Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:1999:BP7686

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
13-04-1999
Datum publicatie
21-03-2011
Zaaknummer
1998/453
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Seksueel misbruik

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 april 1999

derde civiele kamer

rolnummer 98/ 453

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr N.L.J.M. Rijssenbeek,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr I.P. Rietveld.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van de vonnissen van 11 september 1997 en 26 maart 1998 die de arrondissementsrechtbank te Zutphen tussen principaal appellant, tevens incidenteel geïntimeerde (hierna te noemen: [appellant]) en principaal geïntimeerde, tevens incidenteel appellante (hierna te noemen: [geïntimeerde]) heeft gewezen. Van die vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 12 juni 1998 aangezegd van beide

vonnissen in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven (in het principaal appel) heeft [appellant] drie

grieven tegen deze vonnissen aangevoerd, producties in het geding gebracht en bewijs aangeboden, met conclusie dat het hof de beide vonnissen zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, [geïntimeerde] alsnog in haar vordering niet-ontvankelijk zal verklaren, althans haar deze zal ontzeggen als ongegrond en onbewezen, en [geïntimeerde] zal veroordelen in de kosten van de beide instanties.

2.3 [geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord in het principaal appel de grieven

van [appellant] bestreden, en heeft in incidenteel appel een grief aangevoerd tegen (naar het hof begrijpt) het vonnis van 26 maart 1998, alles onder het aanbieden van bewijs en met conclusie dat het hof de beide vonnissen zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de door [appellant] aan [geïntimeerde] ter zake van immateriële schadevergoeding te betalen som zal bepalen op f 22.500,-, althans een zodanig bedrag als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren, met veroordeling van [appellant] in de kosten van de beide instanties.

2.4 Bij akte, tevens memorie van antwoord in het incidenteel appel heeft

[appellant] zijn standpunt in het principaal appel gehandhaafd en in het incidenteel appel geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid althans ontzegging van de vordering van [geïntimeerde], kosten rechtens.

2.5 [geïntimeerde] heeft akte verzocht in het incidenteel appel.

2.6 Tenslotte hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het

hof overgelegd.

3 De vaststaande feiten

3.1 Op grond van de in zoverre niet bestreden vaststelling van de rechtbank

en op grond van hetgeen verder is gesteld en niet of onvoldoende is weersproken dan wel blijkt uit de onbetwiste inhoud van de overgelegde bescheiden, staat in hoger beroep het volgende vast:

3.2 [geïntimeerde], geboren op [geboortedatum], is in [jaar] als pleegkind geplaatst in

het gezin van [appellant], toentertijd woonachtig te [woonplaats], in welk gezin zij is opgegroeid. [appellant] was als pleegvader belast met de zorg en opvoeding van [geïntimeerde].

3.3 In september 1980 is [geïntimeerde], die toen het huis uit was (of ging),

begonnen aan de opleiding tot ziekenverzorgster te Harmelen. In februari 1981, tijdens die opleiding, is zij overspannen geraakt.

3.4 Zij heeft zich toen tot een huisarts gewend, aan wie zij meedeelde

sexueel misbruikt te zijn door haar stiefvader. Het advies tot opneming in de psychiatrische afdeling van een algemeen ziekenhuis (PAAZ) dat hij haar gaf, heeft zij niet opgevolgd omdat haar opleiding daaronder zou lijden. Een behandeling bij de Riagg is niet verwezenlijkt omdat [appellant] en zijn echtgenote ondanks verzoek daartoe niet aan de beoogde gezinsbehandeling wilden meewerken.

3.5 In augustus 1985 is [geïntimeerde] gehuwd welk huwelijk later is gestrand. Uit

het huwelijk zijn drie kinderen geboren die onder toezicht zijn gesteld. Toen het huwelijk strandde, heeft zij zich in een opvanghuis doen opnemen. Zij leeft thans van een bijstandsuitkering.

3.6 [geïntimeerde] is vanaf september 1993 tot en met juni 1994 onder behandeling

geweest van drs M.P.F. van Herrewegen-van de Kimmenade, psycholoog N.I.P. Bij brief van 2 augustus 1996 aan [geïntimeerde] schrijft zij, voor zover hier van belang:

“De therapie is vooral gericht geweest op het verwerken van haar jeugdtrauma’s. Er is vooral veel aandacht geweest voor haar incestervaring. Haar stiefvader heeft haar vanaf haar zevende tot haar achttiende jaar tot driemaal in de week verkracht.

Het mag duidelijk zijn dat haar jeugdervaringen een zware belasting voor haar geweest zijn”.

3.7 Op 5 oktober 1993 heeft [geïntimeerde] bij de politie aangifte gedaan van

verkrachtingen, door [appellant] jarenlang en stelselmatig jegens haar gepleegd tot in het voorjaar van 1980.

3.8 Op 21 februari 1994 is [appellant] te dier zake aangehouden en in

verzekering gesteld.

Blijkens het proces-verbaal van verhoor van verdachte [appellant] van de

politie, basiseenheid Ermelo-Putten, van 23 februari 1994 heeft [appellant] verklaard:

“Toen wij nog in [woonplaats] woonden en [geïntimeerde] een jaar of 7 was ben ik begonnen om haar te betasten. ….. Ik had zeker twee keer in de week sexuele gemeenschap met [geïntimeerde]. Dat ging door tot zij een jaar of 18 was. Toen is het gestopt. Ik heb vanaf haar tiende tot haar achttiende jaar sexuele gemeenschap met haar gehad”.

3.9 Bij op tegenspraak gewezen en in kracht van gewijsde gegaan arrest van

25 juni 1996 heeft de meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Arnhem ten laste van [appellant] bewezen verklaard dat:

“Verdachte in de periode van 24 februari 1979 tot 1 mei 1980 in de gemeente Ermelo meermalen door geweld een vrouw, te weten [geïntimeerde], heeft gedwongen met hem, verdachte, buiten echt vleselijke gemeenschap te hebben, welk geweld hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, die [geïntimeerde] telkens opzettelijk gewelddadig heeft geslagen en vastgepakt en misbruik heeft gemaakt van het uit de feitelijke verhoudingen voortvloeiende overwicht en zijn, verdachte’s, fysiek overwicht, waartegen die [geïntimeerde] zich niet meer kon of durfde te verzetten gelet op de reeds jarenlang plaatsgehad hebbende sexuele onderdrukking”.

Deze feiten zijn door het hof gekwalificeerd als “Verkrachting, meermalen gepleegd” en aan [appellant] is te dier zake een gevangenisstraf van 6 maanden opgelegd, te vervangen door onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van 240 uur, onder aftrek van 30 uur wegens de tijd door veroordeelde in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

3.10 [appellant], geboren op [geboortedatum], geniet een WAO-uitkering ter

hoogte van, in maart 1997, netto f 2.045,06, en bewoont met zijn echtgenote een huurwoning met een kale huurprijs van f 606,- per maand. Hij bezit een oude Fiat Panda met een waarde van f 500,- en een hond. Er zijn geen verdere gezinsinkomsten of verder vermogen. Vanaf het bereiken door [appellant] van de leeftijd van 65 jaar is hij aangewezen op een AOW-uitkering.

4 Beoordeling van het principaal appel

4.1 [geïntimeerde] vordert, kort gezegd en voor zover thans nog van belang,

vergoeding van de immateriële schade die [appellant] haar door jarenlange en stelselmatige verkrachtingen heeft toegebracht.

[appellant] heeft zich er op beroepen, dat de - bij dagvaarding van 6 juni 1997 ingeleide -vordering van [geïntimeerde] zowel afgemeten aan het bepaalde in artikel 3:310 lid 1 BW als artikel 3:310 lid 4 BW verjaard is. Daarop heeft grief 2 in het principaal appel betrekking.

Volgens het eerste lid van dit wetsartikel verjaart een rechtsvordering tot

vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. [appellant] stelt dat aan beide vereisten is voldaan doordat [geïntimeerde], die in 1981 aan een collega had meegedeeld sexueel misbruikt te zijn door haar pleegvader, in dat jaar reeds blijkens het afwijzen van de voorgestelde opneming in een PAAZ met de ontstane psychische problemen en dus met de opgetreden psychische schade bekend was. Dat zij eerst in 1993 psychiatrische hulp heeft gezocht, is in verregaande mate aan haar zelf te wijten en kan niet ten laste van [appellant] worden gebracht.

Volgens het vierde lid van dit wetsartikel verjaart, indien de gebeurtenis

waardoor de schade is veroorzaakt een misdrijf, waaronder verkrachting, oplevert en is gepleegd ten aanzien van een minderjarige, de rechtsvordering tot vergoeding van de schade tegen de schuldige van het misdrijf niet zolang het recht tot strafvordering niet door verjaring is vervallen. Aangezien de strafrechtelijke verjaringstermijn voor verkrachting 15 jaren beloopt en [geïntimeerde] op

[datum] meerderjarig is geworden, is deze termijn volgens [appellant] op [datum] verstreken.

4.2 De grief moet worden verworpen.

Een redelijke toepassing van lid 1 van genoemd wetsartikel op een geval als het onderhavige brengt met zich, dat van bekendheid met schade in de zin van dat artikellid geen sprake kan zijn voordat het slachtoffer zich bewust is dat het haar aangedane leed schade in vermogensrechtelijke zin ten gevolge heeft. Gesteld noch gebleken is dat dit bewustzijn reeds in 1981 bij [geïntimeerde] bestond. Ook zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken waaruit volgt dat vijf jaar of meer voor het uitbrengen van de inleidende dagvaarding zodanig bewustzijn bij [geïntimeerde] bestond.

Het vierde lid van artikel 3:310 BW houdt geen zelfstandige

verjaringstermijn in, doch belet slechts het intreden van de civielrechtelijke verjaring voor ommekomst van de in dat lid bedoelde termijn. Nu de vordering reeds niet op grond van lid 1 van dat wetsartikel verjaard is, kan een beroep op lid 4 daarvan [appellant] niet baten. Bovendien is de strafrechtelijke verjaringstermijn gestuit, zoal niet door een vordering strekkende tot het in voorlopige hechtenis nemen van [appellant], dan door zijn dagvaarding ter terechtzitting van 5 april 1994 van de meervoudige strafkamer van de arrondissementsrechtbank te Zutphen.

4.3 Blijkens de toelichting op grief 1 heeft deze grief mede de strekking te

betogen dat, anders dan door de strafrechter vastgesteld, slechts een maal sexuele gemeenschap tussen [appellant] en [geïntimeerde] heeft plaatsgevonden en dat daarbij niet tegen de wil van [geïntimeerde] is gehandeld, die immers nimmer opzettelijk is geslagen en tegen wie evenmin ander geweld is uitgeoefend. Hij verwijst naar de bij de rechter-commissaris in strafzaken afgelegde verklaringen van zijn echtgenote en van zijn pleegzoon P. Niesen. [appellant] voert aan dat hij niet in staat is te bewijzen dat de in het strafproces vastgestelde feiten zich niet zo hebben voorgedaan, maar meent dat dit niet van hem kan worden gevergd.

4.4 Het hof volgt [appellant] niet in dit betoog.

Blijkens artikel 188 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

levert het onder 3.9 hiervoor genoemde arrest dwingend bewijs op dat [appellant] de in de bewezenverklaring vermelde feiten heeft begaan. De bewijslast van de gestelde verkrachtingen lag dus in beginsel bij [geïntimeerde] die zich echter op dit, na uitgebreid strafrechtelijk onderzoek op tegenspraak en dus na kennisneming van [appellant]’s verweren gewezen arrest kon beroepen. Tegenbewijs daartegen staat [appellant] vrij, doch de getuigenverklaringen waarnaar hij verwijst zijn onvoldoende voor het hof om thans anders omtrent de aan [appellant] verweten gedragingen jegens [geïntimeerde] te oordelen dan de strafrechter. Zijn algemene bewijsaanbod is in het licht van reeds verricht opsporingsonderzoek en onderzoek door de rechter-commissaris in strafzaken te weinig specifiek en moet daarom worden gepasseerd. Ook in dit hoger beroep zal dus van de juistheid van de in de strafrechtelijke bewezenverklaring

vervatte feiten moeten worden uitgegaan.

4.5 Blijkens de toelichting op grief 1 bestrijdt [appellant] voorts de voor de

ernst en omvang van de psychische schade maatgevende overweging van de rechtbank, opgenomen in de rechtsoverwegingen 2.5 en 2.10 van het vonnis van 26 maart 1998, luidende dat hier sprake is van een gedurende bijna drie jaar stelselmatig verkrachten van [geïntimeerde] door [appellant] en hij wijst er daarbij op dat in het strafarrest slechts de periode van 24 februari 1979 tot 1 mei 1980 bewezen is verklaard.

De rechtbank heeft de door haar vermelde periode kennelijk berekend als

aangevangen op 6 juni 1977 aangezien de schadevordering voor zover gegrond op daaraan voorafgaand handelen door de twintigjarige verjaringstermijn van lid 1 van artikel 3:310 BW is getroffen.

In aanmerking dient te worden genomen dat in het strafarrest is

bewezen verklaard dat, toen de bewezen verklaarde feiten plaatsvonden, er reeds sprake was van een jarenlange sexuele onderdrukking van [geïntimeerde] door [appellant]. De rechtbank heeft uit een en ander kunnen afleiden - en het hof deelt die gevolgtrekking - dat [appellant] door geweld of misbruik van uit de feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht [geïntimeerde] ook reeds in 1977 en 1978 tot geslachtsverkeer met hem heeft genoopt. Er is ook geen voldoende aanwijzing dat de sexuele contacten tussen [appellant] en [geïntimeerde] in die jaren onder andere, minder ernstige omstandigheden plaatsvonden dan in de bewezen verklaarde periode. [appellant] zelf stelt dit ook niet. Aan dit verweer wordt derhalve ook voorbijgegaan.

4.6 Ook klaagt [appellant] nog in de toelichting op deze grief, dat de

rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat [geïntimeerde] haar opleiding tot ziekenverzorgster heeft afgebroken en dat de rechtbank de afgebroken zwangerschap van [geïntimeerde] als vaststaand feit heeft vermeld. De rechtbank heeft echter in rechtsoverweging 2.8 van haar eindvonnis de stelling van [geïntimeerde] dat zij haar opleiding niet met een diploma heeft kunnen afronden als onbewezen verworpen, zodat de klacht in zoverre feitelijke grondslag mist. Bij de vermelding van de afgebroken zwangerschap is geen belang van [appellant] betrokken, nu niet blijkt of aannemelijk is dat de rechtbank deze omstandigheid aan [appellant] toerekent of zelfs maar betrekt bij de vaststelling van het beloop van de immateriële schade.

4.7 Met grief III betoogt [appellant] dat het schadebedrag in het eindvonnis

te hoog is vastgesteld. Het schadebedrag ad f 22.500,- is in vergelijking tot andere gepubliceerde rechterlijke uitspraken zijns inziens te hoog. Van een lange en intensieve psychiatrische behandeling is geen sprake. Bovendien is, gezien de minimale inkomsten van [appellant], de door de rechtbank toegepaste matiging onvoldoende. Hij is niet in staat de door de rechtbank toegewezen

f 15.000,- te voldoen.

4.8 [appellant] heeft weliswaar het schadebedrag bestreden, maar geen grief

gericht tegen hetgeen de rechtbank in rechtsoverweging 2.6 van het eindvonnis heeft overwogen, zodat - daargelaten op welke wijze en in welke mate die schade zich heeft gemanifesteerd - tussen partijen vaststaat dat [geïntimeerde] daadwerkelijk ernstige psychische schade heeft geleden ten gevolge van

bedoeld misbruik. De rechtbank heeft haar vaststelling van het beloop van de psychische schade met name gegrond op de ernstige inbreuk op haar lichamelijke en geestelijke integriteit, bestaande in het gedurende een periode van drie jaar stelselmatig verkracht worden. Het hof voegt daaraan toe dat een en ander nog te ernstiger is, daar zij als pleegkind aan de zorg van [appellant] was toevertrouwd en dus in een extra kwetsbare positie verkeerde. Handelen als dat van [appellant] pleegt een schaduw over het gehele leven van een kind te werpen en is moeilijk met geld te vergoeden. Anderzijds heeft [geïntimeerde] ervan afgezien de rechtbank of het hof gedocumenteerd verdergaand inzicht te geven in de psychische verschijnselen waarmee zij door het handelen van [appellant] te kampen heeft en in de door haar gevolgde therapie, hetgeen er aan in de weg staat het schadebedrag te begroten op het door de rechtbank gekozen niveau, zodat het hof het schadebedrag zal beperken tot f 17.500,- .

4.9 [appellant] heeft ter onderbouwing van het door hem gestelde gebrek

aan draagkracht een draagkrachtberekening en een specificatie van zijn financiële lasten overgelegd, waarvan de inhoud niet door [geïntimeerde] is bestreden, zodat het hof van de juistheid van die bedragen moet uitgaan. Uitgangspunt is derhalve dat [appellant] na aftrek van vaste lasten over niet meer dan ongeveer f 775,- besteedbaar inkomen per maand beschikt. Onder die vaste lasten bevindt zich een persoonlijke lening ad f 5.000,- waarop [appellant] f 2.160,- per jaar betaald, zodat deze binnen afzienbare tijd afbetaald zal zijn. Mede daardoor is er wel enige draagkracht bij [appellant] en bovendien ook leencapaciteit, zodat [appellant] in staat moet worden geacht op korte termijn f 5.000,- te betalen en in verloop van tijd nog eens dit bedrag. Voor het meerdere is geen ruimte aanwezig en evenmin te verwachten. Daarom matigt het hof de te betalen schadevergoeding tot f 10.000,-. Verdergaande matiging wijst het hof af op grond van de aard van de aansprakelijkheid, te weten de aansprakelijkheid voor eigen opzettelijk onrechtmatig handelen, en de ernstige schuld van [appellant] aan het ontstaan van de schade.

5 In het incidenteel appel

5.1 Het in de rechtsoverwegingen 4.8 en 4.9 overwogene heeft ten gevolge

dat de grief in het incidenteel appel tevergeefs is voorgedragen.

6 Proceskosten

6.1 Geen grief is gericht tegen de beslissing van de rechtbank omtrent de

proceskosten, zodat deze beslissing in stand blijft. Nu in het principaal appel beide partijen gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld, zullen de kosten daarvan worden gecompenseerd aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt. De kosten in het incidenteel appel bepaalt het hof op nihil.

Beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

In het principaal appel

bekrachtigt het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Zutphen van

11 september 1997, behoudens wat betreft het overwogene in de rechtsoverwegingen 2.3 en 2.4 en vernietigt dat vonnis in zoverre;

vernietigt het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Zutphen van

26 maart 1998, behoudens wat betreft de beslissing over de proceskosten;

Veroordeelt [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag groot

f 10.000,- (tienduizend gulden);

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer gevorderde af;

bepaalt dat de proceskosten in het principaal appél worden gecompenseerd, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

In het incidenteel appel

Verwerpt het beroep;

bepaalt de proceskosten op nihil.

Dit arrest is gewezen door mrs Makkink, Fokker en Mens en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 april 1999