Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2000:AA5242

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
31-01-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98-02649
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2000/30.12 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

SW

Gerechtshof Arnhem

Vijfde enkelvoudige belastingkamer

nummer 98/ 02649

U i t s p r a a k

op het beroep van *X BV te *Z (hierna te noemen: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Grote ondernemingen *P op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar voor het tijdvak 1 januari tot en met 31 december 1995 opgelegde naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Naheffingsaanslag en bezwaar

1.1. De naheffingsaanslag, genummerd *A.1 en gedagtekend 2 maart 1998, beloopt ƒ 25.176,- aan loonheffing en ƒ 1.604,- aan heffingsrente.

1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak van 11 mei 1998 de naheffingsaanslag gehandhaafd.

2. Geding voor het Hof

2.1. Het beroepschrift is ter griffie ontvangen op 22 juni 1998.

2.2. Tot de stukken van het geding behoren voorts het vertoogschrift en de daarin genoemde bijlagen, alsmede de conclusies van re- en dupliek met de daarin genoemde bijlagen.

2.3. Bij de mondelinge behandeling op 27 april 1999 te Arnhem zijn gehoord de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

3. De vaststaande feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussenpartijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, de volgende feiten vast.

3.1. Belanghebbende en *B BV zijn onderdelen van een concern waarvan de aandelen worden gehouden door de heer *B. Belanghebbende fabriceert *een product, dat ten dele via *B BV aan derden wordt verkocht.

3.2. In 1995 bestaan de ondernemingen van belanghebbende en *B BV 25 jaar, ter gelegenheid waarvan in 1995 aan het personeel een reis naar *een land aan de Middellandse Zee wordt aangeboden. De reis vindt plaats van vrijdag tot en met de daaropvolgende donderdag. De kosten van de reis, welke voor rekening van de werkgever komen, bedragen in totaal ƒ 122.096,-. Deze kosten hebben betrekking op: vliegreis, transfer, halfpension, excursies, faciliteiten van het appartementencomplex, feestavond. Voor rekening van de werknemers komen overige consumpties, persoonlijke uitgaven en de kosten van een reisverzekering. In totaal nemen aan de reis 123 personen deel. De kosten bedragen derhalve ƒ 993,- per persoon.

3.3. Aan de reis hebben 57 werknemers van belanghebbende en *B BV deelgenomen: de heer *B (alleen) en 56 andere werknemers van belanghebbende en *B BV (allen met hun partners); in totaal derhalve 113 deelnemers. De overige 10 deelnemers waren relaties van belanghebbende en *B BV.

3.4. Tijdens het verblijf zijn zes excursies georganiseerd. Deelname aan de excursies vond plaats op vrijwillige basis, doch daar is door de werkgever wel op aangedrongen. Op twee avonden is met de werknemers aandacht besteed aan met de bedrijfsvoering samenhangende aspecten, zoals verkoopinstructie en invulling van verkoopformulieren.

3.5. Het gemiddelde brutoloon bedraagt in 1995 per werknemer ongeveer ƒ 45.000,-.

3.6. Het aantal vakantiedagen van de werknemers bedroeg 22, waarvan twee weken moesten worden opgenomen in de zomermaanden en twee weken na de kerstperiode. De reis viel buiten het aantal vakantiedagen. In 1995 hebben alle werknemers de hun toegekende vakantiedagen volledig opgenomen.

Vijf personeelsleden hebben wegens privé-omstandigheden niet deelgenomen aan de reis. Zij hebben in deze periode verlof genoten.

3.7. De Inspecteur heeft aanvankelijk naar belanghebbende toe het standpunt ingenomen dat het volledige bedrag van de kosten van de reis als loon aangemerkt dient te worden. In tweede instantie heeft de inspecteur een compromisvoorstel gedaan, waarbij de helft van de kosten als te belasten besparing aangemerkt wordt, met toepassing van een enkelvoudig tarief (derhalve zonder brutering) van 37,65%. Dit voorstel is door belanghebbende verworpen. De inspecteur heeft vervolgens het standpunt ingenomen dat de te belasten besparing ondanks verwerping van het compromisvoorstel toch op de helft van de gemaakte kosten (ƒ 61.047,-) kan worden gesteld. Op het loon is vervolgens de het tarief volgens de tabel voor bijzondere beloningen toegepast.

Omdat belanghebbende in 1997 heeft aangegeven dat zij de over 1995 na te heffen loonheffing niet op haar werknemers zal verhalen, heeft de inspecteur de niet verhaalde loonheffing als loon over 1997 aangemerkt en over dat jaar ook een naheffingsaanslag opgelegd. In het vertoogschrift heeft de Inspecteur zich nader op het standpunt gesteld, dat over de reiskosten van de 10 relaties geen loonheffing dient plaats te vinden. In verband daarmee moet de naheffingsaanslag met 10/123 deel ofwel ƒ 2.047,- loonheffing en ƒ 131,- heffingsrente worden verminderd. Indien sprake is van een lagere besparing, hetgeen hij bestrijdt, is de Inspecteur van mening dat deze minimaal bedraagt de besparing op voedsel en drank conform de in artikel 11 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990, te weten {(ƒ 5,60 warme maaltijd + ƒ 2,80 ontbijt) x 7 dagen x 113 werknemers en partners] ƒ 6.644,-.

3.8. Belanghebbende stelt, dat indien al sprake is van loon, de besparingswaarde nihil is dan wel ten hoogste op grond van CBS-gegevens niet meer dan voor 30% van de deelnemers tot een bedrag van ƒ 105,- per vakantiedag. Voor het laatste geval berekent zij het in aanmerking te nemen loon op ƒ 24.696,-.

3.9. Partijen hebben afgesproken dat zowel de ten aanzien van de werknemers van belanghebbende als de ten aanzien van de werknemers van *B BV verschuldigde loonheffing volledig wordt nageheven van belanghebbende.

4. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

4.1. Partijen houdt verdeeld of ten aanzien van de kosten van de personeelsreis sprake is van loon en zo ja, tot welk bedrag het loon in aanmerking moet worden genomen.

4.2. Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken.

4.3. Daaraan is mondeling, afgezien van hetgeen reeds hiervoor onder de vaststaande feiten is opgenomen, toegevoegd - zakelijk weergegeven- :

Namens belanghebbende:

- Zij wijst op de nieuwe regeling in het huidige artikel 16c van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990, waarin voor personeelsreizen in verband met een jubileum de waarde op nihil worden gesteld indien de kosten het bedrag van ƒ 1.000,- niet overtreffen.

- Zij gaat ermee akkoord dat geen proceskostenvergoeding wordt toegekend, indien het Hof de naheffingsaanslag alleen vermindert in verband met de deelname van de 10 relaties.

Door de Inspecteur:

- De regeling van artikel 16c Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990 is pas eind 1997 toegevoegd. Het is een soort vrijstellingsregeling. Daarmee is niet gezegd dat het beleid daarvóór te streng was. De wetgever heeft een en ander anders geregeld. Dat gebeurt wel vaker.

4.4. Belanghebbende concludeert primair tot vernietiging van de bestreden uitspraak en van de naheffingsaanslag en subsidiair tot vernietiging van de uitspraak en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot een naar een heffingsgrondslag van ƒ 24.696,- aan in aanmerking te nemen loon.

4.5. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot een ten bedrage van ƒ 23.129,- aan loonheffing en ƒ 1.473,- aan heffingsrente.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Ingevolge artikel 10, eerste lid, Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet) is loon al hetgeen uit een dienstbetrekking wordt genoten. Onder dit loonbegrip valt ook het op kosten van de werkgever deelnemen aan een reis in verband met het jubileum van de onderneming van de werkgever.

5.2. Voormeld loon is loon in natura en moet ingevolge artikel 13 van de Wet (tekst 1995) in aanmerking worden genomen naar de waarde in het economische verkeer, tenzij de beloning niet te gelde kan worden gemaakt, zoals hier - naar niet wordt bestreden - het geval is, in welk geval de waarde wordt gesteld op ten hoogste het bedrag van de besparing

5.3. Van een besparing is sprake indien de beloning voorziet in een behoefte waarin de werknemer, gelet op de financiële omstandigheden van hem en zijn gezin, pleegt te voorzien en tot het bedrag dat, gelet op die omstandigheden als normaal kan worden aangemerkt.

5.4. De Inspecteur stelt zich, onder verwijzing naar de resolutie DB88-3351, BNB 1988/315, van de staatssecretaris van Financiën op het standpunt, dat een reis naar een land rond de Middellandse Zee behoort tot het normale bestedingspatroon van werknemers met een inkomen als dat van de werknemers van belanghebbende en van met hen vergelijkbare werknemers.

5.5. Belanghebbende heeft gesteld dat de reis is georganiseerdoor de werkgever, dat de reis mede diende ter bevordering van het onderlinge contact en de samenwerking binnen het bedrijf en dat de werknemers de reis en het verblijf niet naar vrije keus konden inrichten, immers op deelname aan de excursies werd aangedrongen en er waren twee avonden die werden besteed aan zakelijke aangelegenheden. Voorts heeft belanghebbende verwezen naar door haar overgelegde CBS-statistieken inzake vakantieparticipatie van de Nederlandse bevolking in 1997. Uit deze statistieken komt naar voren dat bij een netto-gezinsinkomen van ƒ 25.000,- tot ƒ 30.000,- niet meer dan 30% van de bevolking een langere vakantie in het buitenland doorbrengt. Bij een korte vakantie brengt ongeveer 6% van de bevolking met genoemd gezinsinkomen deze in het buitenland door.

5.6. Het Hof deelt te dezen het standpunt van belanghebbende Er is sprake van een gebonden groepsreis waarbij de samenstelling van de groep, een deel van de tijdsbesteding en het reis- en datumschema geheel of ten dele niet door de deelnemer zelf is bepaald. Van deze omstandigheden, die alle wijzen op het primaire belang bij de reis van de werkgever, gaat een sterk waardeverminderend effect uit. Gelet voorts op het door belanghebbende verschafte CBS-cijfermateriaal is het Hof van oordeel, dat niet kan worden gesproken in het voorzien in een behoefte van de werknemer als bedoeld in 5.3. hiervóór.

5.7. Het Hof neemt bij dit oordeel in aanmerking, dat het na 1 januari 1997 ingevoegde artikel 16c van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990, ondanks de aanscherping van de onderhavige regelgeving per 1 januari 1997, ziet op een buiten aanmerking laten van een personeelsvoorziening als de onderhavige indien de kosten daarvan het bedrag van ƒ 1.000,- niet overtreffen.

5.8. Het vorenstaande neemt niet weg, dat naar de stand van de regelgeving in 1995 de verschafte eet- en drinkwaren als besparing zijn aan te merken. De Inspecteur heeft, door belanghebbende niet bestreden, de waarde hiervan berekend op ƒ 6.644,-. De bestreden naheffingsaanslag moet in zoverre worden verminderd.

6. Slotsom

Het beroep van belanghebbende is gedeeltelijk gegrond

7. Proceskosten

Belanghebbendes proceskosten zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten fiscale procedures te berekenen op {(1 beroepschrift + 0,5 conclusie van dupliek + 1 bijwonen zitting) × ƒ 710,- × 1,5} ƒ 2.662,50.

8. Beslissing

Het Gerechtshof

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- vermindert de naheffingsaanslag tot een berekend naar een loon van ƒ 6.644,- vermeerderd met heffingsrente;

- gelast de Inspecteur aan belanghebbende het door haar gestorte griffierecht van ¦ 80,- te vergoeden;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van ¦ 2.662,50, te vergoeden door de Staat der Nederlanden.

Aldus gedaan en in openbaar uitgesproken op 31 januari 2000 door mr. Röben, raadsheer, lid van de vijfde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr Van der Waerden, als griffier.

De griffier, De voorzitter,

(A.W.M. van der Waerden) (J.B.H. Röben)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 31 januari 2000

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien u na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.