Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:1999:AA7858

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
11-08-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
97-22583
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2000/4.1.2

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

Tweede meervoudige belastingkamer

nummer 97/22583

U I T S P R A A K

op het verzet van *X te *Z tegen de beschikking van de Voorzitter van de eerste meervoudige belastingkamer van het Hof van 14 juli 1994 betreffende de door de Inspecteur van de Belastingdienst/Centraal bureau motorrijtuigen-belasting te Apeldoorn aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting (aanslagnummer *001), na verwijzing van het geding naar dit Hof door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 17 december 1997, nr. 32.477.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar, geding voor het Hof en in cassatie

Aan belanghebbende is voormelde naheffingsaanslag opgelegd. De Inspecteur heeft uitspraak gedaan op het door belanghebbende tegen deze naheffingsaan-slag gemaakte bezwaar. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij dit Hof. Bij beschikking van 14 juli 1994 heeft de Voorzitter van voormelde belastingka-mer belanghebbende wegens overschrijding van de beroepstermijn als bedoeld in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep. Vervolgens heeft het lid van de vierde enkelvoudige belastingka-mer van het Hof bij uitspraak van 5 juli 1996 het verzet van belanghebbende tegen die beschikking ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen die uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij genoemd arrest de uitspraak van het Hof vernietigd en het geding verwezen naar dit Hof ter verdere behandeling en beslissing op het verzet in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest.

2. Geding na verwijzing

2.1. In zijn arrest overwoog de Hoge Raad onder meer:

"Het beroepschrift van belanghebbende tegen de uitspraak van de Inspecteur van 10 mei 1994 is in een enveloppe met poststempel van de PTT 27 juni 1994 ter griffie van het Hof ingekomen op 28 juni 1994. De beroepster-mijn verliep op 21 juni 1994. Belanghebbende heeft voor het Hof aangevoerd wegens ziekte niet in staat te zijn geweest haar beroepschrift tijdig in te dienen. Het Hof heeft het verzet ongegrond verklaard op de grond dat zij dat met hetgeen zij aanvoert niet aannemelijk heeft gemaakt. Nu belanghebbende in haar verzetschrift heeft aangevoerd dat zij van 10 juni 1994 tot en met 22 augustus 1994 in een ziekenhuis heeft gelegen, terwijl zij voorts heeft aangevoerd dat zij daarvan op 8 december 1995 een medische verklaring aan het Hof heeft opgestuurd en de Inspecteur aan het Hof correspondentie heeft overgelegd waarin ook over een ziekenhuisopname wordt gerept, is 's Hofs uitspraak niet voldoende met redenen omkleed. 's Hofs uit-spraak kan niet in stand blijven; verwijzing moet volgen."

2.2. Partijen zijn door het Hof in de gelegenheid gesteld naar aanleiding van dit arrest een schriftelijke conclusie bij het Hof in te dienen. Beide partijen hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van de tweede meervoudige belasting-kamer van het Hof van 13 januari 1999, gehouden te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende en de Inspecteur.

2.3. Ter genoemde zitting heeft het Hof belanghebbende verzocht vóór 1 februari 1999 nader schriftelijke inlichtingen te verstrekken. Belanghebbende heeft, hoewel zij ter zitting heeft toegezegd te zullen voldoen aan dit verzoek, daaraan geen gehoor gegeven.

2.4. Partijen hebben het Hof, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet verzocht de onderwerpelijke zaak opnieuw mondeling te behandelen.

3. De vaststaande feiten

Het Hof neemt voor dit geding als vaststaand over hetgeen is vermeld in de uitspraak op verzet van de vierde enkelvoudige belastingkamer van dit Hof van 5 juli 1996, nr. M 94/1363.

4. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

4.1. Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of de Voorzitter van de eerste meervoudige belastingkamer van het Hof belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar beroep. Meer in het bijzonder spitst het geschil zich toe op de vraag of ten aanzien van het onderhavige na afloop van de beroepstermijn ingediende beroepschrift van belanghebbende niet-ontvank-elijkverklaring achterwege dient te blijven, omdat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende met het indienen van dit beroepschrift in verzuim is geweest.

4.2. Belanghebbende beantwoordt laatstbedoelde vraag bevestigend, de Inspec-teur daarentegen ontkennend.

4.3. Partijen doen hun standpunt steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de stukken.

4.4. Zij hebben daaraan ter zitting van het Hof van 13 januari 1999 nog toegevoegd - zakelijk weergegeven -:

door belanghebbende:

- de in het arrest van de Hoge Raad bedoelde medische verklaring is destijds aan het Hof toegezonden;

- het ziekenhuis waarin zij destijds is opgenomen geweest, bestaat thans niet meer.

door de Inspecteur

De belastingdienst heeft nimmer (een afschrift van) bedoelde medische verkla-ring gezien. Daarom wordt betwist dat belanghebbende in de betreffende periode in het ziekenhuis heeft gelegen.

4.5. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het verzet alsmede tot vernietiging van zowel de uitspraak van de Inspecteur als de onderwerpelij-ke naheffingsaanslag.

4.6. De Inspecteur concludeert daarentegen tot ongegrondverklaring van het verzet.

5. Beoordeling van het verzet

5.1. Belanghebbende heeft in haar verzetschrift aangevoerd - en zulks heeft zij ter zitting van 13 januari 1999 herhaald - dat zij van 10 juni 1994 tot en met 22 augustus 1994 in een ziekenhuis heeft gelegen en dat zij daarvan op 8 december 1995 een medische verklaring aan het Hof heeft opgestuurd.

5.2. Ter zitting van 13 januari 1999 heeft de Inspecteur betoogd dat zij nimmer (een afschrift van) die medische verklaring heeft ontvangen en dat zij - deels in afwijking van de conclusie na verwijzing - om deze reden betwist dat belanghebbende in bedoelde periode in het ziekenhuis heeft gelegen.

5.3. De door belanghebbende bedoelde medische verklaring is niet in het onderhavige dossier aangetroffen. Voorts is in het administratie-systeem van het Hof niet geregistreerd dat zodanige verklaring op enig tijdstip ter griffie van het Hof is ingekomen. Mitsdien gaat het Hof ervan uit dat bedoelde medische verklaring nimmer door het Hof is ontvangen. Ter zitting van 13 januari 1999 heeft het Hof belanghebbende in de gelegenheid gesteld alsnog een zodanige medische verklaring aan het Hof te overleggen. Daarbij heeft het Hof belanghebbende medegedeeld dat, nu het ziekenhuis niet meer bestaat, wellicht haar huisarts danwel haar ziektekostenverzekeraar haar in dezen van dienst zou kunnen zijn. Belanghebbende heeft ter zitting toegezegd de gevraagde medische verklaring te zullen overleggen aan het Hof.

5.4. Nochtans heeft belanghebbende nagelaten een medische verklaring met betrekking tot de - door haar gestelde - ziekenhuisopname aan het Hof te overleggen.

5.5. Nu de Inspecteur de in 5.1 bedoelde stelling van belanghebbende betwist, rust op belanghebbende de last deze stelling aannemelijk te maken. Hierin is zij, nu daarvan op geen enkele wijze is gebleken, niet geslaagd.

5.6. In aanmerking genomen dat ook anderszins niet is gebleken van een omstandigheid op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende met het indienen van het onderhavige beroepschrift in verzuim is geweest, dient het verzet van belanghebbende tegen de beschikking van de Voorzitter van de eerste meervoudige belastingkamer van het Hof ongegrond te worden verklaard.

5.7. Ten overvloede zij nog opgemerkt dat naar oordeel van het Hof de in het dossier bevindende stukken geen aanwijzing geven voor het oordeel dat de Inspecteur de onderwerpelijke naheffingsaanslag ten onrechte heeft opgelegd.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het verzet ongegrond.

Aldus gedaan te Arnhem op 11 augustus 1999 door mr Van Schie, vicepresident, voorzitter, mr Lamens en mr drs F.J.P.M. Haas, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr Den Ouden als griffier.

(R. den Ouden) (P.M. van Schie)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 24 augustus 1999

[Zie ook het arrest HR 35616 (red.)]