Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:1999:AE9700

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
28-06-1999
Datum publicatie
09-08-2006
Zaaknummer
1999/331
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betaling van schulden tijdens schuldsanering aan onderwereld en opnieuw schulden laten ontstaan zijn voldoende gronden voor tussentijdse beëindiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Gerechtshof te Arnhem

Arrest

in de zaak van:

1 X. en

2. Y.

echtelieden,

beiden wonende te P.

appellanten,

procureur; mr P.C. Plochg.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank te Almelo van 26 mei 1999, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 2 juni 1999, zijn appellanten (hierna te noemen: X. en Y.) in hoger beroep gekomen van voormeld vonnis, waarbij de toepassing van hun schuldsaneringsregelingen is beëindigd.

2.2 Bij voormeld beroepschrift hebben zij het hof verzocht voormeld vonnis te vernietigen en hun respectieve schuldsaneringsregelingen te laten voortduren, althans voormeld vonnis gedeeltelijk te vernietigen en de schuldsanering ten aanzien van P. te laten voortduren.

2.3 Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken.

2.4 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 juni 1999, waarbij X. en Y. zijn verschenen, bijgestaan door mr. A.M. Mellema, advocaat te Enschede. Tevens is verschenen mr. J.F. Walhof, bewindvoerder.

3. De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1 Het hoger beroep is tijdig ingesteld.

3.2 Bij vonnissen van 31 maart 1999 heeft de rechtbank te Almelo het faillissement van X. opgeheven en de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van X. en Y., met benoeming van mr. M.M. Verhoeven tot rechter-commissaris en mr. J.F. Walhof tot bewindvoerder. Op voordracht van de rechter-commissaris heeft de rechtbank te Almelo bij vonnis van 26 mei 1999 de toepassing van de schuldsaneringsregelingen van X. en Y. beëindigd.

3.3 X. en Y. betwisten de door de rechtbank gehonoreerde grond voor de beëindiging. Zij bestrijden dat zij bovenmatige schulden hebben laten ontstaan dan wel getracht hebben hun schuldeisers te benadelen. Zij voeren daartoe het volgende aan. Onder druk van een aantal bedreigingen hebben zij in overleg met de politie besloten eerst hun schuldeisers uit de onderwereld af te betalen. Uit angst voor represailles hebben zij van deze bedreigingen geen aangifte bij de politie gedaan. Zij verklaren dat zij nooit getracht hebben hun schuldeisers te benadelen. Het aangaan van nieuwe

schulden was het gevolg van de afbetaling van hun schuldeisers uit de onderwereld.X. en Y. stellen dat zij op dit moment al hun schulden aan de onderwereld hebben afbetaald en thans met een schone lei kunnen beginnen. Tevens voeren zij aan dat bij een bedrag van f. 6.500,-- aan schulden geen sprake is van een bovenmatige schuld, dat hun geld nu in handen is van het IKB en dat zij inmiddels begonnen zijn met het afbetalen van onder meer achterstallige huurtermijnen en energierekeningen.

3.4 Volgens de bewindvoerder zijn na 31 maart 1999, de dag waarop de toepassing van de schuldsaneringsregeling is uitgesproken, onder meer verzekeringspremies over april t/m juni 1999, de huur over april en mei 1999 en de Edon over maart 1999 niet betaald. Daarnaast heeft de bewindvoerder bij de post brieven van de ECI aangetroffen- een brief gericht aan X. over een schuld van f. 641,-- en een aanmaning van 11 mei j.l. gericht aan Y. voor een bedrag van f. 968,--. Deze aan de ECI verschuldigde bedragen zijn nooit door X. en Y. gemeld. Tevens is het volgen de bewindvoerder niet juist dat X. en Y. geheel geen beschikking meer hebben over hun geld. X. en Y. zijn pas onlangs, op 18 juni 1999, bij de Sociale Dienst langs geweest voor het openen van een Budget Beheer Rekening (BBR).

3.5 Het hof is van oordeel dat het verzoek van X. en Y. om de toepassing van de schuldsaneringsregeling te laten voortduren, dient te worden afgewezen. Het hof heeft daarbij meegewogen dat de rechtbank hen ter zitting van 31 maart 1999 nadrukkelijk erop heeft gewezen dat het betalen van "onderwereld"-schuldeisers onjuist is ten opzichte van de andere schuldeisers, waarbij de rechtbank hen de consequenties van een dergelijk gedrag heeft voorgehouden. Desondanks zijn X. en Y. daags na deze zitting van de rechtbank, hiermee doorgegaan en hebben zij nieuwe schulden gemaakt zonder informatie aan of overleg met de bewindvoerder. Ook blijkt uit de brieven van de ECI dat zij niet alle reeds bestaande schulden aan de bewindvoerder gemeld hebben. Bovendien hebben X. en Y. pas op vrijdag 18 juni 1999 het initiatief genomen om een BBR te openen. X. en Y., hebben dus gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 350 lid 3 onder c, d en e Faillissementswet. Het bestreden vonnis zal derhalve worden bekrachtigd.

4. De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Almelo van 26 mei 1999.

Dit arrest is gewezen door mrs Houtman, Smeeïng-Van Hees en Groen en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 juni 1999.