Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2000:410

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
18-01-2000
Datum publicatie
10-06-2016
Zaaknummer
99/357 P
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Volgens pachter maakt de verpachter inbreuk op zijn pachtrecht. Verjaring van rechtsvordering om tegen deze inbreuk op te treden? Hof beveelt onderzoek ter plaatse.

Voor het vervolg zie ECLI:NL:GHARN:2001:619

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 januari 2000

pachtkamer

rolnummer 99/357 P

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

procureur: mr P.C. Plochg,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

procureur: mr J.M. Bosnak.

1 Het geding in eerste aanleg

De pachtkamer van het kantongerecht te Amersfoort heeft op 16 juni 1998 en 16 maart 1999 tussen partijen vonnissen gewezen, die in fotocopie aan dit arrest zijn gehecht en naar de inhoud waarvan wordt verwezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Appellant - hierna ook te noemen: pachter - is bij exploot van 15 april 1999, met gelijktijdige dagvaarding van geïntimeerde - hierna ook te noemen: verpachter - voor dit hof, in hoger beroep gekomen van laatstgenoemd vonnis.

2.2.

Bij memorie van grieven zijn na te melden grieven aangevoerd en is bewijs aangeboden, met conclusie dat het hof het vonnis, waarvan beroep, zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende,

a. a) verpachter zal verbieden inbreuk te maken op het pachtrecht van pachter;

b) verpachter zal gelasten binnen acht dagen na het te wijzen arrest de in het fundamentum petendi van de dagvaarding in eerste aanleg omschreven zaken, alsmede eventuele andere voorwerpen uit het gepachte te verwijderen en verwijderd te houden,

c) verpachter zal gelasten binnen één maand na het te wijzen arrest adequate, onder goedkeuring van de bevoegde gemeentelijke dienst, voorzieningen te treffen ter voorkoming van geluidsoverlast;

d) verpachter zal gelasten binnen acht dagen na het te wijzen arrest ervoor zorg te dragen dat pachter in geval van calamiteiten onmiddellijk en zonder tussenkomst van derden toegang tot de toren heeft;

e) verpachter zal veroordelen tot een dwangsom van f 2.000,-- (tweeduizend gulden) voor elke dag dat hij in gebreke is aan het door het door het hof te wijzen arrest te voldoen;

f) verpachter zal veroordelen in de proceskosten van beide instanties.

2.3

Bij memorie van antwoord is verweer gevoerd met conclusie dat het hof het vonnis, waarvan beroep, zal bekrachtigen met veroordeling van pachter in de proceskosten van het hoger beroep.

2.4

Nadat pachter nog een akte had genomen, hebben partijen de stukken aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest.

3 De grieven

De grieven luiden:

I Ten onrechte overweegt de pachtkamer van het kantongerecht dat verpachter door het gebruik van een gedeelte van de zolder geen inbreuk maakt op het pachtrecht van pachter.

II Ten onrechte overweegt de pachtkamer van het kantongerecht dat er geen sprake is van geluidsoverlast.

III Ten onrechte overweegt de pachtkamer van het kantongerecht dat onvoldoende is aangetoond dat pachter belang heeft bij het verkrijgen van een sleutel van de toren.

IV Ten onrechte heeft de pachtkamer van het kantongerecht de vorderingen van pachter afgewezen en hem in de kosten van de procedure veroordeeld.

4 De vaststaande feiten

In hoger beroep kan van de volgende, als erkend of niet (voldoende) betwist, vaststaande feiten worden uitgegaan:

- bij pachtovereenkomst van 19 december 1969 is door de Erven [X] aan [Y] verpacht de tot het landgoed [naam] behorende hoeve " [naam] " aan de [adres] te [plaats] , groot ongeveer 28.20.00 ha, zulks voor de duur van 12 jaar, ingaande 1 november 1969;

- bedoelde pachtovereenkomst is goedgekeurd door de grondkamer voor Utrecht op 10 juni 1970;

- blijkens pachtwijzigingsovereenkomst van 7 december 1984, waarin als verpachter wordt vermeld de huidige verpachter (thans geïntimeerde), is [Y] als pachter opgevolgd door [appellant] , thans appellant, zulks met ingang van 1 november 1984;

- het hoofdgebouw is een voormalig kasteel en bestaat uit een woongedeelte en een stal die aan pachter zijn verpacht alsmede een toren en een torenzaal, die bij verpachter in gebruik zijn.

5 Beoordeling van het geschil in hoger beroep

5.1

Niet in geschil is dat het deel van de zolder, dat aan de zijde van de torenzaal door een scheidingswand van de rest van die zolder is afgescheiden, tot het gepachte behoort. Evenmin is in geschil dat het gebruik van dat gedeelte door verpachter - in het midden gelaten of dat gebruik al dan niet berust op een afspraak tussen partijen of hun rechtsvoorgangers - van de zijde van pachter zonder klachten o.d. is gedoogd. Het hof heeft, teneinde te kunnen beoordelen of dat gebruik - dat inmiddels al zo'n 40 jaar voortduurt - is aan te merken als een continue inbreuk op het pachtrecht van pachter, behoefte aan nadere inlichtingen.

5.2

Bij het vorenstaande kan in het midden blijven of de door (de rechtsvoorganger van) pachter geplaatste scheidingswand tussen beide gedeelten van de zolder al dan niet (alleen) uit privacy-overwegingen is aangebracht.

5.3

Indien sprake mocht zijn van een dusdanige inbreuk op het pachtrecht van pachter dat het daarvan gedogen, gelet op de termijn dat daarvan inmiddels sprake is, heeft geleid tot verjaring van een eventuele rechtsvordering van pachter om het gebruik door verpachter te beëindigen, dan geldt dat in beginsel ten aanzien van alle zaken die verpachter ter uitvoering van dat gebruik op meerbedoeld zoldergedeelte heeft geplaatst (gehad), tenzij op een gegeven moment sprake is geweest van de aanvang van een vorm van gebruik, waarvan verpachter rederlijkerwijze moest begrijpen dat dit een dusdanig groot nadeel voor pachter opleverde dat het niet meer geacht kon worden een toelaatbaar uitvloeisel van het toegestane gebruik te zijn. Alvorens vast te stellen of hiervan sprake is en, zo ja, of de aanspraken van pachter te dien aanzien zijn verjaard, acht het hof een nader onderzoek noodzakelijk.

5.4

Bedoeld onderzoek zal tevens dienen om vast te stellen of er aanleiding is om een onderzoek naar geluidsoverlast te bevelen als door pachter voorgestaan.

5.5

De vordering van pachter tot het verkrijgen van een sleutel van de toren is door de pachtkamer van kantongerecht terecht van de hand gewezen. Ten eerste behoort deze toren niet tot het gepachte en ten tweede heeft pachter, naar uit het ten processe aangevoerde volgt, de feitelijke mogelijkheid om vanaf het bij hem in gebruik zijnde gedeelte van de zolder het afgescheiden gedeelte van de zolder te betreden indien zulks in geval van een calamiteit als door hem bedoeld wenselijk of noodzakelijk zou zijn. Pachter heeft niet aannemelijk gemaakt dat met het optreden van een calamiteit serieus rekening moet worden gehouden, althans niet in dier voege dat alsdan de huidige toegangsmogelijkheid ongenoegzaam zou zijn.

Grief III is ongegrond.

5.6

Alvorens verder te beslissen zal het hof ter uitvoering van het hiervoor sub 5.1, 5.3 en 5.4 overwogene eerst een comparitie van partijen ter plaatse van de hoeve in geschil bepalen; deze comparitie zal tevens dienstbaar worden gemaakt om na te gaan of partijen het wellicht op één of meer punten alsnog met elkaar eens kunnen worden.

6 Beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bepaalt dat partijen, vergezeld van hun raadslieden, op een nader te bepalen datum en tijdstip zullen verschijnen ter plaatse van de hoeve in geschil (de comparitie van partijen zal na de bezichtiging van het hoofdgebouw worden voortgezet op een neutrale, door de raadslieden van partijen in onderling overleg te bepalen plaats), voor het lid van dit hof mr Kok als raadsheer-commissaris en de raad Wentink, om aan dezen inlichtingen over de zaak te geven en om dezen te laten onderzoeken of partijen het op één of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

bepaalt dat partijen dan in persoon aanwezig zullen zijn;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 1 februari 2000, ambtshalve peremptoir, voor het opgeven van de verhinderdata van partijen en hun raadslieden in de maanden februari, maart en april 2000, waarna dag en uur van de comparitie van partijen door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld (ook wanneer voormelde opgave van één of van beide partijen ontbreekt) en in beginsel geen uitstel in verband met verhinderingen meer zal worden verleend;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs Kok, Heisterkamp en Runia en de raden Wentink en ir Rogaar (plv.) en uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van 18 januari 2000.