingsmogelijkheden, in artikel 27 een herstelmogelijkheid voor een te lage waardevaststelling.

Aan deze beperkte herzieningsmogelijkheid kan worden ontleend dat die wet geen ruimte biedt voor andere vormen van wijziging of herstel van de waardevaststelling en evenmin aanknopingspunten voor een "vervanging" van een afgegeven WOZ-beschikking door een nieuwe beschikking zoals in dezen wel heeft plaatsgevonden. Zulks zou in dezen met zich brengen dat de in 1.1. en 1.2. bedoelde beschikkingen nietig zijn.

De vraag die alsdan rijst naar de status van de in 1.3. bedoelde vervallen-verklaringen van de daarin genoemde kennisgevingsnummers (en beschikkingen) kan hier onbesproken blijven omdat, zoals hierna zal worden overwogen, de in 1.1. en 1.2. bedoelde beschikkingen in ieder geval niet in stand kunnen blijven omdat zij ten onrechte ervan uitgaan dat sprake is van twee onroerende zaken.

5.4. Het college heeft, bij betwisting door belanghebbende, de bewijslast met betrekking tot hun stelling dat bij het onderwerpelijke pand sprake is van twee onroerende zaken in de zin van artikel 22 van de wet WOZ.

Het college maakt zulks niet aannemelijk met louter het betoog dat het woon- en het winkelgedeelte blijkens hun aard en hun inrichting als afzonderlijke eenheden zijn aan te merken en met een (kennelijk abusievelijk) verwijzing naar artikel 16, lid d, van de wet WOZ.

Belanghebbendes stelling komt erop neer dat de in 3.6. weergegeven feitelijke indeling van bovenwoning en winkel aldus is dat deze gedeelten niet los van elkaar als een afzonderlijk geheel kunnen worden gebruikt maar integendeel feitelijk zodanig op elkaar zijn afgestemd dat ze alleen in samenhang met elkaar kunnen worden gebruikt. Weliswaar betoogt het college terecht dat in een winkel op zich niet een toilet aanwezig behoeft te zijn, maar daarmee heeft het college niet duidelijk gemaakt op welke wijze in het onderwerpelijke geval personen die de gehele dag aanwezig zijn in de onderwerpelijke winkel, magazijn, opslag voorzien in elementaire sanitaire en zelfverzorgende functies. Ook de omstandigheid dat de meterkast en de kelder uitsluitend via de winkel bereikbaar zijn en dat de c.v.-ketel in de garage behorend bij de woning staat, wijst erop dat een afzonderlijk gebruik/verhuur van de boven- en benedenruimten in de huidige toestand niet mogelijk is.

5.5. Gelet op onder meer het arrest van de Hoge Raad van 16 juni 1999, nr. 34500, gepubliceerd in Belastingblad 1999, blz. 593, r.o. 4.1 tot en met 4.3. dienen de bestreden in 1.1. en 1.2. bedoelde beschikkingen nrs. *b-1, *b-2, *b-4, *b-3, die uitgaan van twee afzonderlijke objecten, te worden vernietigd. De vraag welke waarde hier dan aan de orde is betreft dan niet bestaande beschikkingen en kan in dezen niet worden behandeld.

6. Slotsom

Het beroep is gegrond.

7. Proceskosten

Belanghebbendes proceskosten zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten fiscale procedures te berekenen op ¦ 240,- aan verletkosten, ¦ 25,- aan reiskosten en ¦ 1.359,18 aan belanghebbende in rekening gebrachte kosten van deskundigen die aan belanghebbende verslag hebben uitgebracht.

8. Beslissing

Het gerechtshof

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep alsmede de daarbij gehandhaafde beschikkingen;

- gelast het college aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht van ¦ 80,- te vergoeden;

- veroordeelt het college in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van ¦ 1.624,18, te vergoeden door de gemeente Doetinchem.

Aldus gedaan op 19 januari 2000 te Arnhem door mr Van Schie, vice-president, lid van de tweede enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mw mr Van der Waerden als griffier.

(A.W.M. van der Waerden) (P.M. van Schie)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 19 januari 2000

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien u na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.